Grondwettelijk recht
1: Algemene inleiding: situering en omschrijving van het
Grondwettelijk recht
A. Het onderscheid tussen het publiekrecht en het
privaatrecht
Publiekrecht Privaatrecht
= recht dat handelen van de OH regelt: = recht dat relatie tussen burgers onderling,
- Verhouding tussen OH en onderdanen tussen burgers en private entiteiten (bv. NV) of
- Interne organisatie OH tussen private entiteiten onderling vastlegt
- Verhouding tussen onderscheiden (huwelijk, eigendom, …)
overheden (bv. Samenwerking federale
staat en deelstaten)
- Verhouding tussen staten
Onderverdeling in volgende takken: Onderverdeling in volgende takken:
- Grondwettelijk recht (publiekrecht - Burgerlijk recht (gemeen recht)
sensu stricto, staatsrecht, - Gerechtelijk privaatrecht
constitutioneel recht) - Verbintenissenrecht
- Administratief recht - Handelsrecht – economisch recht
- Budgettair recht - Sociaal recht: arbeidsrecht en sociaal
- Strafrecht – strafprocesrecht zekerheidsrecht
- Fiscaal recht - Internationaal privaatrecht
- Internationaal (publiek)recht
Kerngedachte: burger neemt ondergeschikte Kerngedachte: burgers mogen hun onderlinge
positie in t.o.v. de OH verhoudingen in beginsel zelf kiezen
- OH kan burger zaken - Wilsautonomie contractvrijheid,
opleggen/ontnemen indien zij dit nodig testeervrijheid
acht voor algemeen belang
- Neemt eenzijdige beslissingen
- OH beschikt vaak over ‘exorbitante’
bevoegdheden (bv. Onteigening,
coronamaatregelen, …)
Onderscheid valt te nuanceren:
- Publiekrecht geldt enkel tav OH indien zij optreedt in haar hoedanigheid van OH
o In privéhoedanigheid is ze onderworpen aan privaatrecht (bv. Huren van gebouw)
- Privépersonen kunnen bekleed worden met overheidstaak (bv. Concessie van een openbare
dienst)
o Dit wordt beheerst door bepalingen uit publiekrecht
- OH behartigt steeds meer taken via privaatrechtelijke weg + bepaalde publieke taken worden
toegekend aan privaatrechtelijke organisaties
- In privaatrecht wordt autonomie van burger begrensd door dwingende rechtsregels (bv.
Verbod op discriminatie bij huren)
- Rechtsstaat impliceert dat OH onderworpen is aan recht vrijheid van OH aan banden
1
,Het onderscheid vindt zijn oorsprong in de liberale staatsopvatting van de 19 e eeuw
- Het individu was houder van alle rechten en vrijheden
- OH nam slechts een beperkt aantal taken op zich “nachtwaker”: instaan voor interne en
externe veiligheid en collectieve basisstructuur
Nachtwakersstaat is geëvolueerd tot een sociale verzorgingsstaat, die ruime taken heeft
- Regels uitvaardigen die sociaal en financieel economisch leven sturen en regelen (bv.
Arbeidsrecht) + neemt deel aan economisch leven door goederen te produceren en diensten
aan te bieden (bv. Openbaar vervoer) + staat in voor aantal basisbehoeften van burgers (bv.
