BIOCHEMIE
HOOFDSTUK I: BIOMOLECULEN
Aminozuren
ALGEMENE STRUCTUUR EN OPTISCHE EIGENSCHAPPEN
Aminozuren hebben een centraal koolstofatoom (Cα) waaraan een aminogroep, een carboxylgroep, een waterstofatoom en een
specifieke zijketen (R-groep) zijn gebonden
De meeste aminozuren zijn chiraal (optisch actief), met uitzondering van Glycine, dat geen asymmetrisch centrum heeft en
daardoor een grotere conformationele flexibiliteit bezit
Nomenclatuur: conventie om koolstoffen te benoemen: C1 is van de carboxylgroep van het aminozuur, ofwel de centrale koolstof
is 2; deze wordt ook de alfa-koolstof genoemd, in dat geval telt de C van de carboxylgroep niet mee en tel je gewoon verder
naar de zijketen
INDELING VAN AMINOZUREN VOLGENS EIGENSCHAPPEN ZIJKETENS
Nonpolaire Aminozuren met Alifatische Zijketens (6)
Algemene kenmerken: inerte, alifatische zijketens; nonpolair, hydrofoob, en missen functionele groepen en dus reactiviteit
Zijketens clusteren samen in waterige omgevingen eiwitten (= stabieler door hydrofobe interacties)
Glycine is een specialeke: enige niet-asymmetrische AZ aangezien de zijketen = H; hierdoor grotere conformationele flexibiliteit
(want geen sterische hindering rotatie rond as mogelijk)
o Bij onderzoeken van eiwitsequenties: veel G’s achter elkaar wijst op mogelijk scharnier belang voor functionaliteit
Alanine, Valine, Leucine, Isoleucine en Methionine
o Verschillende vormen dragen bij tot structuur van de eiwitten
Methionine bevat een thioether en heeft een extra asymmetrisch centrum
Alanine is heel belangrijk voor In vitro mutagenesis: doelbewust bepaald AZ waarvan we ons afvragen of het al dat niet van
belang is voor bepaalde interactie, vervangen door alanine (codon) en kijken naar gevolgen; = zijketen ‘eraf knippen’
,Aminozuren met Aromatische R-groepen (3)
Fenylalanine: heel hydrofoob en weinig reactief, apolair
Tyrosine onderscheidt zich door een -OH groep, waardoor het
intermediair polair is, kan deelnemen aan H-bruggen, fungeert als
functionele groep in enzymen, en een fosforylatieplaats kan zijn voor
tyrosinekinasen: zijn cruciaal voor signaaltransductie, vaak in
groeifactoren op hol geslagen bij kankercellen
Tryptofaan: intermediair polair door snikstof in de indolring; grootste zijketen; komt heel weinig voor in een eiwit
Absorberen uv-licht: via spectrofotmetrie kan eiwitconcentratie bepaald worden want veel/weinig eiwit = veel/weinig aromatische
groepen en dus ook veel/weinig absorptie (bij vast bepaalde golflengte dus geeft duidelijke meting)
Aminozuren met Polaire Ongeladen R-groepen
Cysteïne
o Bevat een -SH groep, waardoor het polair is; heeft een pKa van 8,2
o Twee cysteïnes kunnen geoxideerd worden en een zwavelbrug vormen (= covalente binding, molecule cystine genoemd);
kan ook in eiwit als de zijketens dicht bij elkaar komen te liggen
o Vaak een belangrijke, sterk nucleofiele katalytische groep in enzymen
Serine en Threonine
o Bevatten -OH groepen, zijn polair; kunnen worden gefosforyleerd (enzymactivatie) en nemen deel aan H-bruggen
Asparagine en Glutamine
o Amiden, polair en kunnen H-bruggen vormen
Proline
o Prof bespreekt dit ook al met de non-polaire AZ maar is weldegelijk cyclisch
gematigd polair
o Rigide vanwege de ringstructuur
o Neemt niet deel aan H-bruggen
o Veroorzaakt een 'knikvorming' in de peptideketen, waarbij de 'trans'-configuratie van de Cα's het gunstigst is, maar de
'cis'-configuratie niet zo ongunstig is als bij andere aminozuren
,Aminozuren met Positief Geladen R-groepen
1. Arginine en Lysine
o Lysine heeft een primaire aminegroep
o Arginine heeft een guanidinogroep
o Beiden hebben een pKa van ongeveer 10
2. Histidine
o Bevat een imidazolring
o Heeft een pKa van ongeveer 7, wat betekent dat het bij fysiologische pH (7) voor ongeveer 50% geladen en 50%
ongeladen is
o Kan functioneren als elektrofiele donor van H-bruggen en als zeer
nucleofiele acceptor van H-bruggen.
o De imidazolring is vlak en kan zowel een amine als een tertiair
amine bevatten.
