Deze persoonlijke samenvatting is gebaseerd op de hoorcolleges en de PowerPoint van het vak
Cultuurgeschiedenis, gegeven door Bob Pierik. Verder werd er ook gebruik gemaakt van het
handboek What is Cultural History (3de editie) van Peter Burke. Auteursrecht op oorspronkelijke
teksten, afbeeldingen en schema’s berust bij de respectieve auteurs en rechthebbenden.
Inhoudstabel
Deel I: Een vogelvlucht door de cultuurgeschiedenis
1. Les 1: Inleiding – wat is cultuurgeschiedenis?
1) Inleiding
2) De klassieke cultuurgeschiedenis, Great Tradition (±1800–1950)
2. Les 2: Problemen in de cultuurgeschiedenis en historische antropologie
1) Problemen in de cultuurgeschiedenis
2) Historische Antropologie
3. Les 3: New cultural history
1) Terugblik: van historische antropologie naar NCH & Clifford Geertz
2) Robert Darnton & The Great Cat Massacre
3) Vier invloedrijke culturele theoretici
4) Voorbeelden van NCH-onderzoek
5) Toe-eigening van begrippen en theorie
4. Les 4: Van representatie naar constructie
6) Constructies in de cultuurgeschiedenis
7) Anderson: ingebeelde gemeenschappen (imagined communities, 1983)
8) Conclusie – hoe ver reikt de constructie?
5. Les 5: De toekomst van cultuurgeschiedenis?
1) Voorbij de Cultural Turn?
2) Cultuurgeschiedenis in de 21ste eeuw
3) Conclusie
Deel II: Casestudies uit de cultuurgeschiedenis
6. Les 6: Kleding, consumptie en identiteit
4) Korte inleiding
5) Kleding, consumptie en identiteit I: het begin en premodern
6) Kleding, consumptie en identiteit II: Moderniteit
7. Les 7: Koninklijke macht en uitgevonden tradities
1) Inleiding
2) Het concept ‘uitgevonden tradities’
3) Britse monarchie als uitgevonden traditie
4) Voorbij uitgevonden tradities?
5) Nieuw onderzoek in de 21ste eeuw
8. Les 8: Het meer-dan-menselijke en de geschiedenis van het paard
1) Inleiding
2) Meer-dan-menselijke geschiedenis
, 3) Het antropoceen en meer-dan-menselijke wending?
4) Human-Animal Studies en de Animal Turn
5) De geschiedenis van het paard
6) Conclusie: waarom dierengeschiedenis?
9. Les 9: Het huis tussen harde stenen en zachte spullen
1) Inleiding: het huis als historisch object
2) Privacy en publiciteit: de cultuurgeschiedenis van het huis
3) De geschiedenis van de deur
4) Gescheiden sferen
5) Moderne huiselijke sferen (19de en 20ste eeuw)
10. Les 10: Geweld, het lichaam en bio-power
1) Michel Foucault – discipline, toezicht en straf
2) De Cultuurgeschiedenis van het Lichaam
Praktische informatie:
Handboek: Peter Burke – What is Cultural History? (3de editie) enkel voor DEEL 1!!!
Aangevuld met teksten die op Canvas staan = toch wel belangrijk
Inhoud van boek wel echt kennen, hele specifieke auteurs enkel als ze in hoorcollege
besproken worden structuur gaat niet altijd overeenkomen
2
,Les 1: Inleiding – wat is cultuurgeschiedenis?