Onderwijs)
“wederkerigheid van het bestuursrecht”: vroeger moesten de burgers het maar aanvaarden, maar nu
wordt van de OH steeds vaker verwacht dat zij de burgers bij de besluitvorming betrekt (burgers
krijgen meer inspraak) + OH is vaak bij besluitvormingsprocedures verplicht om adviezen van
deskundige instanties te betrekken
- Burgers stellen gezagsoptreden van de OH vaak in vraag
- OH wordt steeds vaker gedwongen om bij besluitvorming rekening te houden met de wil van
de burger
B. Het grondwettelijk recht (‘staatsrecht’
‘constitutioneel recht’)
= publiekrecht sensu stricto = fundament van het publiekrecht
Het grondwettelijk recht houdt de fundamentele regels in voor de inrichting en de werking van de
staatsmachten, hun onderlinge relaties en hun relaties tot de burgers (grondrechten)
- Bestudeert de inrichting, organisatie en werking van de staatsmachten, de verhouding tussen
onderscheiden entiteiten binnen de staat, en de fundamentele rechten en vrijheden van
burgers
Voornaamste beginselen (Belgisch) Grondwettelijk recht
- Een rechtsstaat – bescherming van de mensenrechten
- Een federale staat
- Een representatieve democratie – de nationale soevereiniteit
- Een parlementaire monarchie
- Een parlementaire democratie
- De scheiding der machten – de onafhankelijke rechterlijke macht
- De scheiding van kerk en staat
- Het principe van de exclusieve bevoegdheden en de uitzondering daarop in het kader van de
bevoegdheidsverdeling
- Het territorialiteitsbeginsel
- Het beginsel van de federale loyauteit
Het grondwettelijk recht bestudeert ook de fundamentele rechten en vrijheden van burgers
2
, C. Grondwettelijk recht en politieke wetenschap
Verwantschap: richtten zich op functioneren van Staat
vroeger:
- Staatsrecht werd traditioneel op positivistisch-formalistische wijze benaderd = bestudeerd
vanuit juridisch oogpunt en legde zich dus hoofdzakelijk toe op studie van rechtsregels
- Causale benadering van politieke wetenschap = werkelijk bestaande verhoudingen en
invloedssferen binnen staatkundige bestel bestudeert werkelijke verhoudingen tussen
gezagsdragers en burgers
o Ook bv. Partijsystemen, electorale procedures, … komen aan bod
Sinds kort sprake van wederzijdse bevruchting:
- 20ste eeuw: Grondwettelijk recht richt zich meer op de realistische beoefening ervan: ook
aandacht naar politieke en maatschappelijke machtsverhoudingen hierdoor kan men
bepaalde evoluties vatten (bv. Staatshervormingen)
- Politieke wetenschapper: inzicht in politieke gebeurtenissen en ontwikkelingen vereist ook
inzicht in rechtsregels die de werking en samenstelling van politieke organen beheersen
o Ook inzicht in grondrechten van burgers vereist: determineren verhouding tussen
Staat en burgers
o Politiek gaat aan het grondwettelijk recht vooraf – Staatsrecht bepaalt hoe politiek
kan worden bedreven
- Bv. Kloof tussen verdragen over mensenrechten die USSR had ondertekend en de feitelijke
sovjetpraktijken
- Bv. Belgische Gw. Gaat nog steeds uit van juridische voorrang van WM, in realiteit heeft UM
(regering) voorrang verkregen door toenemend overheidsoptreden
- Bv. Pacificatiewet (= wet om vrede te stichten)
o Probleem: communautaire spanningen na 2de staatshervorming: burgemeester moest
in functie Nederlands gebruiken, maar weigert – in Kraainem weigert voorzitter
OCMW ook
o opgelost met pacificatiewet voor faciliteitengemeentes
2: Historische inleiding
A. Periode voor 1831
Voor Franse revolutie: absolute macht van de vorst 1 staatsmacht = koning
- Oppermachtig staatshoofd (l’état, c’est moi)
- Macht van de standen (burgerij, adel, clerus)
Franse Revolutie (1789)
- Verkozen parlement, maar beperkt stemrecht (alleen clerus, adel en hoge burgerij)
- Scheiding der machten (Montesqieu)
- Déclaration de droits de l’homme et du citoyen (BE Gw. Is hierop gebaseerd) – OH moet
grondrechten en eigen rechtsregels respecteren – beginsel van de rechtsstaat
3
, Franse periode (1795-1814) en Nederlandse periode (1815-1830): opnieuw absolutisme
- O.m. “conflictenbesluit” waardoor Willem I, wnr de OH in een geschil was betrokken, de zaak
aan de bevoegdheid van de rechter kon onttrekken en zelf kon beslissen
o ‘aversie’: veel wantrouwen tav koning
B. Belangrijkste tendensen in periode vanaf 1831
1: Proces van democratisering
1831-1893: cijnskiesrecht, geen stemplicht
1893: algemeen meervoudig stemrecht voor mannen – herziening van Gw.
