Menselijke fysiologie
RESPIRATOIR SYSTEEM / ADEMHALING (Ch 17)
Herhaling vorige les :
Damaged blood vessel :
1. Bloeddruk in bloedvat gaat dalen
2. Bloedprop thv verwonding zodat bloed niet uit systeem kan gaan
3. Bloedstollen / coagulatie
4. Bloedvat herstellen
Bloedklonter moet op goede manier afgebroken worden.
→ lokale vasoconstrictie
ZIE SCHEMA'S :
– beschadiging van het bloedvat
– zorgen voor vasoconstrictie (vernauwen bloedvat → minder bloed komt er door)
veel stoffen kunnen vasoconstrictie(/dilatatie) zorgen
– collageen dat blootgesteld wordt, bloedplaatjes gaan daaraan binden aan collageen
Factor dat ervoor zorgt dat bloedplaatjes thv de verwonding binden
– bloedplaatjes gaan stoffen afgeven (bloedplaatjes activerende factor → meer bloedplaatjes
aantrekken)
– extra bloedplaatjes worden aangetrokken → vulling van opening met bloedplaatjes
– coagulatie door zowel weefelfactor als collageen
– coagulatiecascade : veroorzaak door 2 pathways (intrinsiek en extrinsiek)
Extrinsiek : blootstelling aan weefselfactor
→ factor 3 (weefselfactor) activeert factor 7 → factor 3en7 activeren factor 9
Intrinsiek : blootstelling aan collageen
→ verschillende (innactieve) proteïnen/eiwitten worden geactiveerd (in stappen gebeuren) stof A
activeert stof B, stof B activeert stof C...
Factor 12 wordt geactiveerd → activeert factor 11 → activeert factor 9
Factor 9 (via factor 8) factor 10 activeren → actieve factor 10 zorgt ervoor dat prothrombine wordt
geactiveerd → trombine wordt geactiveert → trombine zal factor 1 fibrinogeen activeren → fibrine
→ fibrine zal verstevigd worden door factor 13 en vormt uiteindelijk de basis van onze bloedprop
– voorlopige bloedprop (bloed kan niet meer ontsnappen)
– resultante coagulatiecascade : thrombine zorgt ervoor dat fibrinogeen omgevormd wordt in fibrine
– bloedprop wordt sterker
– bloedvat wordt herstelt (plasmine zorgt voor dissoltie van fibrine) → nieuwe bloedvatwand
Hemostase = toestand van bijhouden van bloed
Coagulatie = bloedstolling
Fibrinogeen wordt door trombine naar fibrine omgevormd
….
Plasmine gaat fibrine afbreken
,Anticoagulanten
thrombus : bloedklonter die aanhecht aan bloedvatwand
→ verstoring bloed vat
Thrombus kan loskomen en verder in bloedstroom komen.
Anti-coagulanten kunnen bloedstolling voorkomen.
Vb : hartaanval, coronaire bloedvat is geblokkeerd
→ fibrinolytische drugs/medicatie → ter plaatse zorgen voor afbreken van fibrine
→
Hemofilie = problemen met bloedstolling
Circulatiesysteem :
• Cardivasculaire systeem
◦ hart in de voornaamste pomp
◦ bloed voor transport
◦ systematische
• Lymfatische syteem
◦ overschot in lymfatisch systeem gefilterd worden en terug in circulatie terugkomen
Het cardiovasculair systeem :
– longcirculatie
– lichaamscirculatie
Verschil tussen beiden : lengte systeem
Lente systeem, viscositeit,
Meer lengte = meer weerstand tegenkomen
Hoofdstuk 17 : werking van respiratoir systeem
Functies respiratoir systeem :
– ademen / gasuitwisseling tussen atmosfeer en bloed
– uitademen : CO2 (zuur) zorgt voor iets minder zuur worden van bloed, regulatie pH
– bescherming (want we ademen veel bacteriën en virussen in)
– stemgeluid
– verlies van water en warmte (redelijk beperkt, vb : door uitademing)
Zeer grote opp (75m2) om gas uit te wisselen in ons lichaam.