1. Inleiding
Cultuurgeschiedenis werd lange tijd neergekeken op tegenover politieke of militaire geschiedenis
MAAR: vanaf jaren ’70 maakte ze een grote comeback in de academische wereld probeerde iets te
vatten wat andere soorten geschiedenis missen: symbolen, overtuigingen, waarden, alledaagse…
Niet enkel wat mensen deden, maar ook wat ze ermee bedoelde
Twee verklaringen voor de revival:
Van binnenuit: geschiedenis was te gefragmenteerd geraakt (aparte specialisten voor
vrouwengesch., militaire geschiedenis…) – cultuurgeschiedenis biedt het grote geheel
Van buitenuit: een bredere “cultural turn” in vele disciplines – aandacht voor waarden en
overtuigingen van specifieke groepen
veronderstellen dat alle mensen rationeel op zelfde manier handelen
Definitie: geen vaste definitie – cultuurhistorici schrijven over enorm uiteenlopende onderwerpen
Gemeenschappelijke noemer: een interesse in symbolen en hun interpretatie – betekenis
vinden in kunst, rituelen, taal en dagelijkse leven
Methoden variëren sterk: intuïtief, statistisch, verhalend
Nationale tradities (handboek):
Duitsland: oudste, meest invloedrijke traditie, al meer dan 200 jaar ontwikkelde zich voor
eenwording in 1871, toen nog een culturele gemeenschap met cul. iden. politieke staat
In Pruisen domineerde politieke geschiedenis, andere staten (bv Saksen) was er meer
ruimte voor cultuurgeschiedenis
Nederland: groeide voort uit de Duitse traditie, levend gehouden door Huizinga
Frankrijk: vermeed lange tijd het woord "cultuur", verkoos "civilisation" en later "mentalités"
– de beroemde Annales-school (Bloch, Febvre, Braudel, Le Goff)
VS: sterk beïnvloed door Duitse immigranten (Peter Gay, Carl Schorske); enthousiaste
omhelzing cultuurgeschiedenis, gelinkt aan zijn immigrantencultuur en interesse in identiteit
GB: Historisch weerstand, hoewel dit langzaam verandert
Vier fasen in de geschiedenis van de cultuurgeschiedenis:
1) De klassieke fase (±1800–1950)
2) De sociale geschiedenis van de kunst (vanaf de jaren '30)
3) De ontdekking van de volkscultuur (jaren '60)
4) De "nieuwe culturele geschiedenis" (latere hoofdstukken)
= grenzen zijn vaag en overlappend
Klassieke cultuurgeschiedenis vaak omschreven met:
Jacob Burckhardt – Die Kultur der Renaissance in Italien (1860)
Johan Huizinga – Herfsttij der middeleeuwen (1919)
3
,2. De klassieke cultuurgeschiedenis, Great Tradition (±1800-1950)
2.1 Jacob Burckhardt: Die Kultur der Renaissance in Italien (1860)
Niet zo belangrijk: studeerde geschiedenis in Berlijn en kunstgeschiedenis in Bonn + reisde vaak naar
Italië, schreef onder andere een gids voor genieten van Kunst in Italië (Cicerone, 1855)
Zijn bekendste werk: Die Kultur der Renaissance in Italien – oorspronkelijk geschreven om de
schilderijen van Rafaël beter te begrijpen door ze in hun historische context te plaatsen
= Florence was ‘eerste moderne staat ter wereld’, waar de moderne mens begon kleine Italiaanse
stadstaten (14de-16de eeuw) die constant in conflict waren en politiek instabiel waren
paradoxaal genoeg schiep dat vrijheid: ontstaan uitgebreide humanistische, intellectuele,
artistieke cultuur
Heruitvinding van de Oudheid: door politieke structuur van stadstaten en hun eeuwige
conflicten omdat IT middelpunt van Romeinse rijk was
Italianen begrepen zichzelf als culturele opvolgers van de Oudheid: ontwikkeling bewuste
culturele identiteit
Vrijheid van beweging tussen stadstaten: gaf intellectuelen ruimte voor individuele
ontwikkeling en kunstenaars ruimte voor individuele ontwikkeling en kritiek
Giovanni Villani werd eerste stadschroniqueur1 van Florence: geschiedenis begon
opgeschreven te worden
