Levenslooppsychologie
- Studieomvang: 4 studiepunten
- Docent: Manon Gossiaux
- Groep: OTP-2B@S2
- Leerstof: Psychologie van de levensloop. Inleiding ontwikkelingspsychologie
- Herexamen: Donderdag 19 augustus 2021; 13u30 - 15u30
- Examenvorm: Schriftelijk
- Waar: Campus
- Studietijd: ???
Hoofdstuk SV Blokken Herhalen Pagina’s
Tereinverkenning X
Twee fundamentele ontwikkelingstheorieën
De prenatale ontwikkeling
De babytijd
De peuterjaren
De kleuterjaren
De schoolperiode
De adolescentie
De volwassenheid
1
,1. Terreinverkenning
1.1 Omschrijving
Levenslooppsychologie?
De studie van het gedrag doorheen ≠ levensfasen van de mens.
- Zichtbare handelen
- Waarnemen
- Denken
- Fantaseren
- Gevoelens
- Verlangens
1.2 Ontwikkeling
Kwalitatief?
De manier van denken, voelen en handelen (geen cijfers).
Kwantitatief?
De hoeveelheid kennis, vaardigheden en het lichaamsgestalte (cijfers).
1.3 Ontwikkelingsgebieden
Lichamelijke, motorische, cognitieve, affectieve, sociale, morele, seksuele, taalontw en perceptie.
1.4 De indeling in fasen
Continue verandering?
Vaardigheden die voortdurend en geleidelijk aan veranderen. Er zijn geen afgescheide periodes
en geen bruuske ommezwaai. De aspecten zijn cultureel bepaald en verlopen niet synchroon.
Discontinue verandering?
Vrij stabiele periodes met relatief korte overgangsfase. Lijkt alsof je crisis moet doorstaan.
Nature?
Alles wat erfelijk is en dus vooraf bepaald is zoals aangeboren kennis, groei en rijping.
- Pedagogisch pessimisme
- Opvoeding is ondersteunend
- Zelfsturing
- Nativisme
- Determinisme
Nurture?
Alles wat te maken heeft met de omgeving (milieu).
- Pedagogisch optimisme
- Opvoeding is allesbepalend
- Tabula rasa (onbeschreven blad)
- Empirisme
2
,1.5 Factoren die de ontwikkeling sturen
1. Erfelijkheid
Chromosomen?
Intens dooreen gestrengde draden. Men heeft 46 chromosomen die niet identiek
zijn, maar wel soortgelijke informatie bevatten (XX = meisje, XY = jongen).
DNA of erfelijk materiaal?
Spiraalvormige touwladder meer miljoenen sporten.
2. Milieu
Ecologisch systementheorie
- Microsysteem (rechtstreeks contact, tweerichtingsverkeer)
- Mesosysteem (invloed van het microsysteem)
- Exosysteem (indirecte invloed, dagelijkse omgang, medisch + sociale, cultuur + sport)
- Macrosysteem (direct tastbaar, bredere cultuur, waarden, voorschiften, gebruiken)
Chronosysteem
- Statisch
- Momentopname
- Wederzijdse beïnvloeding tussen het individu, microniveau en mesoniveau
- Tijdsdimensie
- Veranderingen kunnen optreden in de omgeving
Bio-ecologische ontwikkelingsmodel
- Biologische factoren
- Erfelijkheid heeft grenzen
- Erfelijkheid is niet allesbepalend
- Sociale omgeving wordt onderschat
- Soms kansen laten liggen door positieve impact va biologische factoren
3. Interactie tussen erfelijkheid en milieu
Erfelijkheid (49%) en milieu (51%) zijn onlosmakend verbonden met elkaar. Ze zijn
sterk verstengd met elkaar en moeilijk uit elkaar te houden. Soms heeft het ene meer
invloed dan het andere. Er zijn namelijk grote verschillen op vlak van lengte, gedrag
depressie en intellegentie (vb: om eiwit om te zetten naar eigenschap is milieu nodig).
