Dijk/Van der Ploeg
Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (zesde druk)
In de samenvatting is, volgens de volgorde van de opgegeven stof, te vinden:
- Hoofdstuk 2: §2.1 t/m 2.5.2
- Hoofdstuk 3: § 3.1 t/m 3.6.5 en 3.10
- Hoofdstuk 4: § 4.1 t/m 4.4.2
- Hoofdstuk 5: §5.1 t/m 5.3
- Hoofdstuk 7: § 7.1
- Hoofdstuk 8: § 8.1 t/m 8.2.4 en 8.4 t/m 8.4.3
- Hoofdstuk 10: §10.1 t/m § 10.2.2, 10.2.4 t/m 10.3.3
- Hoofdstuk 12
- Hoofdstuk 14
- Hoofdstuk 6: § 6.1 t/m 6.4.5, 6.6 t/m 6.6.6, 6.8 t/m 6.8.1 en 6.8.3
- Hoofdstuk 8: § 8.5 t/m 8.5.1.b, 8.5.3 t/m 8.5.3.d en 8.6 t/m 8.6.1
- Hoofdstuk 5: § 5.4 t/m 5.7.2
- Hoofdstuk 7: § 7.2 t/m 7.4
- Hoofdstuk 9
,Hoofdstuk 2
Wettelijke kenmerken van vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij
en stichting
§ 2.1 De betekenis van formele en materiële kenmerken, algemeen
Tot welke soort rechtspersoon een organisatie behoort, hangt in eerste instantie af van de
vorm waarin deze is opgericht. In de wettelijke omschrijving van de desbetreffende
rechtspersoon zijn de materiële kenmerken betreffende doel en organisatie (en bij nv en bv
betreffende kapitaal) opgenomen. De materiële kenmerken zijn vooral juridische kenmerken
en in beperkte mate feitelijke kenmerken. Daardoor is er praktisch gesproken nog steeds een
grote keuzevrijheid betreffende rechtspersoonsvormen voor maatschappelijke organisaties.
§ 2.2 Doelstelling van de vereniging en de stichting
§ 2.2.1 Het doel van de vereniging
Betreffende de doelstelling van de vereniging heeft de wetgever slechts twee beperkingen
gegeven:
- Ten eerste mag de vereniging volgens art. 2:26 lid 1 geen coöperatief doel hebben of
een verzekeringsbedrijf uitoefenen waarin zij verzekeringsovereenkomsten sluit met
haar leden.
- Ten tweede mag de vereniging blijkens art. 2:26 lid 3 BW ‘geen winst verdelen onder
haar leden’. Hierin ligt het verschil met de vennootschap, die immers gericht is op het
behalen van winst ter verdeling onder de deelnemers. Het verlagen van contributie of
het verlenen van diensten voor een niet-marktconforme prijs vallen als zodanig niet
onder het winstverbod.
De grens tussen de informele vereniging en de maatschap, die ook vormloos is, is
problematisch. In de praktijk blijkt dat het criterium of de samenwerking al dan niet is gericht
is op het behalen van materieel voordeel voor de deelnemers niet altijd scherp te hanteren is.
- Volgens de auteurs van het boek is er sprake van een maatschap wanneer alle
deelnemers iets inbrengen teneinde daarmee winst te behalen ter verdeling onder de
leden. Is dit niet het geval, dan is er sprake hetzij van een onbenoemd contract hetzij
van een (informele) vereniging – aangenomen dat er een algemene ledenvergadering is
– die eventueel vanwege de winstverdeling ontbindbaar is.
- Voor de vereniging is er geen verbod om een commercieel doel na te streven; alleen
de kring van degenen aan wie de winst kan worden uitgekeerd, dient zich te bevinden
buiten de leden, oprichters, bestuursleden en commissarissen.
- De aard van de uitkering aan anderen dan bij de vereniging betrokkenen wordt niet
beperkt. Uitkeringen met een ideële of sociale strekking kan de vereniging op grond
van haar statuten niet alleen aan derden maar ook aan haar leden doen.
