Sociologie
1. Inleiding: sociologie als wetenschap.
1.1. Kennis op basis van geloof of opvatting. (SUBJECTIEF / NIET-KRITISCH)
Geloven: - iets aannemen, zonder het zelf te onderzoeken, te weten of te begrijpen.
- vertrouwen stellen in persoon die kennis overdraagt
- kennis gebonden aan autoriteit
Geloofskennis: men is afhankelijk van de autoriteit die de kennis verschaft, meestal is bron van
kennis voor de gelovige onbereikbaar. Mogelijkheid tot zelftoetsen ontbreekt gevaar voor
dogmatisch denken.
Dogma: formulering van geloofswaardigheid die bindend is
Dogmatische geesteshouding: een houding waarbij mensen aantal opvattingen als onwrikbare
waarheid hanteren en die daarom nooit controleert.
Gesloten maatschappij: samenleving waarin geloofskennis dominant is en waar dus toegang tot
kennis is afgesloten en alleen bereikbaar is voor bevoordeelde groep. Kennis wordt gemonopoliseerd.
Deze maatschappijen zijn autoritair in structuur.
Open maatschappij: kritisch denken is toegelaten, op zoek gaan naar de waarheid (Popper)
Karl Raimund Popper: Verlichtingsfilosoof van 20e eeuw: We moeten kritisch elke bron van kennis
analyseren ≠ anti-dogmatisch.
Falsificatie: vaststellen dat iets foutief is
Verificatie: vaststellen dat iets correct is
1.2. Ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid. (SUBJECTIEF)
Ervaringskennis is altijd absoluut waar voor de betrokkenen: de gevoelde sensaties, emoties,
gevoelens zijn onloochenbaar.
Ervaringen zijn niet veralgemeenbaar of overdraagbaar naar anderen.
Wijsheid: de door de ervaringen van het leven verworven kennis.
De mens leert bij via het proces van trial and error.
Learning by doing: leren uit je fouten
Ervaringsdeskundige: begrijpt situatie beter omdat hij het zelf al heeft meegemaakt. Gevaar:
Subjectiviteit en betrokkenheid van de ervaringsdeskundige.
1.3. Wetenschappelijke kennis.
Wetenschappelijke kennis komt tot stand op basis van wederzijdse kritiek op theorieën, en op basis
van feitelijke discussie. Verklaart nooit totaliteit van realiteit, maar beperkt zich tot deelaspect van
werkelijkheid.
gebaseerd of feitelijke kennis (evidence based/empirisch)
gradueel proces
iedereen kan wetenschappelijke kennis in vraag stellen
elke vorm van wetenschappelijke kennis is voorlopig (nooit absoluut)
progressie van kennis op basis van verificatie (theorie wordt beter) en falsificatie (motor van
vooruitgang) (Popper)
mechanisering van wereldbeeld, wetenschappelijke kennis is efficiënt en gebaseerd op
principe van Occam’s razor.
,Sociologie
Het scheermes van Ockham:
Wanneer er verschillende hypotheses zijn die een verschijnsel in gelijke mate kunnen verklaren, wordt
vanuit dit principe aangeraden om die hypothese te kiezen welke de minste aannames bevat en de
minste entiteiten veronderstelt. Dit is de gangbare wijze waarop Ockhams scheermes wordt
toegepast.
Het scheermes symboliseert het wegscheren van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de
eenvoudigste verklaring uit te komen.
Geldigheid van uitspraken: Habermas:
Waarheid: objectieve feiten. Zijn theorieën waar/fout?
Juistheid: overeenkomend met sociale context, normatief.
Waarachtigheid: subjectieve uitingen, overeenkomend met innerlijke ingesteldheid van
persoon. Ben ik ermee akkoord?
1.4. De praktijk van de sociologie als wetenschap.
Sociologen stellen vragen, zoeken antwoorden op deze vragen en gaan daarvoor op een specifieke
methodische wijze te werk. Standaardmodel van wetenschappelijk onderzoek.
Methodisch en analytisch handelen om tot sociologische kennis te komen. Wetenschappelijke
criteria.
