Menselijke fysiologie
Bart Roelands
INLEIDING (les 1)
Fysiologie = bestuderen van menselijk lichaam of menselijk functioneren.
Capillairen = bloedhaarvaten (kleinste bloedvaten, hier gebeurt de stofuitwisseling)
Verschillende systemen van de menselijke fysiologie :
– integumentair systeem (huid, haar, nagels..)
– respiratoir systeem
– cardiovasculair/circulatoir systeem
– gastro-intestinaal systeem
– immuunsysteem
– voortplantingssysteem
– musculoskeletaal systeem
– endocrien systeem (hormonen)
– urinair systeem
– nerveus systeem
CARDIOVASCULAIR SYSTEEM/FYSIOLOGIE
= hart + bloedvaten + bloed
Waarom dit systeem ?
→ 'materiaal' te transporteren in het lichaam.
Komt in het lichaam binnen : 02, voeding/nutriënten, water
Vervoer in het lichaam : 02 en CO2, water, nutriënten, afvalstoffen..
Verlaat het lichaam : CO2, warmte..
Het hart
2 systemen : links en rechts (gescheiden door septum)
+ 2 kleppen aan elke kant (thv atrium en ventrikel)
+ een klep die atrium en ventrikel scheidt (valvula)
= 4 delen met 6 kleppen
Naar hart : venen (blauw, O2 arm, CO2 rijk)
Van hart : arteriën (rood, O2 rijk, CO2 arm)
thv capillairen : uitwisseling !
→ 2 circulatiesystemen waar het bloed in 1 richting stroomt (dankzij kleppen).
– kleine circulatie of longcirculatie : rechter atrium met O2-arm
bloed naar longen en met 02-rijk bloed naar linkerkant hart
(van hart naar longen en terug naar hart)
– grote circulatie of systemische circulatie : vertrekkend van aorta
(linkerkant hart) naar rest van het lichaam
+ coronaire bloedvaten (klein appart systeem) : voorzien
het hart van nodige nutriënten en O2
Plaats van stofuitwisseling : capillairen
Hier gaat bloed van O2 rij naar O2 arm.
Hydrostatische druk = druk van vloeistof op wanden.
, In CVS staat het bloed niet stil → hoe verder het bloed van
de 'pomp' (= hart), hoe kleiner de druk.
Thv :
– aorta (linker atrium) : grootste druk
– vena cava (rechter atrium) : kleinste druk
P wordt veroorzaakt door het pompen van het hart.
Diastolische druk = onderdruk
Systolische druk = bovendruk
Gemiddelde arteriële druk = volume bloed dat per minuut stroomt (afhankelijk van weerstand).
Aorta → arteriën → arteriolen → capilairen → venulen → venen → venae cava
Drukverlies door wrijving, lengte systeem en viscositeit bloed.
Hoe hoger de weerstand, hoe moeilijker iets weg gaat 'vloeien', hoe kleiner de druk.
Bloedvaten kunnen :
– (vaso)dilatatie (uitzetten) : bloeddruk daalt, want meer ruimte
Vb : bij inspanning of warmte
– (vaso)constrictie (vernauwen) : bloeddruk stijgt, want minder ruimte
Vb : bij koude
Warmte verlies : door de verdamping van zweetdruppels.
Drukverschil/drukgradiënt nodig om ons bloed te laten stromen !
Bloed stroom van plaats met hoge druk naar plaats met lage druk.
Hoe groter het drukverschil, hoe sneller het bloed zal stromen.
Geen drukverschil = geen stroom
Weerstand : omgekeerd evenredig aan stroming → “Hoe meer weerstand, hoe minder stroming!”
Wet van Poisseuille
L : lengte systeem
→ weerstand berekenen.
→ hoe langer, hoe meer R
n : viscositeit(maatvoor vloeibaarheid bloed)
→ hoe hoger n, hoe hoger R
Hematocriet waarde (viscositeit bloed) r : diameter tube (totde 4de)
– gemiddelde waarde : 40% → hoe hoger diameter, hoe kleiner R
– abnormale waarde : 60 %
EPO → zorgt voor aanmaak rode bloedcellen
Conclusie :
Stroom is
– + gerelateerd met druk (hoe hoger druk, hoe groter stroom)
– omgekeerd gerelateerd met weerstand (R) (hoe hoger weerstand, hoe kleiner stroom)
Snelheid stoom (flow velocity) = hoeveelheid stroming (debiet of hoeveelheid water dat per s stroomt)
Weerstand : belangrijkste is diameter van bloedvaten (tot de 4de macht) → Hoe nauwer het bloedvat, hoe
hoger de snelheid van de stroming en hoe kleiner de weerstand.
