menselijke aard
Inleidend:
Verhaal van Jill Bolte Taylor
= Ze krijgt te maken met verlies van haar taalherkenningsvermogen en
spraakvermogen. Uiteindelijk is ze hiervan kunnen herstellen, maar toch
zitten door haar verwondingen en haar herstel haar hersenen anders in
elkaar. Dat heeft haar levensvisie en persoonlijkheid veranderd.
Centrale vraag: ‘Wat vertelt Jills ervaring ons over de bouw van onze
hersenen en hun enorme aanpassingsvermogen?’
Volwassen menselijk brein:
- 100 miljard neuronen (=zenuwcellen)
= een pasgeboren baby heeft veel meer zenuwcellen of neuronen
dan een volwassenen, in de eerste levensjaren sterven een vele
neuronen af, waarschijnlijk omdat ze in ongebruik blijven
Een volwassen brein behoud ongeveer zijn aantal (door continu
sterven en bijkomen)
- Miljoen miljard verbindingen tussen neuronen
- 3,2 miljoen kilometer bedrading
- 1.5 liter in volume
- 1,5 kilogram in gewicht
- 10 Watt energie
Wat is biopsychologie?
,Biopsychologie – BIOLOGIE + GEDRAG + OMGEVING
= biopsychologie bestudeerd de interactie tussen deze drie =>
biopsychologie kijkt naar hoe je lichaam en hersenen (biologie)
je gedrag beïnvloeden en hoe je ongeving daarbij een rol kan spelen
Neurowetenschap – HERSENEN
= interdisciplinair domein (samenwerking van biopsychologen,
neurologen, scheikundigen, … => allen die interesse hebben in de
relatie tussen hersenen en geest) die onderzoek doet naar de
hersenen en hun rol in psychologische processen en gedrag
Wat is het verband tussen genen en gedrag?
(even eigen woorden: door evolutie worden genen die bepaald gedrag
veroorzaken en jou helpen overleven doorgegeven aan de volgende
generatie)
De man die het idee van ‘evolutionaire verandering’ heeft
ontdekt is
Charles Darwin (-On the origin of species)
Wie is hij precies?
= Darwin bestudeerde 5 jaar lang de kustlijn van Zuid-Amerika, toen
hij als ‘gentleman companion’ aan boord van de Beagle (=
onderzoeksschip) verbleef
Hij bestudeerden verschillende inheemse dierensoorten, en zag
hierbij dat organismen zich vaal uitstekend aanpassen aan hun
omgeving.
Het kwam bij hem op dat verschillende variaties voordelen kon
opleveren en anderen juist niet, waarbij er een continu ‘proces van
uitwieden’ is dat hij NATUURLIJKE SELECTIE noemt
(natuurlijke selectie = het overleven en voortplanten van individuen
die zich het beste aanpassen aan hun omgeving)
Opm: dit was een zeer radicaal idee in die tijd aangezien toen
een metaliteit van het ‘creationisme’ heerste die stelde dat
‘het universum en al het leven op aarde zijn ontstaan door een
bijzonderlijke (goddelijke) scheppingsdraad
,Het idee van natuurlijke selectie kan men ook linken aan ‘SURVIVAL
OF THE FITTEST’ dat stelt dat organismen die zich het best
aanpassen aan hun leefomgeving overleven
Hoe werkt
natuurlijke
selectie:
Toepassing van zijn idee op de psychologie:
Menselijke fobieën (=angsten)
=> zijn ook te herleiden naar ‘evolutie’
Zo zijn de fobieën die mensen de dag van vndg hebben, het
gevolg van prikkels die voor onze voorouders een teken van
gevaar waren
De term ‘evolutie’
= is een term die door velen verkeerd begrepen worden, mensen
zien deze bewering als ‘mensen stammen van apen af’ => dit is
nooit door een evolutionair wetenschapper beweerd
Wat men wel beweerd is dat mensen en apen dezelfde
gemeenschappelijke voorouder hebben
- DAT IS IETS HELEMAAL ANDERS
Zo zouden we dezelfde voorouder hebben, maar zijn de twee
soorten in de loop van tijd van elkaar beginnen afwijken,
, waarbij in elk van beide groepen andere kenmerken zijn
ontstaan
Deze kenmerken = ADAPTIEVE KERNMERKEN
= kenmerk van een soort dat is ontstaan
gebaseerd op aanpassing ven aan
specifieke omgeving
Genen en erfelijkheid
Genetische code
genen coderen moleculaire informatie
die kan worden omgezet in
o fysieke kenmerken
o psychologische eigenschappen
Iedereen heeft zijn eigen unieke combinatie van kenmerken en
eigenschappen (door zijn eigen unieke code)
OPGELET: Dat eigenschappen erfelijk zijn betekent niet dat ze bij
kinderen op dezelfde manier tot uiting komen als bij de ouders
Hier zijn twee redenen voor/ twee oorzaken voor jouw eigen
uniciteit
1. de omgeving, tijd en plaats waar je bent opgegroeid
2. willekeurige combinatie van kenmerken die door elk van
beide ouders aan jou zijn doorgegeven
De gemengde erfenis => bepaalt jou UNIEKE GENOTYPE
Genotype = het genetische patroon
waarvan je van alle andere mensen op
aarde verschilt (= genetische opmaak van
het organisme)
Als het genotype de blauwdruk is, dan zijn
de daaruit komende fysieke
eigenschappen het FENOTYPE
Fenotype = de waarneembare fysieke
kenmerken van een organisme (dus ook
gedrag)