Stam: weekdieren
Inhoud
1.1 Klasse: tweekleppigen........................................................................2
1.1.1 Voorbeeld: gewone mossel...........................................................2
1.2 Klasse: Slakken...................................................................................7
1.2.1 Gewone tuinslak...........................................................................7
1.2.2 Wulk............................................................................................11
1.2.3 Klasse: koppotigen......................................................................12
1
, Toegepaste dierkunde weekdieren
1.1 Klasse: tweekleppigen
Vastzittend, traag voortbewegend
Schelp twee helften samenklapbaar
Zijdelings afgeplat
1.1.1Voorbeeld: gewone mossel
Vasthechting rotsen baarddraden (met byssusdraden)
Leven in getijdenzones
Langzaam voortbewegen (met nieuwe baardraden)
Kleppen vastgehouden door ligament of slotband, trekt kleppen
uiteen
Samenstrekking door sluitspieren, dus kleppen worden actief
dichtgehouden, geen, geen spierkracht=> kleppen staan open
Opbouw mossel (schelp)
Schelp vooral kalk =>95%
Gevormd door mantelrand
Drie lagen
o Opperhuid of periostracum(chemische invloeden van buitenaf
tegenhouden)
o Prismalaag (kalkkristallen, calciet)
o Parelmoerlaag of hypostracum (kalkplaatjes, aragoniet)
Groeistreep (=groeiringen dicht tegen
elkaar)
o Voeding+ niet-gekwetst = leeftijd
Apex of top
Opbouw schelp: periostracum
Conchyoline
Bedekt volledige buitenkant schelp (bescherming)
Bruine kleur ± doorzichtig
Apex dikwijls beschadigd (bescherming weg)
o Onderliggende lagen dik genoeg
Gevormd door rand mantellobben
o Binnenkant buitenste plooi mantelrand
o Rand schelp: periostracum niet vast (krult aan
rand)
2