§ 2.2.2 Het doel van de stichting
De wet geeft slechts beperkingen aan. Art. 2:285 lid 3 BW formuleert dit als volgt:
‘Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan
hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen tenzij wat deze laatsten betreft
de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.
Uit lid 1 van art. 2:285 BW blijkt dat het verwezenlijken van het doel geschiedt met behulp
van het daartoe bestemde vermogen. Een stichting kan zonder vermogen worden opgericht.
,§ 2.2.2.a Het uitkeringsverbod
De wet formuleert het zogenaamde uitkeringsverbod als een verbod voor de stichting ten
aanzien van haar doel. Volgens de auteurs van het boek geldt dit verbod zowel voor de
statutaire doelstelling als het feitelijke doel zoals da blijkt uit de werkzaamheden. Dit brengt
mee dat contractuele arrangementen die aanspraak geven op een aandeel in een positief
resultaat van de stichting op gespannen voet staat met het uitkeringsverbod. Voor zover de
stichting ten doel heeft uitkeringen te doen, zijn deze uitkeringen beperkt tot het ideële,
sociale terrein.
§ 2.2.3 Algemene conclusies ten aanzien van het doel van vereniging en stichting
- Indien de vereniging of de stichting in strijd met het wettelijk verbod het doen van
uitkeringen statutair als doel opneemt of feitelijk verboden uitkeringen doet, kunnen
deze volgens de auteurs uit onverschuldigde betaling worden teruggevorderd. Het
betalen aan oprichters, bestuurders of anderen die de organen bemannen van door hen
gemaakte onkosten, of het aan hen vergoeden van ter beschikking gestelde tijd, mits
deze betalingen reëel zijn, buiten dit voorschrift valt.
- Een onderneming in de vorm van een stichting mag de gemaakte winst weer
investeren in de onderneming (bijvoorbeeld een ziekenhuis mag uit de winst wel de
aankoop van nieuwe apparatuur bekostigen).
- De stichting en de vereniging kunnen vrijwel dezelfde doelen nastreven. De
beperkingen die de wet geeft met betrekking tot de doelstelling zijn meer gericht op
het onderscheid tussen stichting en vereniging enerzijds en vennootschap en
coöperatie anderzijds.
§ 2.2.4 Collectieve acties
- De bepaling uit art. 3:305a BW geeft aan verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid en aan stichtingen het recht om een rechtsvordering in te stellen die
strekt tot bescherming van belangen van andere personen, die gelijksoortig zijn aan
haar eigen belangen, voor zover zij deze ingevolge haar statuten behartigt.
- Deze bepaling is deels een codificering van de in de rechtspraktijk en in bijzondere
wetgeving erkende bevoegdheid van deze rechtspersonen om acties in te stellen ter
bescherming van belangen die zijn volgens hun doelstelling en in feite beogen te
behartigen.
§ 2.2.5 De algemeen nut beogende instellingen
Een specifieke categorie verenigingen en stichtingen, die maatschappelijk heel herkenbaar is,
is de categorie goede doelinstellingen of instellingen ten algemene nutte. Veelal zijn er
specifieke regelingen voor gemaakt, teneinde de donaties en subsidies aan dit soort
instellingen te bevorderen en om de verwezenlijking van de door deze organisatie
nagestreefde – erkend maatschappelijk nuttige - doelen te bevorderen. Voor zover het
fondsenwervende instellingen betreft vindt dit toezicht (op vrijwillige basis) plaats door het
Centraal Bureau Fondsenwerving. Wettelijke regeling is te vinden in de ANBI-regeling.
§ 2.2.6 Onderscheid met kerkgenootschappen
Een vereniging of een stichting kan eenzelfde doelstelling hebben als een kerkgenootschap.
Een gangbare omschrijving van de doelstelling van een kerkgenootschap is ‘de
gemeenschappelijke godsverering van de aangeslotenen op de grondslag van
gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen’ Een op gemeenschappelijke religieuze
beleving gerichte organisatie is een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 BW wanneer zij
naar buiten als zodanig optreedt en niet de vorm heeft van een vereniging of stichting. Een
, vereniging of stichting die dezelfde doelstelling als een kerkgenootschap heeft, is – anders
dan een organisatie die als kerkgenootschap naar buiten optreedt – onderworpen aan de regels
van Boek 2 BW, ook voor wat betreft de interne organisatie.