- Ieder man ten minste 1 stem, sommige mannen 2 of zelfs 3 stemmen (censitair en capacitair
stemrecht)
- Invoering van de stemplicht (eigenlijk opkomstplicht)
- Resulteert in verschuiving in partijverhoudingen: einde van het tweepartijenstelsel
1899: afschaffing van het meerderheidsstelsel; invoering van de evenredige vertegenwoordiging
1921: Grondwetsherziening voor de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht
- Mogelijkheid om vrouwenstemrecht in te voeren (heeft nog geduurd tot 1948)
2002: invoeging van art. 11bis Gw. = grondwettelijke basis voor maatregelen ter bevordering van
deelname van vrouwen aan politieke mandaten
Beperkt stemrecht voor niet-Belgen
1992: Verdrag van Maastricht (Verdrag betreffende de Europese Unie
- Burgerschap van de Europese Unie voor eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit
(o.a. kiesrecht bij verkiezingen van Europees parlement en gemeenteraden)
- <-> art. 8, lid 2 Gw.: stemrecht aan de Belgen voorbehouden
1998: herziening van art. 8 Gw.
- Betreft stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen
- Uitgebreid tot de in België verblijvende niet-EU-onderdanen voor gemeenteraad en OCMW-
raad
2: Taalstrijd en -wetgeving
1795-1814: Franse overheersing zorgt voor verfransing
- Frans werd taal van bestuur, gerecht en akten
1815-1830: taalpolitiek Willem I stelt Nederlands op de voorgrond: één van de aanleidingen tot
Belgische revolutie
Grondwet 1831: art. 30: gebruik van de in België gesproken talen is vrij….
4
1: Algemene inleiding: situering en omschrijving van het
Grondwettelijk recht
A. Het onderscheid tussen het publiekrecht en het
privaatrecht
Publiekrecht Privaatrecht
= recht dat handelen van de OH regelt: = recht dat relatie tussen burgers onderling,
- Verhouding tussen OH en onderdanen tussen burgers en private entiteiten (bv. NV) of
- Interne organisatie OH tussen private entiteiten onderling vastlegt
- Verhouding tussen onderscheiden (huwelijk, eigendom, …)
overheden (bv. Samenwerking federale
staat en deelstaten)
- Verhouding tussen staten
Onderverdeling in volgende takken: Onderverdeling in volgende takken:
- Grondwettelijk recht (publiekrecht - Burgerlijk recht (gemeen recht)
sensu stricto, staatsrecht, - Gerechtelijk privaatrecht
constitutioneel recht) - Verbintenissenrecht
- Administratief recht - Handelsrecht – economisch recht
- Budgettair recht - Sociaal recht: arbeidsrecht en sociaal
- Strafrecht – strafprocesrecht zekerheidsrecht
- Fiscaal recht - Internationaal privaatrecht
- Internationaal (publiek)recht
Kerngedachte: burger neemt ondergeschikte Kerngedachte: burgers mogen hun onderlinge
positie in t.o.v. de OH verhoudingen in beginsel zelf kiezen
- OH kan burger zaken - Wilsautonomie contractvrijheid,
opleggen/ontnemen indien zij dit nodig testeervrijheid
acht voor algemeen belang
- Neemt eenzijdige beslissingen
- OH beschikt vaak over ‘exorbitante’
bevoegdheden (bv. Onteigening,
coronamaatregelen, …)
Onderscheid valt te nuanceren:
- Publiekrecht geldt enkel tav OH indien zij optreedt in haar hoedanigheid van OH
o In privéhoedanigheid is ze onderworpen aan privaatrecht (bv. Huren van gebouw)
- Privépersonen kunnen bekleed worden met overheidstaak (bv. Concessie van een openbare
dienst)
o Dit wordt beheerst door bepalingen uit publiekrecht
- OH behartigt steeds meer taken via privaatrechtelijke weg + bepaalde publieke taken worden
toegekend aan privaatrechtelijke organisaties
- In privaatrecht wordt autonomie van burger begrensd door dwingende rechtsregels (bv.