1.4.1. Sociologische vraagstelling en methode.
Een normatief, richtinggevend stappenmodel:
Omschrijving van onderzoeksprobleem
Bronnenonderzoek
Vraagstelling van het onderzoek
Vastleggen van het onderzoeksconcept
Concrete uitwerking van het onderzoek
Uitvoering, gegevensverwerking en rapportage
Conclusies
Onderzoeksstrategieën:
Experiment (hypothese toetsend) Vooral in (sociale) psychologie, moeilijk voor sociologie
Kwantitatieve methoden (vaak hypothese toetsend)
werkelijkheid wordt weergegeven in cijfers:
o Schriftelijke enquête of survey (beschrijvend of hypothese toetsend onderzoek)
o Persoonlijke enquêtes
Gestructureerd interview (tussen interview en gesloten vragenlijst)
Kwalitatieve methoden (vaak exploratief)
werkelijkheid wordt weergegeven in woorden:
o Casestudy
o Inhoudsanalyse
o Secundaire data-analyse
o Participerende observatie
1.4.2. Criteria van wetenschappelijk onderzoek.
Representativiteit – Validiteit – Betrouwbaarheid – Objectiviteit.
, Sociologie
1.4.2.1. Representativiteit.
Conclusies die geldig zijn voor deelgroep van populatie kunnen gegeneraliseerd worden naar
onderzoekspopulatie.
Bekendste toepassing van steekproeftrekking: exit polls bij verkiezingen. (pg. 9)
1.4.2.2. Validiteit.
Onderzoeksresultaten moeten weerspiegeling vormen van wat onderzoeker met onderzoek beweert
te onderzoeken. Algemene open vragen zijn niet aangewezen met oog op validiteit. Men moet ook
rekeninghouden met validiteit bij het kiezen van bevragingstechniek (weinig mensen zullen openlijk
over overspel praten met onderzoeker, betere manier: schriftelijke anonieme bevraging)
temperatuur meten met thermometer
temperatuur meten met barometer
1.4.2.3. Betrouwbaarheid.
Onderzoek is pas betrouwbaar als andere onderzoeker, in zelfde situatie en met zelfde onderzoek-
instrument, dezelfde resultaten zou verkrijgen. Controle element met oog op herhaling.
Maatregelen om betrouwbaarheid te vergroten bij grootschalige survey-onderzoeken:
enquêteurs opleiden
duidelijke instructies geven op enquêteformulier
meerdere vragen stellen die bepaald item in kaart brengen
1.4.2.4. Objectiviteit.
Wetenschappers moeten zich houden aan de feiten. Onderzoek moet onafhankelijk gebeuren van
onderzoeken d.w.z. persoonlijke ideeën mogen geen rol spelen in afloop van onderzoek.
Hawthorne Effect. (Western Electric Company)
Onderzoek: Hoe kan men productiviteit van werknemers verhogen.
Experimentele groep en controlegroep (beide wisten over aanwezigheid van onderzoekers).
Bij experimentele groep werden omstandigheden verslechterd, maar toch bleef
productiviteit verhogen, ook bij controlegroep waar niets veranderde steeg productiviteit.
Effect van positieve aandacht: mensen weten dat ze onderzocht worden en weten dat ze nu
aandacht hebben van management
Er was effect van het onderzoek op de resultaten van het onderzoek zelf
Onderzoeker is altijd onderdeel van onderzoek zelf, probleem van betrokkenheid.
1.5. Sociologie versus natuurwetenschappen.
- Empirische werkelijkheid: natuur tegenover sociale werkelijkheid
o α-wetenschappen = menswetenschappen: bestuderen menselijk gedrag
Cultuurwetenschappen: onderzoekt producten van menselijke creativiteit
o β- wetenschappen = natuurwetenschappen: bestuderen de natuur
= Empirische wetenschappen: doen uitspraken over werkelijkheid op basis van waarneming en leren
ons duidelijk iets over hoe die werkelijkheid in elkaar zit.
Deductieve wetenschappen: uitspraken worden verkregen zonder gebruik te maken van ervaring. Er
worden aantal denkwetten geformuleerd, waaraan geldige redeneringen moeten voldoen om tot
geldige uitspraken te komen. (logica & wiskunde).
