Menselijke fysiologie
Herhaling vorige les (3):
– arteriën kunnen uitzetten en terug normale vorm aannemen
– microcirculatie : 3 kleinere
– venen bevatten kleppen → stroming gaat enkel in 1 richting
– Bloeddruk meten : Korotkoffgeluid bij abnormale doorstroming
Systolische druk : bij geluid
Diastolische druk : zonder geluid
– Baroreceptoren die bloeddrukveranderingen meten, hoe ?
→ verhoogde rek op bloedvaten : meer signalen naar controle cardiovasculair centrum
Venen doen vasodilatatie → herverdeling bloedvolume : meer bloed in venen, minder bloed aan arteriële kant
+ minder druk aan arteriële kant
– Hydrostatische druk : druk die vloeistof uitoefend op zijn wanden
→ filtratie
– Osmotische druk : bepaald door concentratie proteïnen in bloed (water wordt aangetrokken)
– Eudeum : osmotische druk verlaagt = minder proteïnen in bloed → veel minder vocht wordt aangetrokken
Filtratie : vocht gaat uit de bloedbaan
Absorptie : vocht aangetrokken in bloedbaan
BLOED (Ch 16)
Functie bloed :
– circulerend deel van CVS
– transport (van veel substanties/stoffen zoals gassen (O2, CO2)
– beschermen/bufferen (WBC tegen pathogene substanties/indringers)
– zorgt voor thermoregulatie (warmtehuishouding dmv )
– 7% lichaamsgewicht (+- 5L)
→ 3L plasma (vloeibare gedeelte)
→ 2L cellen
➢ Bloedplasma en de cellulaire elementen van bloed
1. Bloedplasma
– water (92%)
– ionen
– organische molecules
(eiwitten/prot 7%)
– spoorelementen
– gassen
Plasmaproteïnen
Belangrijkste functie : osmotische druk creëren
, Andere functies :
– Fibrinogeen : bloedstolling (gemaakt thv de lever)
– Globulines : belangrijk in immuunrespons + transport stoffen (gemaakt thv de lever,
lymphesysteem)
– Albumines : transport andere molecules in bloed (gemaakt thv de lever)
– Transferine : transport van ijzer
• Albumine
– Meest voorkomend (+- 60%)
– Vooral als transporter (ionen, hormonen.. )
• Globulines
– Verschillende soorten/types en grootte (weten dat er zijn, maar niet allemaal vanbuiten kennen
vb : alpha 1&2, gamma..)
– Gammaglobulines = immunoglobulines of antilichamen
– Immunoglobulines (memorycells) :
→ identificeren en neutraliseren bacteriën en virussen
→ antilichaam herkent een antigen
→ uiteinde elk antilichaam is specifiek voor antigen (key-lock principle)
leerstof immunologie !!
Verschillende soorten : IgA, IgD, IgE, IgG, IgM
– IgG : belangrijk in secundaire immuunrespons
– IgE : komt vooral voor in GI systeem
Herhaling vorige les (3):
– arteriën kunnen uitzetten en terug normale vorm aannemen
– microcirculatie : 3 kleinere
– venen bevatten kleppen → stroming gaat enkel in 1 richting
– Bloeddruk meten : Korotkoffgeluid bij abnormale doorstroming
Systolische druk : bij geluid
Diastolische druk : zonder geluid
– Baroreceptoren die bloeddrukveranderingen meten, hoe ?
→ verhoogde rek op bloedvaten : meer signalen naar controle cardiovasculair centrum
Venen doen vasodilatatie → herverdeling bloedvolume : meer bloed in venen, minder bloed aan arteriële kant
+ minder druk aan arteriële kant
– Hydrostatische druk : druk die vloeistof uitoefend op zijn wanden
→ filtratie
– Osmotische druk : bepaald door concentratie proteïnen in bloed (water wordt aangetrokken)
– Eudeum : osmotische druk verlaagt = minder proteïnen in bloed → veel minder vocht wordt aangetrokken
Filtratie : vocht gaat uit de bloedbaan
Absorptie : vocht aangetrokken in bloedbaan
BLOED (Ch 16)
Functie bloed :
– circulerend deel van CVS
– transport (van veel substanties/stoffen zoals gassen (O2, CO2)
– beschermen/bufferen (WBC tegen pathogene substanties/indringers)
– zorgt voor thermoregulatie (warmtehuishouding dmv )
– 7% lichaamsgewicht (+- 5L)
→ 3L plasma (vloeibare gedeelte)
→ 2L cellen
➢ Bloedplasma en de cellulaire elementen van bloed
1. Bloedplasma
– water (92%)
– ionen
– organische molecules
(eiwitten/prot 7%)
– spoorelementen
– gassen
Plasmaproteïnen
Belangrijkste functie : osmotische druk creëren
, Andere functies :
– Fibrinogeen : bloedstolling (gemaakt thv de lever)
– Globulines : belangrijk in immuunrespons + transport stoffen (gemaakt thv de lever,
lymphesysteem)
– Albumines : transport andere molecules in bloed (gemaakt thv de lever)
– Transferine : transport van ijzer
• Albumine
– Meest voorkomend (+- 60%)
– Vooral als transporter (ionen, hormonen.. )
• Globulines
– Verschillende soorten/types en grootte (weten dat er zijn, maar niet allemaal vanbuiten kennen
vb : alpha 1&2, gamma..)
– Gammaglobulines = immunoglobulines of antilichamen
– Immunoglobulines (memorycells) :
→ identificeren en neutraliseren bacteriën en virussen
→ antilichaam herkent een antigen
→ uiteinde elk antilichaam is specifiek voor antigen (key-lock principle)
leerstof immunologie !!
Verschillende soorten : IgA, IgD, IgE, IgG, IgM
– IgG : belangrijk in secundaire immuunrespons
– IgE : komt vooral voor in GI systeem