4. Zelfsturing
Iedereen wilt zelf mee richting geven aan de ontwikkeling. Er is veel (filosofische)
discussie rond. Men zegt dat de mens meer is dan erfelijkheid en omgeving, ook
biologische aanleg, onverwachte wendingen, zelfbepaling en veel meer andere
invloeden spelen een belangrijke rol.
3
, 2. Twee fundamentele ontwikkelingstheorieën
1. De psychosociale identiteitstheorie
- Erikson
- 1902 - 1983
- Duitsland
- Interesse in de identiteitsproblematiek
- Geen psychologische of medische opleiding
- Relatie tussen persoonlijkheid en cultuur bij indianenvolkeren
- Impact van de sociale omgeving en de persoonlijkheidsontwikkeling
2. Cognitieve ontwikkelingstheorie
- Piaget
- 1896 - 1980
- Zwitserland
- Filosoof
- Bioloog
- Ontwikkelingspsycholoog
- Taal- en denkontwikkeling bij kinderen
- Theorie over de cognitieve ontwikkeling vanuit observaties
- Kwaliteit van de soort kennis dat wij verwerven
8 ontwikkelingsfasen volgens volgens Erikson met het kernconflict, ego en omgeving?
Fase Kernconflict Omgeving Egosterkte
Laat-
Ego-integriteit wanhoop De bredere samenling Wijsheid
volwassenheid
Midden-
Generativiteit stagnatie Eigen gezin en zinvol werk Zorg
volwassenheid
Jong-
Intimiteit isolement Een partner en een job Liefde
volwassenheid
Loyale peergroep en
Jeugdperiode Identiteit rolverwarring Trouw
positieve identificatiefiguren
Positief ingestelde
Latentiestadium Vlijt minderwaardigheid Competentie
volwassene & leeftijdsgenoot
Locomotorisch- Harmonieuze gezinssituatie
Initiatief schuldgevoel Doelgericht
genitaal met ouders, broers en zussen
Autonomie schaamte en Gezagvolle en
Anaal-musculair Wilskracht
twijfel oordeelkundige ouders
Oraal- Geborgenheid vanwege
Vertrouwen wantrouwen Hoop
sensorisch de verzorger
Wat is psycho-sociale identiteit?
Psycho-sociale identiteit is het ervaren van innerlijke eenheid (psychische identiteit)
en harmonie tussen eigen persoon en sociale omgeving (sociale identiteit).
4
- Studieomvang: 4 studiepunten
- Docent: Manon Gossiaux
- Groep: OTP-2B@S2
- Leerstof: Psychologie van de levensloop. Inleiding ontwikkelingspsychologie
- Herexamen: Donderdag 19 augustus 2021; 13u30 - 15u30
- Examenvorm: Schriftelijk
- Waar: Campus
- Studietijd: ???
Hoofdstuk SV Blokken Herhalen Pagina’s
Tereinverkenning X
Twee fundamentele ontwikkelingstheorieën
De prenatale ontwikkeling
De babytijd
De peuterjaren
De kleuterjaren
De schoolperiode
De adolescentie
De volwassenheid
1
,1. Terreinverkenning
1.1 Omschrijving
Levenslooppsychologie?
De studie van het gedrag doorheen ≠ levensfasen van de mens.
- Zichtbare handelen
- Waarnemen
- Denken
- Fantaseren
- Gevoelens
- Verlangens
1.2 Ontwikkeling
Kwalitatief?
De manier van denken, voelen en handelen (geen cijfers).
Kwantitatief?
De hoeveelheid kennis, vaardigheden en het lichaamsgestalte (cijfers).
1.3 Ontwikkelingsgebieden
Lichamelijke, motorische, cognitieve, affectieve, sociale, morele, seksuele, taalontw en perceptie.
1.4 De indeling in fasen
Continue verandering?
Vaardigheden die voortdurend en geleidelijk aan veranderen. Er zijn geen afgescheide periodes
en geen bruuske ommezwaai. De aspecten zijn cultureel bepaald en verlopen niet synchroon.