Bulk flow : lucht beweegt in grote hoeveelheden
Overeenkomsten men CVS :
– drukgradiënt nodig voor beweging van lucht (van hoog naar lage druk)
– musculaire pomp (grootste deel diafragma) creert drukverschil
– weerstand : hoe gaan we die creëeren ?
– diameter
– compliance (hoe minder compliance, hoe minder de longen uitrekbaar zijn, moeilijker om te
ademen)
Bronchodilatatie : bronchiolen uitzetten
Bronchoconstrictie : bronchiolen vernauwen
, 2 soorten ademhalingen :
1. Cellulaire ademhaling
→ gebeurt in cellen thv mitochondria, reactie van O2 ter vorming van CO2, water en energie (ATP)
2. Externe respiratie
→ in contact met de buitenwereld
Verschillende fases :
– uitwisseling atmosfeer – longen : ademhaling
(in- en expiratie, O2 komt binnen, CO2 gaat naar buiten)
– uitwisseling gassen (O2-CO2) longen – bloed
(CO2 wordt afgegeven 02 wordt opgenomen )
– transport gassen in bloed
– uitwisseling gassen uit bloed naar weefsels
(in weefsels cellulaire respiratie, O2 wordt afgegeven en
CO2 opgenomen in bloed )
Onderdelen van respiratoir systeem :
→ Bovenste respiratoir systeem
→ Onderste respiratoir systeem
– geleidingssysteem of luchtwegen
– longen (met alveoli)
– botten en spieren in thorax en buikholte om ademhaling te controleren
Bovenste respiratoir systeem Onderste respiratoir systeem
neusholte trachea (= luchtpijp)
mondholte (+ tong) li / re bronchus (2 bronchi) (+ 23 vertakkingen)
pharynx li / re long
larynx (= het strottenhoofd) met stembanden diafragma
oesophagus (= slokdarm)
RESPIRATOIR SYSTEEM / ADEMHALING (Ch 17)
Herhaling vorige les :
Damaged blood vessel :
1. Bloeddruk in bloedvat gaat dalen
2. Bloedprop thv verwonding zodat bloed niet uit systeem kan gaan
3. Bloedstollen / coagulatie
4. Bloedvat herstellen
Bloedklonter moet op goede manier afgebroken worden.
→ lokale vasoconstrictie
ZIE SCHEMA'S :
– beschadiging van het bloedvat
– zorgen voor vasoconstrictie (vernauwen bloedvat → minder bloed komt er door)
veel stoffen kunnen vasoconstrictie(/dilatatie) zorgen
– collageen dat blootgesteld wordt, bloedplaatjes gaan daaraan binden aan collageen
Factor dat ervoor zorgt dat bloedplaatjes thv de verwonding binden
– bloedplaatjes gaan stoffen afgeven (bloedplaatjes activerende factor → meer bloedplaatjes
aantrekken)
– extra bloedplaatjes worden aangetrokken → vulling van opening met bloedplaatjes
– coagulatie door zowel weefelfactor als collageen
– coagulatiecascade : veroorzaak door 2 pathways (intrinsiek en extrinsiek)
Extrinsiek : blootstelling aan weefselfactor
→ factor 3 (weefselfactor) activeert factor 7 → factor 3en7 activeren factor 9
Intrinsiek : blootstelling aan collageen
→ verschillende (innactieve) proteïnen/eiwitten worden geactiveerd (in stappen gebeuren) stof A
activeert stof B, stof B activeert stof C...