Verbod op discriminatie bij huren)
- Rechtsstaat impliceert dat OH onderworpen is aan recht vrijheid van OH aan banden
1
,Het onderscheid vindt zijn oorsprong in de liberale staatsopvatting van de 19 e eeuw
- Het individu was houder van alle rechten en vrijheden
- OH nam slechts een beperkt aantal taken op zich “nachtwaker”: instaan voor interne en
externe veiligheid en collectieve basisstructuur
Nachtwakersstaat is geëvolueerd tot een sociale verzorgingsstaat, die ruime taken heeft
- Regels uitvaardigen die sociaal en financieel economisch leven sturen en regelen (bv.
Arbeidsrecht) + neemt deel aan economisch leven door goederen te produceren en diensten
aan te bieden (bv. Openbaar vervoer) + staat in voor aantal basisbehoeften van burgers (bv.
Onderwijs)
“wederkerigheid van het bestuursrecht”: vroeger moesten de burgers het maar aanvaarden, maar nu
wordt van de OH steeds vaker verwacht dat zij de burgers bij de besluitvorming betrekt (burgers
krijgen meer inspraak) + OH is vaak bij besluitvormingsprocedures verplicht om adviezen van
deskundige instanties te betrekken
- Burgers stellen gezagsoptreden van de OH vaak in vraag
- OH wordt steeds vaker gedwongen om bij besluitvorming rekening te houden met de wil van
de burger
B. Het grondwettelijk recht (‘staatsrecht’
‘constitutioneel recht’)
= publiekrecht sensu stricto = fundament van het publiekrecht
Het grondwettelijk recht houdt de fundamentele regels in voor de inrichting en de werking van de
staatsmachten, hun onderlinge relaties en hun relaties tot de burgers (grondrechten)
- Bestudeert de inrichting, organisatie en werking van de staatsmachten, de verhouding tussen
onderscheiden entiteiten binnen de staat, en de fundamentele rechten en vrijheden van
burgers
Voornaamste beginselen (Belgisch) Grondwettelijk recht
- Een rechtsstaat – bescherming van de mensenrechten
- Een federale staat
- Een representatieve democratie – de nationale soevereiniteit
- Een parlementaire monarchie
- Een parlementaire democratie
- De scheiding der machten – de onafhankelijke rechterlijke macht
- De scheiding van kerk en staat
- Het principe van de exclusieve bevoegdheden en de uitzondering daarop in het kader van de
bevoegdheidsverdeling
- Het territorialiteitsbeginsel
- Het beginsel van de federale loyauteit
Het grondwettelijk recht bestudeert ook de fundamentele rechten en vrijheden van burgers
2
, C. Grondwettelijk recht en politieke wetenschap
Verwantschap: richtten zich op functioneren van Staat
vroeger:
- Staatsrecht werd traditioneel op positivistisch-formalistische wijze benaderd = bestudeerd
vanuit juridisch oogpunt en legde zich dus hoofdzakelijk toe op studie van rechtsregels
- Causale benadering van politieke wetenschap = werkelijk bestaande verhoudingen en
invloedssferen binnen staatkundige bestel bestudeert werkelijke verhoudingen tussen
gezagsdragers en burgers
o Ook bv. Partijsystemen, electorale procedures, … komen aan bod
Sinds kort sprake van wederzijdse bevruchting:
- 20ste eeuw: Grondwettelijk recht richt zich meer op de realistische beoefening ervan: ook
aandacht naar politieke en maatschappelijke machtsverhoudingen hierdoor kan men
bepaalde evoluties vatten (bv. Staatshervormingen)
- Politieke wetenschapper: inzicht in politieke gebeurtenissen en ontwikkelingen vereist ook
