6 DNA, RNA en stroom van genetische informatie
Introductie
De tertiare structuur en quaternaire strucutuur van moleculen zijn belangrijk voor de functies die ze
moeten uitvoeren.
Vb: hemoglobine à quaternaire strucutuur zorgt ervoor dat er op een efficiënte manier zuurstof
wordt getransporteerd naar de weefsel en CO2 terug
Als de tertiaire en quaternaire structuur niet optimaal is, hebben we een niet optimaal functionerend
eiwit. De structuren van eiwitten kunnen niet optimaal zijn door verschillende factoren:
- omgeving: pH, temperatuur
- maar ook de sequentie van AZ (à er werd slecht geprogrammeerd)
Mutatie: verandering in het genetisch materiaal. De primaire sequentie van alle eiwitten zit vast in de
genetische code van het materiaal.
DNA en RNA zijn lange, lineaire polymeren, nucleïnezuren, die informatie dragen onder een vorm die
kan doorgegeven worden van generatie op generatie
DNA en RNA zijn strengen van een groot aantal gekoppelde nucleotiden die de code zullen vormen
voor de aminozuren.
Nucleotide elk samengesteld uit:
- een suiker
- een fosfaat
- een stikstofbase (1 van de 4 bestaande)
à In de genetische info hebben we cosntante gedeeltes (combo fosfaat en suikers, de
estherverbindingen) die zorgen voor structuur en stevigheid, maar het moet wel toegankelijk zijn.
à De opeenvolging van de bases zorgt voor de genetische info.
DNA is een dubbele helix. DNA kan gerepliceerd worden. Complementariteit betekent dat we
basenparen hebben en altijd aan elke kant een complementaire base hebben.
DNA wordt overgeschreven naar RNA = transcriptie en RNA die vertaald wordt in eiwitten = translatie.
RNA is een enkelvoudige kopei is van DNA. Daarna omzetting van de genetische code naar aminozuren
die een eiwit kunnen opleveren door een intens samenspel tussen mRNA, tRNA, rRNA en de
geactiveerde nucleotiden. De sequentie, opeenvolging van de stikstofbasen vormen een code voor de
eiwitten.
Een sequentie van nucleotide/stikstofbase die wordt per 3 stukken gecodeerd voor 1 AZ. De 3
stikstofbase vormen de codon (= code voor 1 AZ). Vooraleer RNA volledig vertaald wordt in eiwit,
ondergaat het nieuwe RNA nog veranderingen. In het RNA zijn stukken die coderen (exons) en stukken
die niet coderen (introns). De exons zijn de stukken die vertaald worden à vormen de opeenvolging
voor de nucleotiden (voor het eiwit dat gemaakt moet worden). De introns moeten nog verwijderd
worden vooraleer het RNA wordt vertaald in het eiwit, zijn staan eerder in voor de regulering. Dit
proces heet SPLICING. Het mature RNA is wanneer er nog enkel de exonen overblijven.
, Een nucleïnezuur bestaat uit 4 soorten basen verbonden via een suiker-fosfaat
ruggengraat
Nucleinezuur = DNA en RNA
Elke kleinste deel binnen het polymeer is een nucleotide. De sequentie van basen in het polymeer
karakteriseert op unieke wijze een nucleïnezuur en vormt een vorm van lineaire informatie (informatie
die analoog is aan de letters in iemand zijn naam).
Er is dan ook een START en STOP codon, maar er zal altijd per 3 afgelezen worden (ieder 3 nucleotiden
coderen voor 1 AZ).
RNA en DNA verschillen in suikercomponent en in één van de basen
De suiker in DNA = deoxyribonucleinezuur
De zuiker in RNA = ribose
1 nucleotide =
- suiker
- fosfaatgroep
- base
à 5 C-atomen
à 3’ zal 5’ verbinden met een
fosforydiesterverbinding
à Lezen: 5’ à 3’
Stikstofbasen à 2 soorten:
- Purines: 5 en 6 ringen
à A en G
- Pyramidines: ringen bestaan uit C en N,
enkel 6 ringen
à C, U en T
DNA: A, G, C en T
RNA: A, G, C en U (ipv T)