Jan De Hoon
DEEL 3: GENEESMIDDELEN VH CZS
1 FARMACOTHERAPIE VAN PIJN
Definitie
• Onaangename gewaarwording en emotionele beleving die geassocieerd is met of erg gelijkt
op bestaande of mogelijke weefselbeschadiging
Soorten pijn
1. Acute pijn: waarschuwingsfunctie
2. Chronische pijn:
o > 3 maanden
o Lichamelijk en psychisch lijden
o Multidisciplinair en multimodale aanpak
3. Nociceptieve pijn:
o Somatische pijn → ‘klassieke’ pijnstillers (NSAIDs)
o Viscerale pijn → spasmolytica (anticholinergica)
4. Neuropatische pijn: “zenuwpijn”/pathologische pijn → chronische pijn
5. Dysfunctionele pijn: “chronic widespread pain”
Indeling van analgetica
1. Niet-opioïde analgetica: NSAIDs (“perifeer” werkend/niet-sedatief)
2. Lokaal anesthetica
3. Opioïde analgetica (“centraal” werkend/sedatief)
4. Atypische analgetica: heterogene groep
a. Migraine
b. Jicht
c. Angor pectoris
d. Neuropatische pijn
e. …
, Jan De Hoon
NIET-OPIOIDE ANALGETICA
[Zie deel 5]
LOKAAL ANESTHETICUM
INLEIDING
• Onderbreken de transmissie van de pijnprikkel van perifeer naar centraal
• Oorsprong: coca-plantage Zuid-Amerika
• Cocaïne
o Als eerste gebruikt door Freud
o Van psychotropicum → cornea anesthesie: cocaïne-druppels/exctract (Köller)
o Ook gebruikt bij kindjes met tandpijn
STRUCTUUR
• Aromatische ring – basisstructuur amine
o Amines: zwakke basen (pKa 8-9)
o Gekoppeld via een ester/amide
• !! LA = zwakke basen !!
FARMACOKINETIEK
• Esters (meestal): hydrolyse door esterase
o In de circulatie → korte T1/2
o Inactieve metabolieten
• Amiden: hydrolyse door amidase
o In de lever → langere T1/2
o Actieve metabolieten
• Afwijkende structuur: benzocaïne
WERKING
• Na-kanaalblokkers: Na-kanalen blokkeren van gevoelszenuwen (nociceptieve
zenuwuiteinden)
• Hoe geraakt het in het kanaal?
o Hydrofiele pathway: LA (neutraal, ongeladen) over de lipidendubbellaag →
intracellulair LA kan geprotoneerd worden → geprotoneerde vorm kan in het Na-
kanaal kruipen (op voorwaarde dat kanaal open is = use-dependent)
o Hydrofobe pathway: LA (neutraal, ongeladen) diffundeert doorheen
lipidendubbellaag → in het Na-kanaal kruipen (ongeacht open of toe = niet use-
dependent)
• Tekening toledo: LA zijn zwakke basen
o Om te kunnen werken, moeten ze neutraal & ongeladen zijn
o pH = 7 → pKa – pH = … → 8-7 = 1 → 10x meer geprotoneerde deeltjes dan
ongeprotoneerde deeltjes
o Welk LA geraakt het gemakkelijkst over membraan? pK = 8 of pK = 9
▪ pK = 8 want 9-7 = 2 → 100x geprotoneerd > ongeprotoneerd
o Hoe zuurder het milieu wordt, hoe slechter het LA gaat werken → base wordt meer
geprotoneerd en dus meer geladen → minder goed over het membraan
o Als je LA repetitief toedient, gaat het weefsel verzuren → ionisatiegraad LA neemt
toe + werking La neemt af
, Jan De Hoon
WERKINGSDUUR
• Weefseldoorbloeding (± adrenaline) → tekening toledo
• Weefsel pH
• Buffercapaciteit: HCl oplossing
• Hydrofoob karakter (vb bupivacaïne)
FARMACODYNAMIEK
• Lokaal anesthesie (gewenst):
o Oppervlakkig: mucosa, huid, …
o Infiltratie: tandarts, hechting, …
o Zenuwblok: plexus (e.g. plexus brachialis)
o Spinale anesthesie: CSV
o Epidurale anesthesie
• Systeemeffecten: LAST (Local Anesthetic Systemic Toxicity)
o Na i.v. injectie / overdosis: CZS en cardiovasculair
o Na spinaal / epiduraal: BD↓, AH↓, urineretentie
o Overgevoeligheid
o Vasoconstrictie (adrenaline; cave niet selectieve β-blokkers)
o ! afgeraden om LA toe te dienen in extremiteiten (ischemie voorkomen)