Aminozuren met Negatief Geladen R-groepen
Asparaginezuur (D) en Glutaminezuur (E)
Hebben respectievelijk een pKa van 3,65 en 4,25 en zijn dus volledig geïoniseerd bij
fysiologische pH en zeer polair
Kunnen metalen en kationen cheleren (stevig omsluiten --> ringstructuur)
Suikers
Monosachariden en disachariden: Enkelvoudige en tweevoudige suikers
Polysachariden: Polymeren van suikers (bijv. zetmeel, glycogeen, cellulose, chitine)
Glycoconjugaten: Conjugaten van suikers met andere moleculen (bijv. proteoglycanen, glycoproteïnen, glycolipiden)
MONO- EN DISACHARIDEN
Fysiologisch belangrijk monosachariden: pentosen en hexosen
D- staat voor dextro = ‘rechts’; gaat over ruimtelijke oriëntatie
o D-glucose (Glc): ‘de’ suiker van het menselijk lichaam; via bloed
verdeeld, levert energie voor weefsels
In fruitsappen, door hydrolyse van zetmeel, rietsuiker,
bietsuiker
In disachariden: maltose en lactose (door hydrolyse isoleren)
o D-fructose (Fru): wordt omgezet in glucose in de lever en draagt zo ook bij aan de energievoorraad van weefsels
Ook in fruitsappen en honing, door hydrolyse riet- en biersuiker
, o D-galactose (Gal): kan ook in lever worden omgezet tot glucose; aangemaakt in borstklier om lactose (melk) te maken
Hydrolyse van lactose
Belangrijk bestanddeel van glycolipiden en glycoproteïnen
o D-ribose (Rib): belangrijk bestanddeel van nucleïnezuren en co-enzymen
Fysiologisch belangrijk disachariden:
o Maltose: Glc(a14)Glc
Intermediair in spijsvertering van zetmeel: via hydrolyse of digestie met amylase
In ontkiemende granen en mout
o Lactose: Gal(ß14a)Glc
Melk: belangrijke voedingsbron; gesplitst door lactase
o Sucrose: Fru(ß21a)Glc
In rietsuiker, bietsuiker, sorghum, ananas, worteltjes
Belangrijke voedingsbron in groenten en fruit
Hexosederivaten
Slide met moleculen: niet kennen maar wel weten tot welke grote categorieën een molecule behoort
Aminosuikers: een van de OH-groepen vervangen door aminogroep kan je van elke hexose wel vinden
o Op die aminegroep zelf kunnen nog complexe moleculen zijn gebouwd of restgroep
o Komt voor bij suikerketens van glycoproteïnen etc.; wordt hier aangehaald om idee te hebben over wat het gaat
Fosfaat groep erop: intermediair glycolyse
Deoxysuikers: zuurstof minder dan anders
Suikerzuren: zuurgroep erop -uconzuur of -onzuur afhankelijk van waar zuurgroep staat
Extra’s in cursus hoef je niet te kennen, verwantschap met glucose belangrijk
FYSIOLOGISCH BELANGRIJKE POLYSACHARIDEN
Suikerpolymeren met medium tot hoog moleculair gewicht; verschillen onderling van elkaar wat betreft identiteit van hun
monomere bestanddelen, type glycosidische binding, ketenlengte en graad van vertakking
o Homopolysachariden heteropolysachariden; telkens al dan niet vertakt
Opslag van metabole brandstof:
o Zetmeel (planten): homopolysacharide maar twee soorten: amylose Glc(a14)Glc altijd onvertakt; en amylopectine
met dezelfde ketens maar om de 24-30 residu’s een (a16) vertakking
o Glycogeen (dieren): homopolysacharide van Glc(a14)Glc en veel vertakkingen Glc(a16)Glc; vertrekkende van
centraal eiwit glycogenine; elke tak is eigenlijk vrij kort, niet één hoofdtak met zijtakken belang voor afbraak
HOOFDSTUK I: BIOMOLECULEN
Aminozuren
ALGEMENE STRUCTUUR EN OPTISCHE EIGENSCHAPPEN
Aminozuren hebben een centraal koolstofatoom (Cα) waaraan een aminogroep, een carboxylgroep, een waterstofatoom en een
specifieke zijketen (R-groep) zijn gebonden
De meeste aminozuren zijn chiraal (optisch actief), met uitzondering van Glycine, dat geen asymmetrisch centrum heeft en
daardoor een grotere conformationele flexibiliteit bezit