Bart Roelands
INLEIDING (les 1)
Fysiologie = bestuderen van menselijk lichaam of menselijk functioneren.
Capillairen = bloedhaarvaten (kleinste bloedvaten, hier gebeurt de stofuitwisseling)
Verschillende systemen van de menselijke fysiologie :
– integumentair systeem (huid, haar, nagels..)
– respiratoir systeem
– cardiovasculair/circulatoir systeem
– gastro-intestinaal systeem
– immuunsysteem
– voortplantingssysteem
– musculoskeletaal systeem
– endocrien systeem (hormonen)
– urinair systeem
– nerveus systeem
CARDIOVASCULAIR SYSTEEM/FYSIOLOGIE
= hart + bloedvaten + bloed
Waarom dit systeem ?
→ 'materiaal' te transporteren in het lichaam.
Komt in het lichaam binnen : 02, voeding/nutriënten, water
Vervoer in het lichaam : 02 en CO2, water, nutriënten, afvalstoffen..
Verlaat het lichaam : CO2, warmte..
Het hart
2 systemen : links en rechts (gescheiden door septum)
+ 2 kleppen aan elke kant (thv atrium en ventrikel)
+ een klep die atrium en ventrikel scheidt (valvula)
= 4 delen met 6 kleppen
Naar hart : venen (blauw, O2 arm, CO2 rijk)
Van hart : arteriën (rood, O2 rijk, CO2 arm)
thv capillairen : uitwisseling !
→ 2 circulatiesystemen waar het bloed in 1 richting stroomt (dankzij kleppen).
– kleine circulatie of longcirculatie : rechter atrium met O2-arm
bloed naar longen en met 02-rijk bloed naar linkerkant hart
(van hart naar longen en terug naar hart)
– grote circulatie of systemische circulatie : vertrekkend van aorta
(linkerkant hart) naar rest van het lichaam
+ coronaire bloedvaten (klein appart systeem) : voorzien
het hart van nodige nutriënten en O2
Plaats van stofuitwisseling : capillairen
Hier gaat bloed van O2 rij naar O2 arm.
Hydrostatische druk = druk van vloeistof op wanden.
, In CVS staat het bloed niet stil → hoe verder het bloed van
de 'pomp' (= hart), hoe kleiner de druk.
Thv :
– aorta (linker atrium) : grootste druk
– vena cava (rechter atrium) : kleinste druk
P wordt veroorzaakt door het pompen van het hart.
Diastolische druk = onderdruk
Systolische druk = bovendruk
Gemiddelde arteriële druk = volume bloed dat per minuut stroomt (afhankelijk van weerstand).
Aorta → arteriën → arteriolen → capilairen → venulen → venen → venae cava
Drukverlies door wrijving, lengte systeem en viscositeit bloed.
Hoe hoger de weerstand, hoe moeilijker iets weg gaat 'vloeien', hoe kleiner de druk.
Bloedvaten kunnen :
– (vaso)dilatatie (uitzetten) : bloeddruk daalt, want meer ruimte
Vb : bij inspanning of warmte
– (vaso)constrictie (vernauwen) : bloeddruk stijgt, want minder ruimte
Vb : bij koude
Warmte verlies : door de verdamping van zweetdruppels.
Drukverschil/drukgradiënt nodig om ons bloed te laten stromen !
Bloed stroom van plaats met hoge druk naar plaats met lage druk.
Hoe groter het drukverschil, hoe sneller het bloed zal stromen.
Geen drukverschil = geen stroom
Weerstand : omgekeerd evenredig aan stroming → “Hoe meer weerstand, hoe minder stroming!”
Wet van Poisseuille
L : lengte systeem
→ weerstand berekenen.
→ hoe langer, hoe meer R
n : viscositeit(maatvoor vloeibaarheid bloed)
→ hoe hoger n, hoe hoger R
Hematocriet waarde (viscositeit bloed) r : diameter tube (totde 4de)
– gemiddelde waarde : 40% → hoe hoger diameter, hoe kleiner R
– abnormale waarde : 60 %
EPO → zorgt voor aanmaak rode bloedcellen
Conclusie :
Stroom is
– + gerelateerd met druk (hoe hoger druk, hoe groter stroom)
– omgekeerd gerelateerd met weerstand (R) (hoe hoger weerstand, hoe kleiner stroom)
Snelheid stoom (flow velocity) = hoeveelheid stroming (debiet of hoeveelheid water dat per s stroomt)
Weerstand : belangrijkste is diameter van bloedvaten (tot de 4de macht) → Hoe nauwer het bloedvat, hoe
hoger de snelheid van de stroming en hoe kleiner de weerstand.