Oefentoets MKD
College 1
1. Hoe noem je de neiging om symptomen te interpreteren op basis
van de wijze waarop het is gepresenteerd?
a. Confirmation bias
b. Framing
c. Availability bias
d. Primacy effect
2. Match de hulpvraag met het juiste type vraagstelling:
1. Heeft mijn kind een angststoornis?
2. Waarom is dit aan de hand met mijn kind?
3. Is een intensieve leesbehandeling de juiste aanpak van dit
probleem?
4. Hoe kan ik de problemen van mijn kind verwoorden?
a. Een onderkennende vraagstelling
b. Een verhelderende vraagstelling
c. Een indicerende vraagstelling
d. Een verklarende vraagstelling
3. Noem de vier belangrijkste stappen van de probleemanalyse:
_____________________________________________________________
4. Welke ASEBA vragenlijst wordt ingevuld door de leraar om gedrag
van het kind op een systematische manier te meten in vergelijking
met een normgroep?
a. TRF
b. CBCL
c. YSR
d. WPPS
College 2
5. Bepaal van elke onderstaande onderzoekshypothese of die zwak of
sterk is.
I. Jozef luistert niet naar zijn ouders
II. Er is bij Jozef sprake van een zwakke inhibitie
III. Jozef heeft een beperkt inzicht in sociale situaties
IV. Jozef zijn sociale problemen worden veroorzaakt door een
benedengemiddelde intelligentie
V. Er is bij Jozef sprake van ADHD
6. Noem 3 voorbeelden van theoretische kaders die gebruikt kunnen
worden tijdens de verklarende analyse (Genoemd in college 2)
_________________________________________________________________
7. Wat houdt het begrip ‘’multifinaliteit’’ in?
, a. Multifinaliteit houdt in dat één bepaalde risicofactor kan leiden tot
verschillende ontwikkelingsuitkomsten
b. Multifinaliteit houdt in dat verschillende ontwikkelingspaden tot
dezelfde uitkomst kunnen leiden
c. Het juiste antwoord is hier niet genoemd
8. Wat is niet een mogelijke stap in de indicatieanalyse?
a. Nagaan of een interventie nodig is
b. Bepalen van het nut en de kans van slagen per geselecteerde
aanpak
c. Protectieve factoren samenvatten
d. Het selecteren van in aanmerking komende type interventie
College 3
9. G, centraal cognitief
3e stratum proces
Brede cognitieve
2e stratum vaardigheden
3e stratum
Welke tekst mist hier in het CHC model?
________________________________________
10. Wat valt niet onder fluïde intelligentie?
a. Niet-verbale conceptvorming en flexibiliteit
b. Oplossend vermogen zonder toegang tot feitelijke kennis
c. Abstract redeneren
d. Cultuurspecifieke kennis en vaardigheden
11. Stel je eens voor. Jij als diagnosticus wil een intelligentietest
afnemen bij Bas (6), Je weet al dat Bas een zwakke prestatie heeft
op school en de vraagstelling gaat om wat zijn intelligentieniveau en
vaardigheden zijn. Welke intelligentietest zou je kiezen?
a. WPPSI-III
b. WISC-III/WISC-V-NL
c. WAIS-IV ‘
12. Welke van deze uitspraken over intelligentie(testen) is waar?
a. De testscore op een intelligentieniveau is hetzelfde als het IQ
b. De WISC-III-NL is zo ingericht dat de test ook geschikt is voor
kinderen met gehoorschade
College 1
1. Hoe noem je de neiging om symptomen te interpreteren op basis
van de wijze waarop het is gepresenteerd?
a. Confirmation bias
b. Framing
c. Availability bias
d. Primacy effect
2. Match de hulpvraag met het juiste type vraagstelling:
1. Heeft mijn kind een angststoornis?
2. Waarom is dit aan de hand met mijn kind?
3. Is een intensieve leesbehandeling de juiste aanpak van dit
probleem?
4. Hoe kan ik de problemen van mijn kind verwoorden?
a. Een onderkennende vraagstelling
b. Een verhelderende vraagstelling
c. Een indicerende vraagstelling
d. Een verklarende vraagstelling
3. Noem de vier belangrijkste stappen van de probleemanalyse:
_____________________________________________________________
4. Welke ASEBA vragenlijst wordt ingevuld door de leraar om gedrag
van het kind op een systematische manier te meten in vergelijking
met een normgroep?
a. TRF
b. CBCL
c. YSR
d. WPPS
College 2
5. Bepaal van elke onderstaande onderzoekshypothese of die zwak of
sterk is.
I. Jozef luistert niet naar zijn ouders
II. Er is bij Jozef sprake van een zwakke inhibitie
III. Jozef heeft een beperkt inzicht in sociale situaties
IV. Jozef zijn sociale problemen worden veroorzaakt door een
benedengemiddelde intelligentie
V. Er is bij Jozef sprake van ADHD
6. Noem 3 voorbeelden van theoretische kaders die gebruikt kunnen
worden tijdens de verklarende analyse (Genoemd in college 2)
_________________________________________________________________
7. Wat houdt het begrip ‘’multifinaliteit’’ in?
, a. Multifinaliteit houdt in dat één bepaalde risicofactor kan leiden tot
verschillende ontwikkelingsuitkomsten
b. Multifinaliteit houdt in dat verschillende ontwikkelingspaden tot
dezelfde uitkomst kunnen leiden
c. Het juiste antwoord is hier niet genoemd
8. Wat is niet een mogelijke stap in de indicatieanalyse?
a. Nagaan of een interventie nodig is
b. Bepalen van het nut en de kans van slagen per geselecteerde
aanpak
c. Protectieve factoren samenvatten
d. Het selecteren van in aanmerking komende type interventie
College 3
9. G, centraal cognitief
3e stratum proces
Brede cognitieve
2e stratum vaardigheden
3e stratum
Welke tekst mist hier in het CHC model?
________________________________________
10. Wat valt niet onder fluïde intelligentie?
a. Niet-verbale conceptvorming en flexibiliteit
b. Oplossend vermogen zonder toegang tot feitelijke kennis
c. Abstract redeneren
d. Cultuurspecifieke kennis en vaardigheden
11. Stel je eens voor. Jij als diagnosticus wil een intelligentietest
afnemen bij Bas (6), Je weet al dat Bas een zwakke prestatie heeft
op school en de vraagstelling gaat om wat zijn intelligentieniveau en
vaardigheden zijn. Welke intelligentietest zou je kiezen?
a. WPPSI-III
b. WISC-III/WISC-V-NL
c. WAIS-IV ‘
12. Welke van deze uitspraken over intelligentie(testen) is waar?
a. De testscore op een intelligentieniveau is hetzelfde als het IQ
b. De WISC-III-NL is zo ingericht dat de test ook geschikt is voor
kinderen met gehoorschade