Sociologie: H12: macht en stratificatie
Macht
- Centraal in sociologisch denken:
Van slaven-, over standen- naar klassenmaatschappij (macht is principe van rol
opperwezen, gevolg van traditie)
Marx: klassenverschillen zijn vooral machtsverschillen (conflictsociologie)
(verhouding tgv economische middelen die bepaalt wie heeft en niet heeft)
- Maar wat is macht?
Weber: mogelijkheid om, eventueel tegen wil van anderen, te krijgen wat men wil
- Macht = capaciteit om een ander te doen handelen op gewenste manier
Om macht te kunnen uitoefenen heb je middelen nodig
- Zichzelf steeds reproducerende beweging/ tijdsperspectief: je kan macht oefenen
op arsenaal aan middelen uit verleden (soort prestige, nuttige contacten, geld…)
- Als je krijgt wat je wil, heb je opnieuw bijkomende middelen die je meer macht
zullen geven in toekomst
Soort macht en hun legitimiteitsbasis
1) Economie (belangrijkste)
2) Reguliere macht: posities die anderen hun gedrag kunnen doen aanpassen bv
directeur
, 3) Sociale: solidariteit, versymbolisering nr vertegenwoordiging en sociale relaties bv
verkiezingen Nederland
4) Cultureel: beroep doen op waarden bv ik kan als psycholoog mensen in hulpverlening
helpen omdat ik over aantal vaardigheden beschik om oplossing te bieden
Stratificatie: dimensies van ongelijkheid
- Ongelijkheid situeert zich in bepaalde collectiviteit (sommige posities toegang tot
acht en andere minder, ook andere criteria van macht/machtsmiddelen bv
vriendenclub, unief, bedrijf)
- Dimensies zijn relevant om posities in elke collectiviteit te beschrijven
- Maar macht heeft niet steeds zelfde reikwijdte:
- bv oud lid van vereniging (buiten collectiviteit geen macht en wordt gelijk
behandeld) EN bedrijfsleider die rijk is (geld, solidariteit, prestige)
andere logica, reikwijdte bedrijfsleider is veel groter DUS situatie van iemand
ligt niet alleen vast in positie maar ook in bredere context, daar gaat het iets
betekenen
Perspectieven op stratificatie
- Uni – dimensioneel:
Traditionele Marxistische klassenanalyse:
Economische macht in productieproces
Klasse = eigendom van productiemiddelen, onttrekken van meerwaarde
Sl waarbij je tweedeling in macht had tussen diegene in bezit
productiemiddelen en arbeiders
- Erik Olin Wright: verbreding klassenbegrip
Basis: bezit van kapitaal (economische macht) (basis voor sociale ladder)
Maar ook: positie in gezagshiërarchie (politieke macht) + kennis, vaardigheden,
ervaring (culturele macht) (mensen op ladder niet reduceren tot alleen
werkenden maar ook kinderen, werklozen…)
- Echter: blijft beperkt tot productieproces
Klassenschema van E. Wright
Macht
- Centraal in sociologisch denken:
Van slaven-, over standen- naar klassenmaatschappij (macht is principe van rol
opperwezen, gevolg van traditie)
Marx: klassenverschillen zijn vooral machtsverschillen (conflictsociologie)
(verhouding tgv economische middelen die bepaalt wie heeft en niet heeft)
- Maar wat is macht?
Weber: mogelijkheid om, eventueel tegen wil van anderen, te krijgen wat men wil
- Macht = capaciteit om een ander te doen handelen op gewenste manier
Om macht te kunnen uitoefenen heb je middelen nodig
- Zichzelf steeds reproducerende beweging/ tijdsperspectief: je kan macht oefenen
op arsenaal aan middelen uit verleden (soort prestige, nuttige contacten, geld…)
- Als je krijgt wat je wil, heb je opnieuw bijkomende middelen die je meer macht
zullen geven in toekomst
Soort macht en hun legitimiteitsbasis
1) Economie (belangrijkste)
2) Reguliere macht: posities die anderen hun gedrag kunnen doen aanpassen bv
directeur
, 3) Sociale: solidariteit, versymbolisering nr vertegenwoordiging en sociale relaties bv
verkiezingen Nederland
4) Cultureel: beroep doen op waarden bv ik kan als psycholoog mensen in hulpverlening
helpen omdat ik over aantal vaardigheden beschik om oplossing te bieden
Stratificatie: dimensies van ongelijkheid
- Ongelijkheid situeert zich in bepaalde collectiviteit (sommige posities toegang tot
acht en andere minder, ook andere criteria van macht/machtsmiddelen bv
vriendenclub, unief, bedrijf)
- Dimensies zijn relevant om posities in elke collectiviteit te beschrijven
- Maar macht heeft niet steeds zelfde reikwijdte:
- bv oud lid van vereniging (buiten collectiviteit geen macht en wordt gelijk
behandeld) EN bedrijfsleider die rijk is (geld, solidariteit, prestige)
andere logica, reikwijdte bedrijfsleider is veel groter DUS situatie van iemand
ligt niet alleen vast in positie maar ook in bredere context, daar gaat het iets
betekenen
Perspectieven op stratificatie
- Uni – dimensioneel:
Traditionele Marxistische klassenanalyse:
Economische macht in productieproces
Klasse = eigendom van productiemiddelen, onttrekken van meerwaarde
Sl waarbij je tweedeling in macht had tussen diegene in bezit
productiemiddelen en arbeiders
- Erik Olin Wright: verbreding klassenbegrip
Basis: bezit van kapitaal (economische macht) (basis voor sociale ladder)
Maar ook: positie in gezagshiërarchie (politieke macht) + kennis, vaardigheden,
ervaring (culturele macht) (mensen op ladder niet reduceren tot alleen
werkenden maar ook kinderen, werklozen…)
- Echter: blijft beperkt tot productieproces
Klassenschema van E. Wright