Deze persoonlijke samenvatting is gebaseerd op de hoorcolleges en het cursusmateriaal van Staatsrecht,
gegeven door Aube Wirtgen. Auteursrecht op oorspronkelijke teksten, afbeeldingen en schema’s berust bij de
respectieve auteurs en rechthebbenden.
Inhoudstabel
1. Hoofdstuk 1: Algemene inleiding – situering en omschrijving staatsrecht (p. 3)
1) Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht (p. 3)
2) Staatsrecht (p. 5)
2. Hoofdstuk 2: De bronnen van het grondwettelijke recht (p. 6)
1) Overzicht (p. 6)
2) De hiërarchie van de rechtsnormen (p. 6)
3) Internationale en supranationale normen (p. 7)
4) De grondwet (p. 9)
5) De wet (p. 16)
6) Het decreet (p. 23)
7) De ordonnantie (p. 25)
8) Samenwerkingsakkoorden (p. 26)
9) Het gezamenlijk decreet en ordonnantie (p. 26)
10) Wetskrachtige en gewone koninklijke besluiten (p. 26)
11) Besluiten van gemeenschaps- en gewestregeringen (p. 28)
12) Ministeriële besluiten (p. 28)
13) De gewoonte (p. 28)
14) Algemene rechtsbeginselen (p. 28)
3. Hoofdstuk 3: Het begrip ‘Staat’ (p. 29)
1) Drie constitutieve bestanddelen (p. 30)
2) Een volksgemeenschap of permanente bevolking (p. 30)
3) Gezag (p. 30)
4) Het grondgebied (p. 30)
5) Burgerschap en nationaliteit (p. 31)
4. Hoofdstuk 4: De geledingen van de Belgische Federale staat (p. 31)
1) De lokale besturen (p. 31)
2) De taalgebieden (p. 33)
3) De gewesten (p. 34)
4) De gemeenschappen (p. 34)
5. Hoofdstuk 5: De voornaamste kenmerken van de Belgische staat (p. 34)
1) Een rechtsstaat (p. 34)
2) Een federale staat (p. 35)
3) Een representatieve democratie – de nationale soevereiniteit (p. 37)
4) Een monarchie (p. 38)
5) Het parlementaire regime in België (p. 38)
6) De scheiding van de machten (p. 39)
7) Scheiding van kerk en staat (p. 40)
6. Hoofdstuk 6: De federale machten (p. 41)
1) De federale wetgevende macht (p. 41)
2) De federale uitvoerende macht (p. 46)
3) De rechterlijke macht (p. 52)
7. Hoofdstuk 7: De gemeenschappen en de gewesten (p. 55)
1) Centrifugaal-federale staat van bipolaire aard zonder absolute territoriale scheiding (p. 56)
2) Gebetonneerde en verschanste bevoegdheden (p. 56)
, 3) Federaal systeem met een asymmetrische structuur (p. 57)
4) Coöperatief federale staatsstructuur (p. 57)
5) Geen homogene bevoegdheidspakketten (p. 57)
6) De (materiële) bevoegdheden van de gemeenschappen (p. 57)
7) De (materiële) bevoegdheden van de gewesten (p. 59)
8) De bevoegdheden van de federale overheid (p. 59)
9) Belangrijke begrippen inzake de bevoegdheidsverdeling (p. 60)
10) De instellingen van de gemeenschappen en gewesten (p. 62)
11) De Brusselse instellingen (p. 64)
12) De Duitstalige gemeenschap (p. 68)
8. Hoofdstuk 8: Het Grondwettelijk Hof (p. 68)
1) Het Grondwettelijk Hof: plaats in bestel (p. 69)
2) Samenstelling van GWH (p. 69)
3) Bevoegdheid van GWH (p. 69)
9. Hoofdstuk 9: Financieel federalisme (p. 71)
1) Principes en juridisch kader (p. 71)
2) Algemene principes betreffende belastingbevoegdheid (p. 71)
3) Algemene principes inzake begrotingen en rekeningen (p. 72)
4) De autonome belastingbevoegdheid van de deelstaten (p. 72)
5) De financiering van deelstaten (p. 72)
