→ FORMATIEPROCESSEN (II) & METHODEN
Sluit aan bij HC 4
FORMATIEPROCESSEN
Formatieprocessen zijn de processen en factoren die invloed hebben op de vorming van de sites,
materiële cultuur, artefacten en sporen doorheen de tijd.
De hele levensloop van een site: het ontstaan van de site, van de actieve fase tot depositie tot
postdepositie.
Archeologen willen reconstrueren wat er op de plaats van opgraving is gebeurd.
ONDERVERDERLING
Systemic context: voor de depositie
- De beginfase + vormende en actieve fase
o C-transforms
- Alles tot en met de depositie
- Einddoel van archeologen
o Reconstrueren wat er op de site is gebeurd voor de depositie, C-transforms
reconstrueren
Archaeologic context: na de depositie
- Passieve fase, bewaringsomstandigheden
o N-transforms
- Culturele factoren, de mens kunnen invloed hebben
o Eens iets begraven is, kan het nog verstoord worden door menselijk handelen.
VOOR DE DEPOSITIE → C-TRANSFORMS
Zie HC 4
POST-DEPOSITIEFASE → N-TRANSFORMS
- Zelden Pompeii premisse, er zijn heel veel factoren die de invloed hebben op hoe de
site/artefacten bewaren.
- N-transforms = veranderingen die resten ondergaan na de depositie
o Langdurig verblijf in bodem kan gevolgen hebben
- Tafonomie
o Wetten van begraving, studie van de begravingsprincipes
1
, - Belangrijk: inschatten in welke mate de oorspronkelijke situatie bewaard is gebleven
o Als je een site vindt, moet je weten of de site verstoord is geweest, wat er is gebeurd.
▪ Wat is er uit de oorpsronkelijke context verdwenen?
▪ In hoeverre is de ruimtelijke samenhang bewaard gebleven?
VARIABELEN IN DE N-TRANSFORMS
- Afdekking
o Was het afgedekt of niet?
HC 4
- Materiaalsoort
o Bv.: organisch materiaal <-> stenen artefacten
- Bewaringsomstandigheden
o Aeroob vs anaeroob
o Zuurtegraad
o Droogte vs vochtigheid
- Bioformatie, bioturbatie
o Planten en dieren
- Klimaat, cryoturbatie
o Vorst, vloed, hitte…
- Geomorfologische processen
o Erosie
o Sedimentatieprocessen
- Tijd
- Menselijke ingrepen
BEWARINGSOMSTANDIGHEDEN
Aeroob vs anaeroob
o Eens er zuurstof is, is er veel microbiologische activiteit.
o Zuurstofarm bewaren zaken beter. (bv.: meal preppen)
Zuurtegraad: in een zure bodem is de kans klein dat organisch materiaal bewaart.
Droge en vriesmilieus: weinig biologische/chemische activiteit
o Weinig microbiologische activiteit in droge omstandigheden en in vriesmilieus.
▪ Bv.: permafrost, woestijn
o Veenvorming: zuurstof arme, natte condities waarbij plantmateriaal zeer traag wordt
afgebroken
In water bewaren zaken goed
2
,Zuurstofarm (anaeroob) en waterverzadigd = ideale bewaringsomstandigheden, kans op bewaring van
organisch materiaal
VOORBEELDEN BEWARINGSOMSTANDIGHEDEN
- Twee paardegraven: eentje in zure, Kempische grond <-> eentje in kleigrond
- Veenlijken:
o Tollund Man = het best bewaarde graf
▪ Strop rond zijn nek: hij werd geofferd aan de goden
o Veenvorming: zuurstof arme, natte condities waarbij plantmateriaal zeer traag wordt
afgebroken
▪ Artefacten in veen bewaren goed
▪ Effect: zoals het looien van leer
- Permafrost:
o Ötzi: Europese mumie gevonden hoog in de bergen tussen Italië en Duitsland
▪ Late kopertijd, 3000 v.C.
▪ Had een pijl in zijn rug, waarschijnlijk gestorven door bloedverlies
o Pleistocene dieren
- Woestijn:
3
, o Egypte: zeer goed bewaarde artefacten
▪ Weinig microbiologische activiteit in droge omstandigheden
BIOTURBATIE
Planten en dieren kunnen bodemverstoringen veroorzaken, dit heeft invloed op de archeologie
o Bv.: artefacten in dierengangen
o Bv.: plantenwortels duwen artefacten dieper
o Bv.: boomvallen
o Bv.: wortel groeit door de bodem, mollen…
Al deze zaken moeten we documenteren vooraleer we de site kunnen interpreteren.
KLIMAAT: CRYOTURBATIE
Cyroturbatie = afwisseling van bevriezen en ontdooien van de bodem
Artefacten verplaatsen
ijswiggen
o Water sijpelt in de bodem en bevriest, je krijgt putten in de bodem
Artefacten fysisch anagetast door vorst- en hitte breuken
Droogtespleeten
4