inzicht in rechtsregels die de werking en samenstelling van politieke organen beheersen
o Ook inzicht in grondrechten van burgers vereist: determineren verhouding tussen
Staat en burgers
o Politiek gaat aan het grondwettelijk recht vooraf – Staatsrecht bepaalt hoe politiek
kan worden bedreven
- Bv. Kloof tussen verdragen over mensenrechten die USSR had ondertekend en de feitelijke
sovjetpraktijken
- Bv. Belgische Gw. Gaat nog steeds uit van juridische voorrang van WM, in realiteit heeft UM
(regering) voorrang verkregen door toenemend overheidsoptreden
- Bv. Pacificatiewet (= wet om vrede te stichten)
o Probleem: communautaire spanningen na 2de staatshervorming: burgemeester moest
in functie Nederlands gebruiken, maar weigert – in Kraainem weigert voorzitter
OCMW ook
o opgelost met pacificatiewet voor faciliteitengemeentes
2: Historische inleiding
A. Periode voor 1831
Voor Franse revolutie: absolute macht van de vorst 1 staatsmacht = koning
- Oppermachtig staatshoofd (l’état, c’est moi)
- Macht van de standen (burgerij, adel, clerus)
Franse Revolutie (1789)
- Verkozen parlement, maar beperkt stemrecht (alleen clerus, adel en hoge burgerij)
- Scheiding der machten (Montesqieu)
- Déclaration de droits de l’homme et du citoyen (BE Gw. Is hierop gebaseerd) – OH moet
grondrechten en eigen rechtsregels respecteren – beginsel van de rechtsstaat
3
, Franse periode (1795-1814) en Nederlandse periode (1815-1830): opnieuw absolutisme
- O.m. “conflictenbesluit” waardoor Willem I, wnr de OH in een geschil was betrokken, de zaak
aan de bevoegdheid van de rechter kon onttrekken en zelf kon beslissen
o ‘aversie’: veel wantrouwen tav koning
B. Belangrijkste tendensen in periode vanaf 1831
1: Proces van democratisering
1831-1893: cijnskiesrecht, geen stemplicht
1893: algemeen meervoudig stemrecht voor mannen – herziening van Gw.
- Ieder man ten minste 1 stem, sommige mannen 2 of zelfs 3 stemmen (censitair en capacitair
stemrecht)
- Invoering van de stemplicht (eigenlijk opkomstplicht)
- Resulteert in verschuiving in partijverhoudingen: einde van het tweepartijenstelsel
1899: afschaffing van het meerderheidsstelsel; invoering van de evenredige vertegenwoordiging
1921: Grondwetsherziening voor de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht
- Mogelijkheid om vrouwenstemrecht in te voeren (heeft nog geduurd tot 1948)
2002: invoeging van art. 11bis Gw. = grondwettelijke basis voor maatregelen ter bevordering van
deelname van vrouwen aan politieke mandaten
Beperkt stemrecht voor niet-Belgen
1992: Verdrag van Maastricht (Verdrag betreffende de Europese Unie
- Burgerschap van de Europese Unie voor eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit
(o.a. kiesrecht bij verkiezingen van Europees parlement en gemeenteraden)
- <-> art. 8, lid 2 Gw.: stemrecht aan de Belgen voorbehouden
1998: herziening van art. 8 Gw.
- Betreft stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen
- Uitgebreid tot de in België verblijvende niet-EU-onderdanen voor gemeenteraad en OCMW-
raad
2: Taalstrijd en -wetgeving
1795-1814: Franse overheersing zorgt voor verfransing
- Frans werd taal van bestuur, gerecht en akten
1815-1830: taalpolitiek Willem I stelt Nederlands op de voorgrond: één van de aanleidingen tot
Belgische revolutie
Grondwet 1831: art. 30: gebruik van de in België gesproken talen is vrij….
4