HOOFDSTUK 1: LEES(ONTWIKKELINGS)THEORIEËN 15
HOOFDSTUK 2: HET DYSLEXIEDEBAT 28
HOOFDSTUK 3: COGNITIEVE OORZAKEN/DYSLEXIE IN DE PRAKTIJK 41
HOOFDSTUK 4: DYSCALCULIE 50
HOOFDSTUK 5: DYSCALCULIE (2) 59
HOOFDSTUK 6: DE NEUROBIOLOGIE VAN LEREN EN LEERSTOORNISSEN 72
HOOFDSTUK 7: HOOGBEGAAFDHEID 90
HOOFDSTUK 8: ZITTENBLIJVEN 104
GASTCOLLEGE: METACOGNITIE 118
GASTCOLLEGE: INCLUSIEF ONDERWIJS EN GELIJKE ONDERWIJSKANSEN 126
1
, Onderwijspsychologie en leerstoornissen
INLEIDING
LEERSTOORNISSEN
ONTWIKKELINGSSTOORNIS
• Neurologische of psychische aandoening die ‘normale’ ontwikkeling verstoord
o Breed begrip: continuüm van subjectieve impact
o Treedt vroeg in kindertijd op
• Voorbeelden
o ASS
o ADHD
o Leerstoornissen
o …
• Gelaagde problematiek
o Impact op verschillende aspecten
▪ Als iemand niet goed kan leren, heeft dit een blijvend effect op bvb andere
stoornissen
o Symptomen vaak ook ontwikkelingsstoornis x omgeving
▪ Neurodiversiteit
• Term neurodiversiteit in opmars als verzamelterm
o Loskomen van strikte labels/diagnoses
o Spectrum idee
• Eigenschappen die voordelig en nadelig kunnen zijn
o Hyperfocus, prikkelgevoeligheid
▪ Hyperfocus: gaan bvb beter presteren
o Belangrijk: kijken naar het eigenschap in de context
▪ Niet kijken naar “is het eigenschap in het algemeen slecht?”
LEERPROBLEMEN
• Vaak gaan ontwikkelingsstoornissen gepaard met leerproblemen
• Geen biologische basis, is geen leerstoornis
• ‘alledaagse moeilijkheden bij het leren’
o Individuele factoren
▪ Motivatie
▪ Langdurige ziekte
o Omgevingsfactoren
▪ Beperkte opvolging thuis
▪ Moeilijke thuissituatie (geen rustige plek voor huiswerk)
• Tijdelijk?
o Leerstoornissen: zitten vast in de neurobiologie, is vaak blijvend
o Leerproblemen: niet het geval, vaak tijdelijk
2
,LEERPROBLEMEN VS LEERSTOORNISSEN
• Leerproblemen breder dan leerstoornissen
o Elke leerstoornis veroorzaakt leerproblemen
o Maar niet elk leerprobleem is een leerstoornis
• Specifieke leerstoornis: vb dyslexie, dyscalculie, …
o Specificiteit in verminderde mogelijkheden
▪ De moeilijkheid zit meestal in 1 bepaald domein
▪ Bvb slim kind, normaal IQ, maar toch ernstige problemen met lezen
• Niet alles verloopt moeilijk, maar een specifiek onderdeel wel
o Specificiteit paradox: quid comorbiditeit
▪ Hoewel een leerstoornis “specifiek” heet, komen er vaak nog andere problemen
samen voor: comorbiditeit
▪ Dus de paradox is: men noemt het een “specifieke” leerstoornis, maar in
werkelijkheid zijn er vaak meerdere problemen tegelijk!