Nomenclatuur: conventie om koolstoffen te benoemen: C1 is van de carboxylgroep van het aminozuur, ofwel de centrale koolstof
is 2; deze wordt ook de alfa-koolstof genoemd, in dat geval telt de C van de carboxylgroep niet mee en tel je gewoon verder
naar de zijketen
INDELING VAN AMINOZUREN VOLGENS EIGENSCHAPPEN ZIJKETENS
Nonpolaire Aminozuren met Alifatische Zijketens (6)
Algemene kenmerken: inerte, alifatische zijketens; nonpolair, hydrofoob, en missen functionele groepen en dus reactiviteit
Zijketens clusteren samen in waterige omgevingen eiwitten (= stabieler door hydrofobe interacties)
Glycine is een specialeke: enige niet-asymmetrische AZ aangezien de zijketen = H; hierdoor grotere conformationele flexibiliteit
(want geen sterische hindering rotatie rond as mogelijk)
o Bij onderzoeken van eiwitsequenties: veel G’s achter elkaar wijst op mogelijk scharnier belang voor functionaliteit
Alanine, Valine, Leucine, Isoleucine en Methionine
o Verschillende vormen dragen bij tot structuur van de eiwitten
Methionine bevat een thioether en heeft een extra asymmetrisch centrum
Alanine is heel belangrijk voor In vitro mutagenesis: doelbewust bepaald AZ waarvan we ons afvragen of het al dat niet van
belang is voor bepaalde interactie, vervangen door alanine (codon) en kijken naar gevolgen; = zijketen ‘eraf knippen’
,Aminozuren met Aromatische R-groepen (3)
Fenylalanine: heel hydrofoob en weinig reactief, apolair
Tyrosine onderscheidt zich door een -OH groep, waardoor het
intermediair polair is, kan deelnemen aan H-bruggen, fungeert als
functionele groep in enzymen, en een fosforylatieplaats kan zijn voor
tyrosinekinasen: zijn cruciaal voor signaaltransductie, vaak in
groeifactoren op hol geslagen bij kankercellen
Tryptofaan: intermediair polair door snikstof in de indolring; grootste zijketen; komt heel weinig voor in een eiwit
Absorberen uv-licht: via spectrofotmetrie kan eiwitconcentratie bepaald worden want veel/weinig eiwit = veel/weinig aromatische
groepen en dus ook veel/weinig absorptie (bij vast bepaalde golflengte dus geeft duidelijke meting)
Aminozuren met Polaire Ongeladen R-groepen
Cysteïne
o Bevat een -SH groep, waardoor het polair is; heeft een pKa van 8,2
o Twee cysteïnes kunnen geoxideerd worden en een zwavelbrug vormen (= covalente binding, molecule cystine genoemd);
kan ook in eiwit als de zijketens dicht bij elkaar komen te liggen
o Vaak een belangrijke, sterk nucleofiele katalytische groep in enzymen
Serine en Threonine
o Bevatten -OH groepen, zijn polair; kunnen worden gefosforyleerd (enzymactivatie) en nemen deel aan H-bruggen
Asparagine en Glutamine
o Amiden, polair en kunnen H-bruggen vormen
Proline
o Prof bespreekt dit ook al met de non-polaire AZ maar is weldegelijk cyclisch
gematigd polair
o Rigide vanwege de ringstructuur
o Neemt niet deel aan H-bruggen
o Veroorzaakt een 'knikvorming' in de peptideketen, waarbij de 'trans'-configuratie van de Cα's het gunstigst is, maar de
'cis'-configuratie niet zo ongunstig is als bij andere aminozuren
,Aminozuren met Positief Geladen R-groepen
1. Arginine en Lysine
o Lysine heeft een primaire aminegroep
o Arginine heeft een guanidinogroep
o Beiden hebben een pKa van ongeveer 10
2. Histidine
o Bevat een imidazolring
o Heeft een pKa van ongeveer 7, wat betekent dat het bij fysiologische pH (7) voor ongeveer 50% geladen en 50%
ongeladen is
o Kan functioneren als elektrofiele donor van H-bruggen en als zeer
nucleofiele acceptor van H-bruggen.
o De imidazolring is vlak en kan zowel een amine als een tertiair
amine bevatten.