DEEL 3: GENEESMIDDELEN VH CZS
1 FARMACOTHERAPIE VAN PIJN
Definitie
• Onaangename gewaarwording en emotionele beleving die geassocieerd is met of erg gelijkt
op bestaande of mogelijke weefselbeschadiging
Soorten pijn
1. Acute pijn: waarschuwingsfunctie
2. Chronische pijn:
o > 3 maanden
o Lichamelijk en psychisch lijden
o Multidisciplinair en multimodale aanpak
3. Nociceptieve pijn:
o Somatische pijn → ‘klassieke’ pijnstillers (NSAIDs)
o Viscerale pijn → spasmolytica (anticholinergica)
4. Neuropatische pijn: “zenuwpijn”/pathologische pijn → chronische pijn
5. Dysfunctionele pijn: “chronic widespread pain”
Indeling van analgetica
1. Niet-opioïde analgetica: NSAIDs (“perifeer” werkend/niet-sedatief)
2. Lokaal anesthetica
3. Opioïde analgetica (“centraal” werkend/sedatief)
4. Atypische analgetica: heterogene groep
a. Migraine
b. Jicht
c. Angor pectoris
d. Neuropatische pijn
e. …
, Jan De Hoon
NIET-OPIOIDE ANALGETICA
[Zie deel 5]
LOKAAL ANESTHETICUM
INLEIDING
• Onderbreken de transmissie van de pijnprikkel van perifeer naar centraal
• Oorsprong: coca-plantage Zuid-Amerika
• Cocaïne
o Als eerste gebruikt door Freud
o Van psychotropicum → cornea anesthesie: cocaïne-druppels/exctract (Köller)
o Ook gebruikt bij kindjes met tandpijn
STRUCTUUR
• Aromatische ring – basisstructuur amine
o Amines: zwakke basen (pKa 8-9)
o Gekoppeld via een ester/amide
• !! LA = zwakke basen !!
FARMACOKINETIEK
• Esters (meestal): hydrolyse door esterase
o In de circulatie → korte T1/2
o Inactieve metabolieten
• Amiden: hydrolyse door amidase
o In de lever → langere T1/2
o Actieve metabolieten
• Afwijkende structuur: benzocaïne
WERKING
• Na-kanaalblokkers: Na-kanalen blokkeren van gevoelszenuwen (nociceptieve
zenuwuiteinden)
• Hoe geraakt het in het kanaal?
o Hydrofiele pathway: LA (neutraal, ongeladen) over de lipidendubbellaag →
intracellulair LA kan geprotoneerd worden → geprotoneerde vorm kan in het Na-
kanaal kruipen (op voorwaarde dat kanaal open is = use-dependent)
o Hydrofobe pathway: LA (neutraal, ongeladen) diffundeert doorheen
lipidendubbellaag → in het Na-kanaal kruipen (ongeacht open of toe = niet use-
dependent)
• Tekening toledo: LA zijn zwakke basen
o Om te kunnen werken, moeten ze neutraal & ongeladen zijn
o pH = 7 → pKa – pH = … → 8-7 = 1 → 10x meer geprotoneerde deeltjes dan
ongeprotoneerde deeltjes
o Welk LA geraakt het gemakkelijkst over membraan? pK = 8 of pK = 9
▪ pK = 8 want 9-7 = 2 → 100x geprotoneerd > ongeprotoneerd
o Hoe zuurder het milieu wordt, hoe slechter het LA gaat werken → base wordt meer
geprotoneerd en dus meer geladen → minder goed over het membraan
o Als je LA repetitief toedient, gaat het weefsel verzuren → ionisatiegraad LA neemt
toe + werking La neemt af
, Jan De Hoon
WERKINGSDUUR
• Weefseldoorbloeding (± adrenaline) → tekening toledo
• Weefsel pH
• Buffercapaciteit: HCl oplossing
• Hydrofoob karakter (vb bupivacaïne)
FARMACODYNAMIEK
• Lokaal anesthesie (gewenst):
o Oppervlakkig: mucosa, huid, …
o Infiltratie: tandarts, hechting, …
o Zenuwblok: plexus (e.g. plexus brachialis)
o Spinale anesthesie: CSV
o Epidurale anesthesie
• Systeemeffecten: LAST (Local Anesthetic Systemic Toxicity)
o Na i.v. injectie / overdosis: CZS en cardiovasculair
o Na spinaal / epiduraal: BD↓, AH↓, urineretentie
o Overgevoeligheid
o Vasoconstrictie (adrenaline; cave niet selectieve β-blokkers)
o ! afgeraden om LA toe te dienen in extremiteiten (ischemie voorkomen)