1. Inleiding: sociologie als wetenschap.
1.1. Kennis op basis van geloof of opvatting. (SUBJECTIEF / NIET-KRITISCH)
Geloven: - iets aannemen, zonder het zelf te onderzoeken, te weten of te begrijpen.
- vertrouwen stellen in persoon die kennis overdraagt
- kennis gebonden aan autoriteit
Geloofskennis: men is afhankelijk van de autoriteit die de kennis verschaft, meestal is bron van
kennis voor de gelovige onbereikbaar. Mogelijkheid tot zelftoetsen ontbreekt gevaar voor
dogmatisch denken.
Dogma: formulering van geloofswaardigheid die bindend is
Dogmatische geesteshouding: een houding waarbij mensen aantal opvattingen als onwrikbare
waarheid hanteren en die daarom nooit controleert.
Gesloten maatschappij: samenleving waarin geloofskennis dominant is en waar dus toegang tot
kennis is afgesloten en alleen bereikbaar is voor bevoordeelde groep. Kennis wordt gemonopoliseerd.
Deze maatschappijen zijn autoritair in structuur.
Open maatschappij: kritisch denken is toegelaten, op zoek gaan naar de waarheid (Popper)
Karl Raimund Popper: Verlichtingsfilosoof van 20e eeuw: We moeten kritisch elke bron van kennis
analyseren ≠ anti-dogmatisch.
Falsificatie: vaststellen dat iets foutief is
Verificatie: vaststellen dat iets correct is
1.2. Ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid. (SUBJECTIEF)
Ervaringskennis is altijd absoluut waar voor de betrokkenen: de gevoelde sensaties, emoties,
gevoelens zijn onloochenbaar.
Ervaringen zijn niet veralgemeenbaar of overdraagbaar naar anderen.
Wijsheid: de door de ervaringen van het leven verworven kennis.
De mens leert bij via het proces van trial and error.
Learning by doing: leren uit je fouten
Ervaringsdeskundige: begrijpt situatie beter omdat hij het zelf al heeft meegemaakt. Gevaar:
Subjectiviteit en betrokkenheid van de ervaringsdeskundige.
1.3. Wetenschappelijke kennis.
Wetenschappelijke kennis komt tot stand op basis van wederzijdse kritiek op theorieën, en op basis
van feitelijke discussie. Verklaart nooit totaliteit van realiteit, maar beperkt zich tot deelaspect van
werkelijkheid.
gebaseerd of feitelijke kennis (evidence based/empirisch)
gradueel proces
iedereen kan wetenschappelijke kennis in vraag stellen
elke vorm van wetenschappelijke kennis is voorlopig (nooit absoluut)
progressie van kennis op basis van verificatie (theorie wordt beter) en falsificatie (motor van
vooruitgang) (Popper)
mechanisering van wereldbeeld, wetenschappelijke kennis is efficiënt en gebaseerd op
principe van Occam’s razor.
,Sociologie
Het scheermes van Ockham:
Wanneer er verschillende hypotheses zijn die een verschijnsel in gelijke mate kunnen verklaren, wordt
vanuit dit principe aangeraden om die hypothese te kiezen welke de minste aannames bevat en de
minste entiteiten veronderstelt. Dit is de gangbare wijze waarop Ockhams scheermes wordt
toegepast.
Het scheermes symboliseert het wegscheren van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de
eenvoudigste verklaring uit te komen.
Geldigheid van uitspraken: Habermas:
Waarheid: objectieve feiten. Zijn theorieën waar/fout?
Juistheid: overeenkomend met sociale context, normatief.
Waarachtigheid: subjectieve uitingen, overeenkomend met innerlijke ingesteldheid van
persoon. Ben ik ermee akkoord?
1.4. De praktijk van de sociologie als wetenschap.
Sociologen stellen vragen, zoeken antwoorden op deze vragen en gaan daarvoor op een specifieke
methodische wijze te werk. Standaardmodel van wetenschappelijk onderzoek.
Methodisch en analytisch handelen om tot sociologische kennis te komen. Wetenschappelijke
criteria.