Aminozuren met Negatief Geladen R-groepen
Asparaginezuur (D) en Glutaminezuur (E)
Hebben respectievelijk een pKa van 3,65 en 4,25 en zijn dus volledig geïoniseerd bij
fysiologische pH en zeer polair
Kunnen metalen en kationen cheleren (stevig omsluiten --> ringstructuur)
Suikers
Monosachariden en disachariden: Enkelvoudige en tweevoudige suikers
Polysachariden: Polymeren van suikers (bijv. zetmeel, glycogeen, cellulose, chitine)
Glycoconjugaten: Conjugaten van suikers met andere moleculen (bijv. proteoglycanen, glycoproteïnen, glycolipiden)
MONO- EN DISACHARIDEN
Fysiologisch belangrijk monosachariden: pentosen en hexosen
D- staat voor dextro = ‘rechts’; gaat over ruimtelijke oriëntatie
o D-glucose (Glc): ‘de’ suiker van het menselijk lichaam; via bloed
verdeeld, levert energie voor weefsels
In fruitsappen, door hydrolyse van zetmeel, rietsuiker,
bietsuiker
In disachariden: maltose en lactose (door hydrolyse isoleren)
o D-fructose (Fru): wordt omgezet in glucose in de lever en draagt zo ook bij aan de energievoorraad van weefsels
Ook in fruitsappen en honing, door hydrolyse riet- en biersuiker
, o D-galactose (Gal): kan ook in lever worden omgezet tot glucose; aangemaakt in borstklier om lactose (melk) te maken
Hydrolyse van lactose
Belangrijk bestanddeel van glycolipiden en glycoproteïnen
o D-ribose (Rib): belangrijk bestanddeel van nucleïnezuren en co-enzymen
Fysiologisch belangrijk disachariden:
o Maltose: Glc(a14)Glc
Intermediair in spijsvertering van zetmeel: via hydrolyse of digestie met amylase
In ontkiemende granen en mout
o Lactose: Gal(ß14a)Glc
Melk: belangrijke voedingsbron; gesplitst door lactase
o Sucrose: Fru(ß21a)Glc
In rietsuiker, bietsuiker, sorghum, ananas, worteltjes
Belangrijke voedingsbron in groenten en fruit
Hexosederivaten
Slide met moleculen: niet kennen maar wel weten tot welke grote categorieën een molecule behoort
Aminosuikers: een van de OH-groepen vervangen door aminogroep kan je van elke hexose wel vinden
o Op die aminegroep zelf kunnen nog complexe moleculen zijn gebouwd of restgroep
o Komt voor bij suikerketens van glycoproteïnen etc.; wordt hier aangehaald om idee te hebben over wat het gaat
Fosfaat groep erop: intermediair glycolyse
Deoxysuikers: zuurstof minder dan anders
Suikerzuren: zuurgroep erop -uconzuur of -onzuur afhankelijk van waar zuurgroep staat
Extra’s in cursus hoef je niet te kennen, verwantschap met glucose belangrijk
FYSIOLOGISCH BELANGRIJKE POLYSACHARIDEN
Suikerpolymeren met medium tot hoog moleculair gewicht; verschillen onderling van elkaar wat betreft identiteit van hun
monomere bestanddelen, type glycosidische binding, ketenlengte en graad van vertakking
o Homopolysachariden heteropolysachariden; telkens al dan niet vertakt
Opslag van metabole brandstof:
o Zetmeel (planten): homopolysacharide maar twee soorten: amylose Glc(a14)Glc altijd onvertakt; en amylopectine
met dezelfde ketens maar om de 24-30 residu’s een (a16) vertakking
o Glycogeen (dieren): homopolysacharide van Glc(a14)Glc en veel vertakkingen Glc(a16)Glc; vertrekkende van
centraal eiwit glycogenine; elke tak is eigenlijk vrij kort, niet één hoofdtak met zijtakken belang voor afbraak