hoofdstuk 10: voortplanting
A) levensloop en voortplantingsstrategieën
1) seksuele voortplanting
- geslachtelijke voortplanting kost meer energie dan ongeslachtelijke
voortplanting
→ zoogdieren
- parthenogenese = maagdelijke voortplanting
→ amfibieën
→ reptielen (species triploid)
→ komt niet voor bij zoogdieren
- gynogenese = een vrouwelijk individu heeft een zaadcel nodig om haar eicel te
activeren maar de zaadcel neemt niet deel aan de bevruchting
- seksuele reproductie is de enige reproductieve strategie die voorkomt bij
ALLE vertebraten
→ combinatie van maternale en paternale allelen
→ de negatieve trend van een ongunstige mutatie kan omgedraaid worden
(niet bij aseksuele voortplanting)
2) levenslooptheorie
- life history strategy = voortplantingsstrategieën = levenscyclus strategieën
- r-type strategie = zo snel mogelijk reproduceren en hierbij een groot aantal
nakomelingen reproduceren
→ weinig broedzorg
→ kleinere dieren
→ kortere levensloop
→ jong seksueel matuur
→ reproductieve cycli volgen elkaar in een hoog tempo
→ focus op snelle populatie groeisnelheid
→ sterftecijfers zijn niet afhankelijk van de bevolkingsdichtheid
→ populatie kan makkelijk uitbreiden en kan nieuwe habitats koloniseren
- k-type strategie = het produceren van nakomelingen focust op de kwaliteit
van e nakomelingen
, → draagkracht strategie = populaties die door hun omvang de capaciteit van
een habitat bereikt hebben
→ sterfte is gerelateerd aan populatiedichtheid
→ populatie blijft constant
→ trage ontwikkeling
→ laat seksueel matuur
→ hoger lichaamsgewicht
→ langere levensduur
→ lage voortplantingssnelheid
→ redelijk veel tijd tussen nesten of worpen
→ zorg voor opgroeiende jongen is lang aanwezig
→ populatie-inkrimping heeft massale sterfte als gevolg
3) reproductieve strategieën: opties
a) semelpaar vs iteropaar
- semelpaar = gedurende hun hele levensloop slechts 1 keer paren en
jongen voortbrengen
→ zalm en paling
→ een grote periode in het leven moet er geen energie aan de kant
gezet worden voor de voortplanting
→ ze produceren relatief veel nakomeling (compensatie)
→ al de nakomelingen zijn aan dezelfde nakomelingen en risico's
onderworpen
→ sterfte gebeurt meer bij de adulten dan bij de juvenielen
- zalmen zijn anadrome vissen (zout → zoet)
palingen zijn katadrome vissen (zoet → zout)
→ hun paaiperiode is zodanig dat de eieren ontluiken op het
moment dat het water het rijkst is aan voedsel voor de larven
→ na het paaien sterven zo door uitputting
- iteropaar = dieren die meermaals nakomelingen kunnen voortbrengen
b) unipaar vs multipaar
- unipaar = een geslaagde dekking leidt tot de ontwikkeling van 1 enkel jong
- multipaar = een geslaagde dekking leidt tot meerdere nakomelingen per worp
- pluripaar = een dier die al reeds nesten heeft geproduceerd
- primipaar = een dier die nog maar 1 nest heeft geproduceerd
- nullipaar = een dier die nog geen nesten heeft voortgebracht
A) levensloop en voortplantingsstrategieën
1) seksuele voortplanting
- geslachtelijke voortplanting kost meer energie dan ongeslachtelijke
voortplanting
→ zoogdieren
- parthenogenese = maagdelijke voortplanting
→ amfibieën
→ reptielen (species triploid)
→ komt niet voor bij zoogdieren
- gynogenese = een vrouwelijk individu heeft een zaadcel nodig om haar eicel te
activeren maar de zaadcel neemt niet deel aan de bevruchting
- seksuele reproductie is de enige reproductieve strategie die voorkomt bij
ALLE vertebraten
→ combinatie van maternale en paternale allelen
→ de negatieve trend van een ongunstige mutatie kan omgedraaid worden
(niet bij aseksuele voortplanting)
2) levenslooptheorie
- life history strategy = voortplantingsstrategieën = levenscyclus strategieën
- r-type strategie = zo snel mogelijk reproduceren en hierbij een groot aantal
nakomelingen reproduceren
→ weinig broedzorg
→ kleinere dieren
→ kortere levensloop
→ jong seksueel matuur
→ reproductieve cycli volgen elkaar in een hoog tempo
→ focus op snelle populatie groeisnelheid
→ sterftecijfers zijn niet afhankelijk van de bevolkingsdichtheid
→ populatie kan makkelijk uitbreiden en kan nieuwe habitats koloniseren
- k-type strategie = het produceren van nakomelingen focust op de kwaliteit
van e nakomelingen
, → draagkracht strategie = populaties die door hun omvang de capaciteit van
een habitat bereikt hebben
→ sterfte is gerelateerd aan populatiedichtheid
→ populatie blijft constant
→ trage ontwikkeling
→ laat seksueel matuur
→ hoger lichaamsgewicht
→ langere levensduur
→ lage voortplantingssnelheid
→ redelijk veel tijd tussen nesten of worpen
→ zorg voor opgroeiende jongen is lang aanwezig
→ populatie-inkrimping heeft massale sterfte als gevolg
3) reproductieve strategieën: opties
a) semelpaar vs iteropaar
- semelpaar = gedurende hun hele levensloop slechts 1 keer paren en
jongen voortbrengen
→ zalm en paling
→ een grote periode in het leven moet er geen energie aan de kant
gezet worden voor de voortplanting
→ ze produceren relatief veel nakomeling (compensatie)
→ al de nakomelingen zijn aan dezelfde nakomelingen en risico's
onderworpen
→ sterfte gebeurt meer bij de adulten dan bij de juvenielen
- zalmen zijn anadrome vissen (zout → zoet)
palingen zijn katadrome vissen (zoet → zout)
→ hun paaiperiode is zodanig dat de eieren ontluiken op het
moment dat het water het rijkst is aan voedsel voor de larven
→ na het paaien sterven zo door uitputting
- iteropaar = dieren die meermaals nakomelingen kunnen voortbrengen
b) unipaar vs multipaar
- unipaar = een geslaagde dekking leidt tot de ontwikkeling van 1 enkel jong
- multipaar = een geslaagde dekking leidt tot meerdere nakomelingen per worp
- pluripaar = een dier die al reeds nesten heeft geproduceerd
- primipaar = een dier die nog maar 1 nest heeft geproduceerd
- nullipaar = een dier die nog geen nesten heeft voortgebracht