6) Eigen niet-fiscale ontvangsten van deelstaten (p. 72)
7) Andere financiering van deelstaten (p. 72)
10. Hoofdstuk 10: De gewapende macht (p. 73)
1) Art. 167, §1 Gw. – Koning beveelt de krijgsmacht, KvV controleert (p. 73)
2) Art. 182, 183, 185, 186 Gw. – besluitvorming door de wetgevende macht (p. 73)
11. Hoofdstuk 11: De rechten en vrijheden (p. 74)
1) Algemeen juridisch kader (p. 74)
2) Bronnen (p. 74)
3) Evolutie – drie generaties van grondrechten (p. 74)
4) Bevoegdheidsverdeling inzake grondrechten (p. 75)
5) Geen absolute bescherming – mogelijkheden tot beperkingen (p. 75)
6) Naar een grondwettelijk verankerde noodtoestand? (p. 75)
7) Gelijkheid en verbod op discriminatie (p. 76)
8) Vrijheid van meningsuiting (p. 78)
9) Drukpersvrijheid (p. 79)
10) Het recht op leven, lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid (p. 80)
11) Vrijheid van vergadering (p. 81)
12) Vrijheid van vereniging (p. 82)
13) Recht van personen met een handicap op inclusie (p. 82)
14) Sociale, culturele en economische grondrechten (p. 82)
15) Algemene beleidsdoelstellingen (p. 83)
2
,Hoofdstuk 1: Algemene inleiding – situering en omschrijving
staatsrecht
1. Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht
= klassieke indeling die al afstamt van het Romeins recht: publiekrecht is het recht dat betrekking heeft op de
Romeinse zaak (= aangelegenheden Romeinse overheid), privaatrecht het recht dat de belangen der individuen betreft.
Publicum jus est, quod ad statum rei romanae spectat, privatum quod ad singulorum utilitatem.
1) Privaatrecht = recht dat relatie tussen burgers onderling, tussen burgers en private entiteiten (bv
naamloze vennootschap) of tussen private entiteiten onderling vastlegt (bv huwelijk, eigendom…)
onderverdeling in verschillende takken:
Burgerlijk recht
Gerechtelijk privaatrecht
Verbintenissenrecht
Handelsrecht – economisch recht
Sociaal recht: arbeidsrecht en sociaal zekerheidsrecht
Internationaal privaatrecht
= gaat ervan uit dat burgers hun onderlinge verhoudingen in beginsel zelf mogen regelen
vrijheid en gelijkheidsgedachte van Franse revolutie doordringt oud en vernieuwd Burgerlijk
wetboek1; beginselen zoals wilsautonomie en contractvrijheid
2) Publiekrecht = regelt optreden en organisatie van overheid – verhouding tussen overheid, burgers;
interne organisatie overheid; verhouding versch. overheden; verhouding tussen staten onderling
bestaat ook weer uit verschillende takken:
Grondwettelijk recht; ook wel staatsrecht, constitutioneel recht of publiekrecht sensu stricto2
Administratief recht
Budgettair recht
Strafrecht
Strafprocesrecht
Fiscaal recht
Internationaal (publiek)recht
= burger neemt inherent ondergeschikte positie ten opzichte van de overheid overheid kan hen
immers binnen wettelijke grenzen zaken opleggen/ontnemen indien zij dit nodig acht voor algemeen belang
3) Onderscheid privaatrecht en publiekrecht: nuancering
= verschillende redenen om het onderscheid te nuanceren
Publiekrecht geldt enkel ten aanzien van overheid indien zij optreedt in haar hoedanigheid van
overheid
1 is een wetboek van 13 april 2019 dat de basis vormt van het Belgisch privaatrecht; het oude dateert van 1804.