§ 2.3 De organisatie van de vereniging en de stichting
§ 2.3.1 De organisatie van de vereniging
Wat betreft de organisatie van de vereniging is de wetgever in de omschrijving van art. 2:26
BW tamelijk vaag. Er moet sprake zijn van leden en er moeten regels zijn vastgesteld volgens
welke zij willen samenwerken. Uit de vorige bepalingen van Titel 2 blijkt dat er in ieder geval
een bestuur (art. 2:44 BW) en een algemene vergadering (art. 2:40 BW) moeten zijn, aan wie
de wet een aantal dwingende bevoegdheden toekent en dat de leden stemrecht hebben in die
algemene vergadering (art. 2:38 BW). Anders dan voor de andere rechtspersoonsvormen is er
voor het ontstaan van een gewone vereniging geen vormvereiste. Is er een organisatie die
onder de hierboven besproken ruime wettelijke omschrijving valt en die niet in een andere
rechtsvorm is gekleed, dan is er sprake van een vereniging, die van rechtswege rechtspersoon
is. Dit volgt uit art. 2:26 jo. 2:30 BW. Een reden om aan te nemen dat er geen sprake is van
een (informele) vereniging, kan zijn dat een samenwerkingsverband dat deze status claimt,
deel uitmaakt van een organisatie met rechtspersoonlijkheid, zodanig dat het bestaan als
zelfstandige rechtspersoon daarmee niet verenigbaar is (denk aan een afdeling of een filiaal).
§ 2.3.2 De organisatie van de stichting; het ledenverbod
De enige organisatorische eisen die de wet aan de stichting stelt, zijn dat zij geen leden kent
(art. 2:285 BW) maar dat zij wel een bestuur heeft zoals iedere rechtspersoon (art. 2:291 BW).
Bij de vereniging vormen de leden het draagvlak en hebben zij voornamelijk via de algemene
vergadering, belangrijke zeggenschap. Het gebruik van het woord leden in de statuten zonder
dat dit gepaard gaat met ongeoorloofde zeggenschapstoedeling betekent op zich geen
overtreding van het ledenverbod. Dat het ledenbegrip in art. 2:285 lid 1 BW meer is dan een
formeel begrip, blijkt uit lid 2, waarin wordt gesteld: ‘Indien de statuten een of meer personen
de bevoegdheid geven in de vervulling van ledige plaatsen in organen van de stichting te
voorzien, wordt zij niet uit dien hoofde aangemerkt leden te kennen’. In art. 2:285 wordt het
begrip leden in ieder geval mede in materiële zin gebruikt, namelijk personen aanduidend die
een betrekking met de rechtspersoon hebben waaraan bevoegdheden zijn verbonden.
De auteurs volgen de benadering van Duynstee voor wat betreft het ledenverbod. De
betekenis van het ledenverbod wordt hier gezocht in een verbod om een organisatiestructuur
te hebben die gelijk is aan de algemene vergadering van de vereniging. Door meer
bevoegdheden toe te kennen aan één stichtingsorgaan buiten het bestuur riskeert men
overtreding van het ledenverbod.
§ 2.3.3 De overheidsstichting
De stichting is een rechtspersoonsvorm waarvan door de overheid op allerlei wijzen gebruik
wordt gemaakt in het kader van de uitoefening van haar taken. De overheid richt zelf
stichtingen op, maar ook kan zij bestaande stichtingen inschakelen. Deze inschakeling gaat
veelal gepaard met subsidieverlening en met invloed van de overheid in de organisatie van de
stichting, bijvoorbeeld ten aanzien van het benoemen van bestuurders en statutenwijziging.
- Een overheidsstichting is in principe geheel onderworpen aan het regime van boek 2 BW;
- Voldoet deze stichting aan bepaalde kenmerken? Dan kan zij ook onder het bestuursrecht
vallen. Daarvoor kan hetzij bepalend zijn of de overheid overwegende invloed heeft op het
beheer van de stichting of dat de stichting met openbaar gezag is bekleed.