Hoofdstuk 1: Spierweefsel
1. Inleiding
Bij zoogdieren komen er drie verschillende soorten spierweefsel voor:
1. Dwarsgestreepte willekeurige spieren (skeletspieren)
2. Dwarsgestreepte niet willekeurige spieren (alleen in de hartspier)
3. Gladde spieren, niet willekeurig en geen dwarse strekking (rond holle organen)
De dwarse strekking wordt gevormd door georganiseerde contractuele proteïnen =
myofibrillen
Alle spieren ontstaan uit het mesoderm. (Behalve irisspier=ontstaan uit ectoderm)
2. typen spierweefsel
(In volgorde skeletspierweefsel, hartspierweefsel en glad spierweefsel)
3.2.1 Skeletspierweefsel
3.2.1.1 Organisatie van het skeletspierweefsel
Macroscopie:
-
Syncytia: een volwassen spiercel en kunnen verschillende centimeters lang zijn
-
Syncytiale spiercel = een spiervezel
-
Endomysium: dunne bindweefselhuls rond elke spiervezel
-
Fasciculus: een groep spiervezels/ Spierbundel omgeven door een dikkere laag
bindweefsel (perimysium)
-
Epimysium: een stevige bindweefselhuls die een groot aantal spierbundels omgeeft.
-
Sarcoplasma: het cytoplasma van een spiercel
-
Vorming van syncytia:
-
Gevormd tijden de embryonale fase
-
Verschillende myobalsten versmelten met elkaar en er ontstaan meerkernige
cellen
-
Tijdens differentiatie schikken de kernen zich perifeer tegen het sarcolemma
-
Contraceptionele eiwitten organiseren zich op een karakteristieke
manier = dwarsgestreepte spiervezel
-
Spier eindigt meestal op een pees die uitloopt in het periost van het bot
waarna de spier vastzit.
Lichtmicroscopie:
, -
Spiervezels komen voor als parallel geschikte lange veeltermige cellen waarvan
kernen perifeer geschikt liggen juist onder het sarcolemma
-
In sarcoplasma: fijne lengtestreling en een dikker dwarsstreping met periodisch
afwisselend een
lichte isotrope band (I-band) en een donkere anisotrope band (A-band)
-
Zwischenscheibe / Z-lijn: bij en grens van het optisch revolutievermogen van licht
in de I-band een fijne streep.
-
Endomysium: de reticulinevezels tussen de individuele spiervezels
-
In het sarcoplasme van een spiercel liggen perifeer kernen die omgeven zijn door
een amorfe zone (amorfe= kristalachtige structuur)
-
Veldjes van Cohnheim: een vezel wordt door deze veldjes opgevuld, ze zijn
polygonaal van
vorm en zijn gestipt. (= bestaan uit dwars doorsneden myofibrillen en komen
overeen met fijne lengtestreping)
Elektronenmicroscopie:
Bouw van een myofibril:
-
Bestaat uit contractuele proteïnen, actine en
myosine (= in een lang cilindrische structuur
parallel geschikt)
-
Myosinefilamenten zijn het hoofdbestandeel van de A-band
-
Actinefilamenten bouwen de I-band op
-
De Z-band wordt gevormd door overvlechting van over elkaar gelegen
actiebanden in de I- band
-
Sarcomeer: de afstand tussen twee Z-schijven (kleinste contraceptionele eenheid)
-
Bij contractie schuiven actiefilamenten tussen de myosinefilamenten.
Bij relaxatie overdekken de actiefilamenten slechts een klein deel van de myosine.
-
H-zone: wanner de actiefilamenten niet tot het midden van de myosine glijden.
-
M-streep of Mittelscheibe of mesofragma: Het midden van de H-zone die condensatie
vertoont van de myosine en een denderen streep vormt
-
Contractie: De z-schijven komen dichter bij elkaar, het sarcomen verkort, I-band
neemt af in breedte, H-zone verdwijnt. Bij extreme contractie reiken de Z-
schijven tot de A-band.