Factor 12 wordt geactiveerd → activeert factor 11 → activeert factor 9
Factor 9 (via factor 8) factor 10 activeren → actieve factor 10 zorgt ervoor dat prothrombine wordt
geactiveerd → trombine wordt geactiveert → trombine zal factor 1 fibrinogeen activeren → fibrine
→ fibrine zal verstevigd worden door factor 13 en vormt uiteindelijk de basis van onze bloedprop
– voorlopige bloedprop (bloed kan niet meer ontsnappen)
– resultante coagulatiecascade : thrombine zorgt ervoor dat fibrinogeen omgevormd wordt in fibrine
– bloedprop wordt sterker
– bloedvat wordt herstelt (plasmine zorgt voor dissoltie van fibrine) → nieuwe bloedvatwand
Hemostase = toestand van bijhouden van bloed
Coagulatie = bloedstolling
Fibrinogeen wordt door trombine naar fibrine omgevormd
….
Plasmine gaat fibrine afbreken
,Anticoagulanten
thrombus : bloedklonter die aanhecht aan bloedvatwand
→ verstoring bloed vat
Thrombus kan loskomen en verder in bloedstroom komen.
Anti-coagulanten kunnen bloedstolling voorkomen.
Vb : hartaanval, coronaire bloedvat is geblokkeerd
→ fibrinolytische drugs/medicatie → ter plaatse zorgen voor afbreken van fibrine
→
Hemofilie = problemen met bloedstolling
Circulatiesysteem :
• Cardivasculaire systeem
◦ hart in de voornaamste pomp
◦ bloed voor transport
◦ systematische
• Lymfatische syteem
◦ overschot in lymfatisch systeem gefilterd worden en terug in circulatie terugkomen
Het cardiovasculair systeem :
– longcirculatie
– lichaamscirculatie
Verschil tussen beiden : lengte systeem
Lente systeem, viscositeit,
Meer lengte = meer weerstand tegenkomen
Hoofdstuk 17 : werking van respiratoir systeem
Functies respiratoir systeem :
– ademen / gasuitwisseling tussen atmosfeer en bloed
– uitademen : CO2 (zuur) zorgt voor iets minder zuur worden van bloed, regulatie pH
– bescherming (want we ademen veel bacteriën en virussen in)
– stemgeluid
– verlies van water en warmte (redelijk beperkt, vb : door uitademing)
Zeer grote opp (75m2) om gas uit te wisselen in ons lichaam.
Bulk flow : lucht beweegt in grote hoeveelheden
Overeenkomsten men CVS :
– drukgradiënt nodig voor beweging van lucht (van hoog naar lage druk)
– musculaire pomp (grootste deel diafragma) creert drukverschil
– weerstand : hoe gaan we die creëeren ?
– diameter
– compliance (hoe minder compliance, hoe minder de longen uitrekbaar zijn, moeilijker om te
ademen)
Bronchodilatatie : bronchiolen uitzetten
Bronchoconstrictie : bronchiolen vernauwen
, 2 soorten ademhalingen :
1. Cellulaire ademhaling
→ gebeurt in cellen thv mitochondria, reactie van O2 ter vorming van CO2, water en energie (ATP)
2. Externe respiratie
→ in contact met de buitenwereld
Verschillende fases :
– uitwisseling atmosfeer – longen : ademhaling
(in- en expiratie, O2 komt binnen, CO2 gaat naar buiten)
– uitwisseling gassen (O2-CO2) longen – bloed
(CO2 wordt afgegeven 02 wordt opgenomen )
– transport gassen in bloed
– uitwisseling gassen uit bloed naar weefsels
(in weefsels cellulaire respiratie, O2 wordt afgegeven en
CO2 opgenomen in bloed )
Onderdelen van respiratoir systeem :
→ Bovenste respiratoir systeem
→ Onderste respiratoir systeem
– geleidingssysteem of luchtwegen
– longen (met alveoli)
– botten en spieren in thorax en buikholte om ademhaling te controleren
Bovenste respiratoir systeem Onderste respiratoir systeem
neusholte trachea (= luchtpijp)
mondholte (+ tong) li / re bronchus (2 bronchi) (+ 23 vertakkingen)
pharynx li / re long
larynx (= het strottenhoofd) met stembanden diafragma
oesophagus (= slokdarm)