1.4.1. Sociologische vraagstelling en methode.
Een normatief, richtinggevend stappenmodel:
Omschrijving van onderzoeksprobleem
Bronnenonderzoek
Vraagstelling van het onderzoek
Vastleggen van het onderzoeksconcept
Concrete uitwerking van het onderzoek
Uitvoering, gegevensverwerking en rapportage
Conclusies
Onderzoeksstrategieën:
Experiment (hypothese toetsend) Vooral in (sociale) psychologie, moeilijk voor sociologie
Kwantitatieve methoden (vaak hypothese toetsend)
werkelijkheid wordt weergegeven in cijfers:
o Schriftelijke enquête of survey (beschrijvend of hypothese toetsend onderzoek)
o Persoonlijke enquêtes
Gestructureerd interview (tussen interview en gesloten vragenlijst)
Kwalitatieve methoden (vaak exploratief)
werkelijkheid wordt weergegeven in woorden:
o Casestudy
o Inhoudsanalyse
o Secundaire data-analyse
o Participerende observatie
1.4.2. Criteria van wetenschappelijk onderzoek.
Representativiteit – Validiteit – Betrouwbaarheid – Objectiviteit.
, Sociologie
1.4.2.1. Representativiteit.
Conclusies die geldig zijn voor deelgroep van populatie kunnen gegeneraliseerd worden naar
onderzoekspopulatie.
Bekendste toepassing van steekproeftrekking: exit polls bij verkiezingen. (pg. 9)
1.4.2.2. Validiteit.
Onderzoeksresultaten moeten weerspiegeling vormen van wat onderzoeker met onderzoek beweert
te onderzoeken. Algemene open vragen zijn niet aangewezen met oog op validiteit. Men moet ook
rekeninghouden met validiteit bij het kiezen van bevragingstechniek (weinig mensen zullen openlijk
over overspel praten met onderzoeker, betere manier: schriftelijke anonieme bevraging)
temperatuur meten met thermometer
temperatuur meten met barometer
1.4.2.3. Betrouwbaarheid.
Onderzoek is pas betrouwbaar als andere onderzoeker, in zelfde situatie en met zelfde onderzoek-
instrument, dezelfde resultaten zou verkrijgen. Controle element met oog op herhaling.
Maatregelen om betrouwbaarheid te vergroten bij grootschalige survey-onderzoeken:
enquêteurs opleiden
duidelijke instructies geven op enquêteformulier
meerdere vragen stellen die bepaald item in kaart brengen
1.4.2.4. Objectiviteit.
Wetenschappers moeten zich houden aan de feiten. Onderzoek moet onafhankelijk gebeuren van
onderzoeken d.w.z. persoonlijke ideeën mogen geen rol spelen in afloop van onderzoek.
Hawthorne Effect. (Western Electric Company)
Onderzoek: Hoe kan men productiviteit van werknemers verhogen.
Experimentele groep en controlegroep (beide wisten over aanwezigheid van onderzoekers).
Bij experimentele groep werden omstandigheden verslechterd, maar toch bleef
productiviteit verhogen, ook bij controlegroep waar niets veranderde steeg productiviteit.
Effect van positieve aandacht: mensen weten dat ze onderzocht worden en weten dat ze nu
aandacht hebben van management
Er was effect van het onderzoek op de resultaten van het onderzoek zelf
Onderzoeker is altijd onderdeel van onderzoek zelf, probleem van betrokkenheid.
1.5. Sociologie versus natuurwetenschappen.
- Empirische werkelijkheid: natuur tegenover sociale werkelijkheid
o α-wetenschappen = menswetenschappen: bestuderen menselijk gedrag
Cultuurwetenschappen: onderzoekt producten van menselijke creativiteit
o β- wetenschappen = natuurwetenschappen: bestuderen de natuur
= Empirische wetenschappen: doen uitspraken over werkelijkheid op basis van waarneming en leren
ons duidelijk iets over hoe die werkelijkheid in elkaar zit.
Deductieve wetenschappen: uitspraken worden verkregen zonder gebruik te maken van ervaring. Er
worden aantal denkwetten geformuleerd, waaraan geldige redeneringen moeten voldoen om tot
geldige uitspraken te komen. (logica & wiskunde).