2 betekent in strikte zin sensu lato betekent dan weer in brede zin
3
, kan ook in hoedanigheid privépersoon (los van overheidsmacht) waarbij zij in regel onderworpen
is aan privaatrecht (bv bij het huren van een gebouw)
Privépersonen kunnen evenzeer bekleed worden met overheidstaak, vb een concessie van openbare
dienst rechtsverhoudingen tussen overheid en privépersoon beheerst door publiekrecht
Voorbeeld – concessie van openbare dienst: privé-uitbater krijgt van gemeente toestemming om op
gemeentelijk meer pedalo’s te verhuren = openbaar domein (eigendom overheid); uitbater verleent dienst aan
publiek (recreatie) en ontvangt zelf de inkomsten; overheid krijgt eventueel concessievergoeding
Toenemende vervlechting tussen publiekrecht en privaatrecht:
Overheid ontvangt steeds meer taken via privaatrechtelijke weg (bv participatie in bedrijf –
grootste aandeelhouder Proximus)
Bepaalde publieke taken toegekend aan privaatrechtelijke organisaties (bv daklozen opvang
door een vzw)
Autonomie burger in privaatrecht + beschikkingsvrijheid overheid in publiekrecht zijn beide relatief:
Privaatrecht: autonomie burger begrensd door dwingende rechtsregels (bv verbod op
discriminatie bij aanwerving van personeel of verhuren woonst)
+ veel situaties waarin contractvrijheid van partijen in werkelijkheid niet bestaat (bv
werkzoekende heeft weinig/geen onderhandelingsmarge bij sollicitatie
essentie rechtstaat: overheid (en ook wij) zijn onderworpen aan het recht
Onderscheid tussen beide vindt oorsprong in liberale staatsopvatting 19de eeuw:
Individu stond centraal, houder alle rechten en vrijheden, en staat had slechts minimale,
beschermende rol – zoals een nachtwaker die alleen ingrijpt wanneer nodig
gaandeweg is deze geëvolueerd tot een sociale verzorgingsstaat met een ruim takenpakket:
Regels uitvaardigen die sociaal en financieel economisch leven sturen en regelen (vb
arbeidsrecht, sociaal zekerheidsrecht, handelsrecht…)
Deelnemen aan economisch leven door goederen te produceren en diensten aan te bieden
(bv openbaar vervoer)
Instaan voor aantal basisbehoeften burgers (bv gezondheidszorg)
Door publieke investeringen en subsidies bepaalde private initiatieven steunen en
aanmoedigen wanneer deze algemene belang dienen (bv subsidies zonnepanelen)
Basisidee:
Vroeger: overheid besliste eenzijdig, behartigen algemeen belang niet verwezenlijkt door
overleg met burgers, maar door uitoefening macht (vb verplichte legerdienst)
Heden: grote verschuiving naar meer participatie en inspraak* (vb bij aanvraag vergunning,
omwonenden 30 dagen de tijd om bezwaren in te dienen); steeds meer individuen trekken
gezag van overheid ook in vraag – door bv protesten)
= wederkerigheid van bestuursrecht* + toenemende mondigheid van de burger fundamentele
hertekening verhouding overheid en maatschappij
4
,2. Staatsrecht
= grondwettelijk recht, benaming binnen recht; constitutioneel recht publiekrecht in sensu stricto,
want fundament van publiekrecht
= fundamentele regels voor inrichting en de werking van de staat, alsook hun onderlinge relaties en
hun relaties tot burgers (+ rechten en vrijheden burgers)
Mensenrechten is hierbinnen cruciaal, een voorwaarde voor een rechtstaat
1) Voornaamste beginselen
Rechtsstaat, federale staat, representatieve democratie – de nationale soevereiniteit, parlementaire
monarchie, parlementaire democratie, scheiding van machten, scheiding kerk en staat, principe
exclusieve bevoegdheden en uitzonderingen, beginsel van federale loyauteit
2) Staatsrecht en politieke wetenschap
= beide bestuderen het functioneren van de staat toch een verschil:
Staatsrecht werd vroeger juridisch-formalistisch benaderd: vanuit strikt juridisch-oogpunt en
zich dus hoofdzakelijk toelegde op studie rechtsregels
Politieke wetenschap had meer causale benadering: onderzocht hoe macht in praktijk werkt;
welke belangen, partijen, en invloedssferen echt een rol spelen; en hoe gezagsdragers en
burgers zich werkelijk gedragen
groeiend besef in 20ste eeuw dat ze niet los van elkaar staan: recht niet begrijpen zonder besef hoe politiek
in praktijk werkt + politiek gedrag niet begrijpen zonder kennis juridische instellingen, regels die gedrag mogelijk maken
= ontstaan van wederzijdse bevruchting: staatsrecht rekening met politieke realiteit; politieke
wetenschap erkent belang juridische structuren
Voorbeelden:
USSR: op papier waren er mensenrechtenverdragen, maar in werkelijkheid werden deze
massaal geschonden
- Pacificatiewet: territorialiteitsbeginsel = elke regio gebruikt eigen bestuurstaal (bv NL in Vlaamse
stad door overheid gebruikt, in BXL twee talen)
Probleem in Voeren: José Happart weigerde NL te gebruiken in Vlaamse gemeente
politieke crisis: Franstaligen eisten dat Voeren bij WL zou komen (Retour à Liège), NL eiste
respect voor taalwetten
Pacificatiewet: Moeilijke, politiek gemotiveerde wet die uitzonderingsstatuten vastlegde
(Voeren, faciliteitengemeenten) om het conflict te beëindigen
= onbegrijpelijke wet voor juristen enkel begrepen in juridische context
5