-
Parallel aan myofibrillen liggen mitochondriën of sarcomen met glycogeenpartikels
1. Inleiding
Bij zoogdieren komen er drie verschillende soorten spierweefsel voor:
1. Dwarsgestreepte willekeurige spieren (skeletspieren)
2. Dwarsgestreepte niet willekeurige spieren (alleen in de hartspier)
3. Gladde spieren, niet willekeurig en geen dwarse strekking (rond holle organen)
De dwarse strekking wordt gevormd door georganiseerde contractuele proteïnen =
myofibrillen
Alle spieren ontstaan uit het mesoderm. (Behalve irisspier=ontstaan uit ectoderm)
2. typen spierweefsel
(In volgorde skeletspierweefsel, hartspierweefsel en glad spierweefsel)
3.2.1 Skeletspierweefsel
3.2.1.1 Organisatie van het skeletspierweefsel
Macroscopie:
-
Syncytia: een volwassen spiercel en kunnen verschillende centimeters lang zijn
-
Syncytiale spiercel = een spiervezel
-
Endomysium: dunne bindweefselhuls rond elke spiervezel
-
Fasciculus: een groep spiervezels/ Spierbundel omgeven door een dikkere laag
bindweefsel (perimysium)
-
Epimysium: een stevige bindweefselhuls die een groot aantal spierbundels omgeeft.
-
Sarcoplasma: het cytoplasma van een spiercel
-
Vorming van syncytia:
-
Gevormd tijden de embryonale fase
-
Verschillende myobalsten versmelten met elkaar en er ontstaan meerkernige
cellen
-
Tijdens differentiatie schikken de kernen zich perifeer tegen het sarcolemma
-
Contraceptionele eiwitten organiseren zich op een karakteristieke
manier = dwarsgestreepte spiervezel
-
Spier eindigt meestal op een pees die uitloopt in het periost van het bot
waarna de spier vastzit.
Lichtmicroscopie:
, -
Spiervezels komen voor als parallel geschikte lange veeltermige cellen waarvan
kernen perifeer geschikt liggen juist onder het sarcolemma
-
In sarcoplasma: fijne lengtestreling en een dikker dwarsstreping met periodisch
afwisselend een
lichte isotrope band (I-band) en een donkere anisotrope band (A-band)
-
Zwischenscheibe / Z-lijn: bij en grens van het optisch revolutievermogen van licht
in de I-band een fijne streep.
-
Endomysium: de reticulinevezels tussen de individuele spiervezels
-
In het sarcoplasme van een spiercel liggen perifeer kernen die omgeven zijn door
een amorfe zone (amorfe= kristalachtige structuur)
-
Veldjes van Cohnheim: een vezel wordt door deze veldjes opgevuld, ze zijn
polygonaal van
vorm en zijn gestipt. (= bestaan uit dwars doorsneden myofibrillen en komen
overeen met fijne lengtestreping)
Elektronenmicroscopie:
Bouw van een myofibril:
-
Bestaat uit contractuele proteïnen, actine en
myosine (= in een lang cilindrische structuur
parallel geschikt)
-
Myosinefilamenten zijn het hoofdbestandeel van de A-band
-
Actinefilamenten bouwen de I-band op
-
De Z-band wordt gevormd door overvlechting van over elkaar gelegen
actiebanden in de I- band
-
Sarcomeer: de afstand tussen twee Z-schijven (kleinste contraceptionele eenheid)
-
Bij contractie schuiven actiefilamenten tussen de myosinefilamenten.
Bij relaxatie overdekken de actiefilamenten slechts een klein deel van de myosine.
-
H-zone: wanner de actiefilamenten niet tot het midden van de myosine glijden.
-
M-streep of Mittelscheibe of mesofragma: Het midden van de H-zone die condensatie
vertoont van de myosine en een denderen streep vormt
-
Contractie: De z-schijven komen dichter bij elkaar, het sarcomen verkort, I-band
neemt af in breedte, H-zone verdwijnt. Bij extreme contractie reiken de Z-
schijven tot de A-band.
-
Parallel aan myofibrillen liggen mitochondriën of sarcomen met glycogeenpartikels