Politieke machteloosheid tegenover heersers voedde individualiteit: in politieke onmacht
groeiden men juist meer in persoonlijke leven (ontbreken van partijstrijd gaf mensen rust)
Resultaat: een cultuur die de Oudheid heruitvond én het individu centraal stelde
Methode: hij dompelde zichzelf onder in poëzie, kronieken, memoires, en traktaten, en probeerde
daaruit de Zeitgeist te destilleren MAAR ook:
Hermeneutiek: de kunst van het interpreteren: oorspronkelijk voor teksten van de Bijbel,
later uitgebreid naar kunstwerken en menselijke handelingen
Metafoor van het kunstwerk: de staat als iets dat mensen ‘bewust hebben ontworpen’, zoals
een kunstenaar een schilderij maakt; politieke structuren niet natuurlijk, maar gemaakt
Intuïtieve zoektocht naar verbanden: zijn claims wel moeilijk te bewijzen
Kritische kanttekeningen:
Finalisme: beoordeelt Renaissance voortdurend als onvermijdelijk beginpunt (finalisme), alsof de
geschiedenis naar de moderniteit toe moest werken – schrijft voortdurend over ‘eerste’:
“Hier treedt voor het eerst de feest op van de moderne EU staat”; “De Renaissance ontdekt
voor het eerst de volle waarde van de mens.”…
Essentialisme: veronderstelling dat elk volk een essentiële gemeenschappelijke volksaard en
historische missie heeft (natie, volk en een volksaard en geest der natie)
Hij schrijft over "de Italiaanse geest" alsof dat iets natuurlijks en essentieels was, in plaats van
iets historisch geconstrueerd (essentialisme)
1 Kroniekschrijver: schrijver die historische of actuele feiten verzamelt en opschrijft, in principe in chronologische volgorde.
4
,Economie: weinig aandacht hiervoor, stadstaten waren nochtans enorm rijk enkel een focus op
cultuur, mentaliteit en individualisme – maakt blind voor materiële basis van Renaissance
MAAR: aan einde van leven twijfelde Burckhardt zelf aan zijn methoden en schrijfwijze toch hield
zijn manier van schrijven over mentaliteiten stand en genesteld in grote traditie cultuurgeschiedenis
Extra: Cultuur met een grote én kleine C (Burkchardt schreef over beide, wel meer over eerste):
Cultuur met grote C: staat, herrijzenis van de klassieke Oudheid, ontdekking van wereld en
mens, grote kunst en literatuur
Cultuur met kleine c: zeden en religie, ontwikkeling van het individu, gezelschapsleven en
feesten, positie van vrouwen, alledaagse omgangsvormen
2.2 Johan Huizinga: Herfsttij der Middeleeuwen (1919)
= begonnen als studie naar Jan van Eyck groeide uit tot een studie van levens en gedachtenvormen
der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden
Concrete vraag: hoe moet ik de schilderijen van Jan van Eyck begrijpen?
In die tijd zou het antwoord zijn: als vroege Renaissance, als voorloper van moderniteit;
dezelfde logica als Burckhardt dus Huizinga was het hier NIET mee eens
Centrale argument: de late Middeleeuwen zijn geen aankondiging van iets nieuws, maar een tijdperk
met een eigen logica, en die logica is er één van verval
Vormen zoals riddercultuur hadden ooit een functie: gaven krijgersklasse een morele code en
organiseerde oorlogvoering MAAR: in 14de-15de eeuw waren ze leeg geworden
Riddertoernooien werden opgevoerd als spektakel, terwijl echte legers allang uit
betaalde huurlingen bestonden
De vorm leefde voort, maar inhoud was verdwenen = Huizinga’s definitie van verval
het "herfsttij": niet een belofte van lente, maar het mooiste én meest uitgeputte moment van een
seizoen dat op zijn einde loopt – overvloedig, kleurrijk, maar ook verwelkend
Methode:
Morfologisch: geïnteresseerd in de stijl van een hele cultuur, niet de politieke gebeurtenissen,
maar de symbolen en vormen als historische objecten op zichzelf
