3 KOOLHYDRATEN
Koolhydraten
= belangrijke brandstofmoleculen
= spelen vele andere biochemische rollen, inclusief bescherming tegen krachtige krachten
= op koolstof gebaseerde molecule die rijk zijn aan hydroxylgroepen (-OH)
Het kraakbeen van de voet van een hardloper dempt de impact van elke stap. Een sleutelcomponent
van kraakbeen zijn glycosaminoglycanen:
= grote polymeren die bestaan uit vele herhalingen van dimeren (zie foto rechts)
= repetitieve disaccharide
Kraakbeen (met koolhydraten) vormt veringen (water toevoegen of uitpersen) à ook structurele
functie.
Functies
- Brandstof
- Structuur (elke cel wordt bedekt met een dichte en complexe laag van koolhydraten).
- Gebruikt om cellen te herkennen (op celmembraan zijn koolhydraten antennes: specifiek per
soort cel).
- Eiwitten bevatten KH: verhoogt oplosbaarheid (om quaternaire structuur proper te houden).
- Extracellulaire matrix (hoog eukaryoot milieu) bevat veel KH (hierdoor overleven cellen en is cel-
cel communicatie mogelijk).
- Belangrijke eigenschap van KH (die ervoor zorgen dat hun vele functies mogelijke worden):
enorme structurele diversiteit mogelijk. We kunnen heel kleine tot heel grote KH hebben, hiermee
kunnen we polymeren van maken en heel veel verschillende structuren maken.
Vb: glycogeen: reserve stof van glucose in de spier. Glucose kunnen we makkelijk gaan
polymeriseren en glycogeen is de reservetoestand voor in de spier en lever. Door er een grote
molecule van te maken à minder last van de osmotische druk. Als we losse glucose moleculen
wouden stappelen dan moesten we nog meer water stapelen als reserve. Het osmotisch effect is
veel minder bij polymeren.
, Monosacchariden
= eenvoudigste koolhydraten
= bevatten een koolstof met daar op water
Brutoformule: (CH2O)n
à altijd combinatie met koolstof, water en zuurstof
à zijn dus al een stukje geöxideerd omdat ze al in meer of minder mate een zuurstof dragen
EXAMEN: Keton en aldehyde kunnen herkennen:
- C=O (niet eindstandig, beide kanten nog een C): keton
- C=O (met H): aldehyde
Een ketose is een monosaccharide die één ketongroep per molecuul bevat. De eenvoudigste
ketose is dihydroxyaceton, dat slechts drie koolstofatomen heeft en het is de enige zonder
optische activiteit.
De kleinste monosacchariden, samengesteld uit drie koolstofatomen, zijn:
- Dihydroxyaceton (ketose)
- D- en L-glyceraldehyde (aldehyde)
Ze worden trio's genoemd.
Evenzo worden eenvoudige monosacchariden met vier, vijf, zes en zeven koolstofatomen
respectievelijk tetroses, pentosen, hexoses en heptoses genoemd.
à C-atomen tellen
Dihydroxyaceton en glyceraldehyde komen we tegen in de anërobe glycolyse.
Dihydroxyaceton=
- keton + koolhydraat
- dubbele binding in het midden + OH op begin en einde
Veelvoorkomende monosaccharides:
(Namen en structuren niet kunnen tekenen)
- CHO of C=O met H à aldehyden
- R-C=O-R’ à keton
Ribose en deoxyribose komen we tegen in ons DNA en RNA,
in ons nucleotide of polynucleotiden.
Fructose:
- is een ketose wanneer het op het tweede koolstofatoom
- is een aldose wanneer de C=O eindstandig is
Fructose veel gebruikt in voedingsindustrie. Het is even syntetisch als de glucose in onze
voedingsstoffen, maar is minder gezond dan glucose omdat fructose bepaalde
reguleringsmechanismen kunnen omzeilen.