• ‘Stoornis’ → Bij een stoornis zijn er duidelijke wetenschappelijke criteria opgesteld. (DSM-5)
o DSM-5: Specifieke Leerstoornis
▪ A: Moeite met het aanleren en gebruiken van schoolse vaardigheden, zoals blijkt
uit de persisterende aanwezigheid van minstens 1 van volgende symptomen
gedurende minstens 6 maanden, ondanks interventie gericht op deze
moeilijkheden (blauw: dyslexie, rood: dyscalculie)
• Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen van woorden (leest
bvb losse woorden fout of langzaam en aarzelend hardop voor, raadt
vaak woorden, heeft problemen met het goed uitspreken van woorden)
• Moeite om de betekenis te begrijpen van wat wordt gelezen (kan bvb de
tekst correct lezen, maar begrijpt de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen
of diepere betekenis van het gelezene niet)
• Moeite met spelling (voegt bvb klinkers en medeklinkers toe, laat ze
weg, of vervangt ze)
• Moeite met zich schriftelijk uit te drukken (maakt bvb in zinnen talloze
grammaticale of interpunctiefouten, deelt de alinea’s slecht in; zijn of
haar schriftelijke weergave van ideeën is niet helder)
• Moeite met het zich eigen maken van gevoel voor en feiten rond
getallen en berekeningen (begrijpt bvb getallen niet goed, begrijpt hun
grootte en onderlinge relaties niet; telt op de vingers om getallen onder
de 10 op te tellen ipv de rekenregels te gebruiken zoals leeftijdsgenoten
dat doen; raakt de draad kwijt in een berekening en wisselt van aanpak)
• Moeite met cijfermatig redeneren (heeft bvb veel moeite met het
toepassen van cijfermatige concepten, feiten of procedures om
kwantitatieve problemen op te lossen)
▪ B: De betreffende schoolse vaardigheden zijn substantieel en meetbaar
slechter ontwikkeld dan gezien de kalenderleeftijd verwacht mag worden en
hebben een significant negatieve invloed op de schoolresultaten en
werkprestaties, of op de alledaagse activiteiten, wat wordt bevestigd door bij de
betrokkene afgenomen gestandaardiseerde prestatietests en een volledig
onderzoek. Bij mensen ouder dan 17 jaar kan het gestandaardiseerde onderzoek
vervangen worden door een gedocumenteerde voorgeschiedenis van tot
beperkingen leidende problemen
3
, ▪ C: De leerproblemen beginnen tijdens de schooljaren, maar worden soms pas
echt manifest op het moment dat de betreffende schoolse vaardigheden
zwaarder belast worden dan de betrokkene met zijn of haar beperkte vermogens
aankan (zoals bij toetsen met een tijdslimiet; binnen een bepaalde tijd lezen of
schrijven van lange, complexe teksten; in geval van een excessief zware
studiebelasting
▪ D: De leerproblemen kunnen niet beter verklaard worden door verstandelijke
beperkingen, niet-gecorrigeerde visus- of gehoorstoornissen, andere psychische
of neurologische stoornissen, psychosociale tegenslagen, gebrekkige
beheersing van de taal waarin het onderwijs gegeven wordt, of inadequaat
onderricht.
• DSM-5 criteria: Opmerkingen
o ‘ondanks interventie’
▪ DSM zegt: de problemen moeten blijven bestaan ondanks hulp of begeleiding.
▪ Hoeveel verbetering is genoeg?
• Moeilijk objectief te maken
• Bvb: leerling leest eerst 20 woorden/min en na begeleiding 35
woorden/min, is dit voldoende vooruitgang? Of nog steeds
problematisch?
▪ Wat is een goede interventie?
• Als de hulp slecht was, kun je moeilijk besluiten dat er sprake is van
dyslexie ondanks deze interventie
o ‘niet beter verklaard door…’
▪ Bij verstandelijke beperking
• IQ < 70: geen dyslexie/dyscalculie
o Dan wordt het toegeschreven aan de intelligentie, niet aan de
leerstoornis
• 70 < IQ < 85:
o Grijze zone
o IQ in rekening genomen bij effect interventie
▪ Andere stoornissen
• Het niet goed kunnen lezen van rekenopgave (dyslexie) is geen
dyscalculie
• Soms moeilijk onderscheid te maken
▪ Psychosociale tegenslagen
• Stress, trauma, armoede, moeilijke thuissituatie, … kunnen ook
leerproblemen veroorzaken
• Men moet dan nagaan: komt het probleem door een stoornis, of door
omstandigheden?
o ‘significant negatieve invloed’
▪ De DSM zegt dat de problemen het functioneren duidelijk moeten hinderen.
• Maar sterke leerlingen kunnen lang compenseren
▪ Bvb. Hoogbegaafde leerlingen gaan ondanks dyslexie/dyscalculie nog steeds
(meer dan) gemiddeld presteren
• Ze zijn cognitief zeer sterk, hun stoornis valt minder op
4