Hoofdstuk 1 - Een krachtige leeromgeving
ontwerpen
1. HET DIDACTISCH MODEL
Voor een goede lesopbouw en een krachtige leeromgeving.
1.1. DOELEN
Belangrijk vertrekpunt bij opzetten krachtige leeromgeving. Geven richting aan
wat je als leraar brengt en hoe. Weten wat je met je les wil bereiken. Belangrijk
om te weten wat lln kennen en kunnen (voorkennis)
Onderscheid: onderwijsdoelen, leerplandoelen en leerdoelen
Nieuwe minimumdoelen: focus leggen op Nederland en wiskunde met aandacht
voor STEM
Bevatten leerondersteunende vaardigheden die lln helpen tot beter leren
te komen.
Vormen basis voor opmaak van aangepast curriculum (IAC)
Leerplandoelen: beschrijft hoe school onderwijsdoelen probeert te bereiken.
Bij kiezen rekening houden met harmonische ontwikkeling en cultuur- en
persoonsgebonden doelen.
Leerdoelen: concrete vertaling van leerplandoelen. Geeft aan wat lln moeten
kennen/kunnen.
Bevat leerinhoud en leeractiviteit
Helder en positief, concreet waarneembaar, enkelvoudig en met
afgebakende leerinhoud.
Leer(plan)doelen en beginsituatie z op elkaar afgestemd.
Doelen meedelen begin van les om nieuwsgierigheid op te wekken en
voorkennis te activeren.
1.2. BEGINSITUATIE
Bepalen wat lln al kennen en kunnen.
Groepsniveau en individueel niveau
Klasgewoontes
Lln maximale ontwikkelingskansen krijgen (Vygotsky met zone van naaste
ontwikkeling)
Onderscheid: actuele beginsituatie (kind zonder hulp) en toekomstige
beginsituatie (kind met begeleiding of zone naaste ontwikkeling)
Door individuele kijk => rekening houden met specifieke onderwijsbehoeften
waar sommige lln nood aan hebben.
Rekening UDL of Universal Design for Learning (aanpassen aan noden bv
rolstoel)
Leerstof op verschillende manieren aangeboden wat motivatie versterkt
1.3. EDI
Expliciete directe instructiemode
Houdt rekening met verschillende leervermogens van leerlingen. Ze worden stap
voor stap ondersteund om leerstof eigen te maken.
Rekening houden met verschillen tss lln
1
,Didactisch handelen 2
Onderdelen in lesvoorbereiding: activeren voorkennis, leerdoel bespreken,
instructie, begrip, controleren, begeleide inoefening, zelfstandige verwerking,
feedback en verlengde instructie.
1.4. BORDSCHEMA
Geeft essentie van les weer => leerdoelen in herkennen
Lesonderwerp noteren
Kernwoorden van leerinhoud
Werkt ondersteunend
1.5. WERKVORMEN
Krachtig middel om in te zetten om de leerdoelen te bereiken.
Aanpak of geheel van handelingen waarbij lkr lln ondersteunt om doelen op een
efficiënte en effectieve wijze te bereiken;
Leeractiviteiten z concreet waarneembaar zoals demonstreren, uitleggen,
opzoeken,…
Er w ook gekeken naar situatiekenmerken die bepalen welke manier het
efficiëntste is om leerdoelen te bereiken.
Situatiekenmerken hebben te maken met:
- Beginsituatie vd lln (motivatie en samenwerkingsvaardigheden)
- Leraar (onderwijsstijl en didactische vaardigheden)
- Randvoorwaarden (aanwezigheid media, moment vd dag, beschikbare tijd)
Instructievormen of aanbiedende werkvormen
Doseren, demonstreren, leerwandeling
Interactievormen
Klasgesprek, kringgesprek, brainstorm, onderwijsleergesprek (stap voor stap tot
kennis komen)
Samenwerkingsvormen
Groepswerk, partnerwerk, projectwerk
Spelvormen
Memoryspel
2. DIDACTISCHE PRINCIPES
Voorwaarden om krachtige leeromgeving te creëren en hangen nauw samen met
didactisch model.
Z aandachtspunten bij voorbereiden van de les
Helpen kiezen bij doelen, leerinhouden, werkvormen, evaluatie en
leermiddelen
Didactische principes:
- Doelgericht leren,
- Actief en constructief leren,
- Integratie,
- Herhalingsprincipe,
- Concreet-aanschouwelijk werken,
- Individualiseren,
2
, Didactisch handelen 2
- Interactief leren,
- Werkelijkheidsnabij onderwijs
Hoofdstuk 2 – Beginsituatie
1. DE BEGINSITUATIE ALS VERTREKPUNT VOOR EEN KRACHTIGE OMGEVING
Elke leerling is uniek. Als leraar creëer je een inclusieve leeromgeving, waarbij
een goede beginsituatie-analyse de basis vormt. De beginsituatie is het
fundament van didactisch handelen en verandert voortdurend.
Een goede analyse kijkt naar:
Cognitieve beginsituatie (voorkennis, resultaten, strategieën)
Sociaal-emotionele context (motivatie, relaties, zelfbeeld)
Fysiek en materiële context (leeromgeving, thuissituatie, taal)
Medische of specifieke ondersteuningsnoden (diagnoses, extra noden).
2. SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN
Het idee van de ‘gemiddelde leerling’ ontstond in de 19e eeuw met klassikaal
onderwijs en een one-size-fits-all-benadering. In werkelijkheid bestaat er grote
diversiteit in vaardigheden en noden binnen een klas.
Problemen bij focussen op het gemiddelde:
Sterke leerlingen → onderprikkeling, verveling, demotivatie, onderpresteren.
Leerlingen met ondersteuningsnoden → frustratie, faalangst, afhaken.
Specifieke onderwijsbehoeften verwijzen naar wat een leerling nodig heeft om
zich optimaal te ontwikkelen, met de focus op ondersteunings- en
ontwikkelingsnoden in plaats van beperkingen. Dit sluit aan bij handelingsgericht
werken (HGW): “Wat heeft deze leerling nodig om een doel te bereiken?”
Het nieuwe leersteunmodel verankert deze aanpak in het gewoon
onderwijs.
Het Decreet Leersteun (2023) legt de focus op specifieke onderwijsbehoeften
i.p.v. labels. Scholen werken samen met ouders en leersteuncentra om noden
tijdig te signaleren en leerlingen zo veel mogelijk in het gewoon onderwijs te
houden.
2.1. HOE FORMULEER JE SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN?
Positief: beschrijf wat de leerling wél nodig heeft, niet wat hij/zij niet kan.
Concreet & observeerbaar: gebruik duidelijke, meetbare termen, geen
vage opmerkingen.
Doelgericht: koppel de behoefte aan een leer- of ontwikkelingsdoel.
Kernvraag: Wat heeft deze leerling nodig om een bepaald doel te bereiken?
De inspiratielijst van Pameijer, Beukering en de Lange (2009) biedt
voorbeeldzinnen om onderwijsbehoeften concreet en praktisch te formuleren op
3