Werkte via contrast: hij zocht de spanning tussen wat mensen beweerden te zijn en wat ze
werkelijk deden innerlijke logica van een tijdperk bloot te leggen
Historische sensatie: als historicus je werkelijk inleven in een tijdperk, bijna intuïtief
aanvoelen hoe het was klinkt onwetenschappelijk (positivistische kritiek) – maar dat
maakt het schrijven krachtig
Vormen als historisch object: cultuur met bepaalde vorm – regels en structuren die leven van
mensen organiseerden en die eigen leven konden leiden, los van individuele actoren
Kritiek op zijn conclusies:
Van Eyck wordt door latere kunsthistorici juist gezien als ‘vernieuwer’ die vooruitwijst naar de
Renaissance het omgekeerde van wat Huizinga betoogde
These ‘riddercultuur’ als zinloze verspilling was invloedrijk maar wordt inmiddels ook betwist
5
,2.3 Conclusie
= ze delen beiden dat cultuur het centrale object is van de geschiedschrijving, de gedeelde geest van
een tijdperk de staat, de economie
- Burckhardt ziet de Renaissance als een begin: optimistisch, progressief, evolutionair
- Huizinga ziet de late Middeleeuwen als een einde: ambivalent, cyclisch, eerder morfologisch dan
evolutionair
Kunst, literaire bronnen, kronieken en memoires als betrouwbare bronnen voor gedachten,
ideeën en mentaliteiten
Hermeneutiek als gedeelde methode: het interpreteren van teksten, kunstwerken en
handelingen om de Zeitgeist te vatten
Constante dialoog of spanning met andere culturele vakgebieden (bv kunstgeschiedenis)
Impliciete kritiek op latere NCH: beide schreven voornamelijk over elitecultuur en grote
namen, al tastten ze soms de randen af (alledaagse, vrouwen…)
6
,Les 2: Problemen in de cultuurgeschiedenis en historische
antropologie
1. Problemen in de cultuurgeschiedenis
Klassieke cultuurgeschiedschrijving (Huizinga en Burckhardt) werkte op basis van een intuïtieve
synthese van literaire en artistieke bronnen en kregen daarop ook kritiek
Burckhardt beschreef cultuur als beschaving en de samenleving als kunstwerk
Huizinga focuste op 'denkvormen', de mentale patronen van een tijdperk
Burke – vier velden van kritiek:
1) Bronnen en methode
Enorme belezenheid, eruditie, sensitiviteit en verbeeldingskracht, literair talent nodig, MAAR
dat was ook een zwakte: maakte methode sterk persoonsgebonden en moeilijk te repliceren
Beperkte variatie in soorten bronnen: Huizinga gebruikte steeds dezelfde bronnen wat als
hij andere bronnen had gebruikt? = vertekend beeld
Naïef bronnengebruik: schilderijen of romans kunnen propaganda zijn, of mening van één
sociale groep weerspiegelen NIET behandelt worden als spiegels (weerspiegeling)
Uitsluitend vanuit perspectief elite: klassiekers keken bijna uitsluitend naar de cultuur van de
hogere standen
Subjectieve selectie: we zien wat we geloven – Huizinga beweerde dat late Middeleeuwen
obsessief bezig waren met de dood, MAAR zocht bewust naar passages die dit bevestigde
Mogelijkse oplossingen:
Seriële geschiedenis: systematisch grote reeksen documenten analyseren in plaats van
willekeurige voorbeelden te kiezen
Inhoudsanalyse: tellen hoe vaak bepaalde woorden/thema’s voorkomen in een tekst
Discoursanalyse: meer verfijnde taalkundige analyse van teksten, met aandacht voor
alledaagse taal, genres en vertelvormen
Nadeel kwantitatieve aanpak: erg mechanisch, mist nuance
2) Thematiek: wat valt nu precies onder C(c)ultuur
Klassiekers hadden exclusieve focus op elitecultuur of gehele cultuur' (Zeitgeist), MAAR geen
aandacht voor gewone mensen of volkscultuur/populaire cultuur
Ontdekking van ‘gewone volk’ vond eigenlijk al plaats in late 18de eeuw, maar pas in jaren
1960 brak sociale geschiedenis echt door (sociale bewegingen, emancipatie universitair ond.)
