Inleiding
Inhoud
1.1 Verschillen pro- en eukaryoten...........................................................2
1.2 Dieren- of plantencel..........................................................................2
1.3 Kerndeling in de cel: mitose en meiose..............................................4
1.3.1 Celdeling en kerndeling................................................................4
1.3.2 Mitose...........................................................................................4
1.3.3 Meisose.........................................................................................5
1.4 Indeling van het dierenrijk..................................................................6
1.4.1 Classificatie-naamgeving..............................................................6
1.4.2 Indeling in rijken (whittaker).........................................................6
1.4.3 Classificatie VS cladificatie...........................................................6
1.5 Rijk: eencelligen (protozoa en chromista)...........................................8
1.5.1 Relevante stammen......................................................................8
1.5.2 STAM: trilhaardiertjes....................................................................9
1.5.3 STAM: amoeben..........................................................................12
1.5.4 STAM: zweephaardieren (Euglenozoa)........................................13
1.5.5 STAM: Metamonada....................................................................15
1.5.6 STAM: sporendiertjes(examen)...................................................17
1
,Toegepaste dierkunde Inleiding
Prokaryoten Eukaryoten
Organisme Bacteriën, Protisten, fungi, planten, dieren
n cyanobacteriën
Afmeting 1 tot 10 µm 5 tot 100 µm
cel
Metabolis Aeroob en anaeroob Aeroob
me
Organelle Weinig tot geen Kern, mitochondria,
n
chloroplasten, endoplasmatisch
reticulum
DNA Circulair in Lineair in kern
cytoplasma
RNA en In cytoplasma DNA ® RNA: kern
proteïne
RNA ® proteïne: cytoplasma
synthese
cytoplasm Geen cytoskelet Cytoskelet opgebouwd uit
a
proteïne filamenten
1.1 Verschillen pro- en eukaryoten
1.2 Dieren- of plantencel
Dierlijke cel:
Geen celwand → alleen een celmembraan.
Heeft een centrosoom → belangrijk bij de vorming van het
spoelfiguur tijdens de celdeling.
Geen plastiden (zoals chloroplasten).
Plantaardige cel:
Heeft een celwand van cellulose → zorgt voor stevigheid.
Geen centrosoom (soms wel poolkapjes als analoge structuren).
Plastiden aanwezig, zoals:
o Chloroplasten (fotosynthese)
o Chromoplasten (kleurstoffen)
2
, Toegepaste dierkunde Inleiding
o Amyloplasten (zetmeelopslag)
3