Cultural studies: onderzoek naar populaire cultuur van de 20ste eeuw in bredere zin
Centrale vraag: wat is de relatie tussen (volks)cultuur en samenleving in de
premoderne tijd?
Problemen met het begrip ‘volkscultuur’
Wie zijn ‘het volk’ – enkel niet-elite? = delen zij dan allemaal dezelfde cultuur – wat met
verschillen tussen stad en platteland, mannen en vrouwen, generaties?
Waren elites wel zo anders – Roger Chartier stelt dat de West-Europese elite tot circa 1650 bi-
cultureel was: ze namen deel aan zowel volkscultuur als aan geleerde cultuur
7
, Volgens Burke moeten we geleerde- en volkscultuur niet te rigide gebruiken
3) Determinanten: wat doet het, wat je belangrijk vindt, erin opneemt?
Burckhardt en Huizinga hadden te weinig aandacht voor economie als motor van de
geschiedenis — een marxistisch kritiekpunt
Burckhardt besteedde nauwelijks aandacht aan economische grondslagen van Renaissance;
Huizinga negeerde bijna volledig 'Zwarte Dood' als verklaring voor doodsobsessie L.M
Het verklaringsmodel van marxisten als Manheim en Hauser schiet ook tekort: bovenbouw
(cultuur) meer dan alleen uitdrukking van onderbouw (economische belangen, conflicten)
Behoefte aan verklaringsmodel dat wisselwerking bovenbouw/onderbouw voorop
stelt – onder anderen bij Raymond Williams
4) Concept en doel
Concept van cultuur te holistisch: het Zeitgeist-begrip veronderstelt dat de hele samenleving
één gedeelde cultuur heeft
Te statisch: cultuur wordt homogeen per tijdvak gepresenteerd, als een opeenvolging van
gesloten cultuurperiodes zonder interne dynamiek
Behoefte aan dynamisch cultuurconcept: doorwerking oudere tradities in mod. cult.
Concepten elite- en volkscultuur zijn eveneens te holistisch en te statisch
Wederzijdse beïnvloeding en conflict?
Werk met begrip tradities (meervoud) of met begrip subculturen – BURKE
Marxistische kritiek en haar grenzen?
Twee grote bezwaren tegen Burckhardt en Huizinga:
1) Werk is te zwevend: geen economische basis
2) Werk is te homogeen: E.P. Thompson noemde cultuur een 'klonterig begrip' dat verschillen
verbergt tussen klassen, tussen mannen en vrouwen, tussen generaties
MAAR Burke: 'To be a Marxist historian of culture is to live a paradox if not a contradiction.'
Marx zelf beschouwde cultuur als louter superstructuur (bovenbouw): bijproduct van
economische verhoudingen, ondergeschikt aan echte basis: economie
Oplossing – culturele concept hegemonie van Gramsci: de heersende klasse heerst niet alleen via
economische/militaire macht ook: omdat haar ideeën/waarden door hele samenleving worden
geaccepteerd als normaal en vanzelfsprekend
Paradoxen van traditie: cultuur doorgegeven van generatie op generatie, verloopt paradoxaal:
Paradox 1: Schijnbare innovatie maskeert continuïteit – dingen veranderen aan de
buitenkant, maar de kern blijft hetzelfde
Paradox 2: Schijnbare continuïteit maskeert innovatie – wat eruitziet als traditie is soms iets
volledig nieuws
Cultuur = zelf ook problematisch door tijd verandert: eerst alleen hoge cultuur (kunst, literatuur,
filosofie); dan lage cultuur (volksmuziek, volksgeneeskunde); daarna gereedschap, gesprekken…
Antropoloog Edward Tylor (1871) bood een brede definitie: cultuur is 'dat complexe geheel dat kennis, geloof,
kunst, moraal, wet, gewoonte en alle andere vermogens omvat die de mens als lid van de samenleving verwerft.'
Bronisław Malinowski (1931): alles wat een mens als erfenis meegeeft
8