Discontinue verandering?
Vrij stabiele periodes met relatief korte overgangsfase. Lijkt alsof je crisis moet doorstaan.
Nature?
Alles wat erfelijk is en dus vooraf bepaald is zoals aangeboren kennis, groei en rijping.
- Pedagogisch pessimisme
- Opvoeding is ondersteunend
- Zelfsturing
- Nativisme
- Determinisme
Nurture?
Alles wat te maken heeft met de omgeving (milieu).
- Pedagogisch optimisme
- Opvoeding is allesbepalend
- Tabula rasa (onbeschreven blad)
- Empirisme
2
,1.5 Factoren die de ontwikkeling sturen
1. Erfelijkheid
Chromosomen?
Intens dooreen gestrengde draden. Men heeft 46 chromosomen die niet identiek
zijn, maar wel soortgelijke informatie bevatten (XX = meisje, XY = jongen).
DNA of erfelijk materiaal?
Spiraalvormige touwladder meer miljoenen sporten.
2. Milieu
Ecologisch systementheorie
- Microsysteem (rechtstreeks contact, tweerichtingsverkeer)
- Mesosysteem (invloed van het microsysteem)
- Exosysteem (indirecte invloed, dagelijkse omgang, medisch + sociale, cultuur + sport)
- Macrosysteem (direct tastbaar, bredere cultuur, waarden, voorschiften, gebruiken)
Chronosysteem
- Statisch
- Momentopname
- Wederzijdse beïnvloeding tussen het individu, microniveau en mesoniveau
- Tijdsdimensie
- Veranderingen kunnen optreden in de omgeving
Bio-ecologische ontwikkelingsmodel
- Biologische factoren
- Erfelijkheid heeft grenzen
- Erfelijkheid is niet allesbepalend
- Sociale omgeving wordt onderschat
- Soms kansen laten liggen door positieve impact va biologische factoren
3. Interactie tussen erfelijkheid en milieu
Erfelijkheid (49%) en milieu (51%) zijn onlosmakend verbonden met elkaar. Ze zijn
sterk verstengd met elkaar en moeilijk uit elkaar te houden. Soms heeft het ene meer
invloed dan het andere. Er zijn namelijk grote verschillen op vlak van lengte, gedrag
depressie en intellegentie (vb: om eiwit om te zetten naar eigenschap is milieu nodig).
4. Zelfsturing
Iedereen wilt zelf mee richting geven aan de ontwikkeling. Er is veel (filosofische)
discussie rond. Men zegt dat de mens meer is dan erfelijkheid en omgeving, ook
biologische aanleg, onverwachte wendingen, zelfbepaling en veel meer andere
invloeden spelen een belangrijke rol.
3
, 2. Twee fundamentele ontwikkelingstheorieën
1. De psychosociale identiteitstheorie
- Erikson
- 1902 - 1983
- Duitsland
- Interesse in de identiteitsproblematiek
- Geen psychologische of medische opleiding
- Relatie tussen persoonlijkheid en cultuur bij indianenvolkeren
- Impact van de sociale omgeving en de persoonlijkheidsontwikkeling
2. Cognitieve ontwikkelingstheorie
- Piaget
- 1896 - 1980
- Zwitserland
- Filosoof
- Bioloog
- Ontwikkelingspsycholoog
- Taal- en denkontwikkeling bij kinderen
- Theorie over de cognitieve ontwikkeling vanuit observaties
- Kwaliteit van de soort kennis dat wij verwerven
8 ontwikkelingsfasen volgens volgens Erikson met het kernconflict, ego en omgeving?
Fase Kernconflict Omgeving Egosterkte
Laat-
Ego-integriteit wanhoop De bredere samenling Wijsheid
volwassenheid
Midden-
Generativiteit stagnatie Eigen gezin en zinvol werk Zorg
volwassenheid
Jong-
Intimiteit isolement Een partner en een job Liefde
volwassenheid
Loyale peergroep en
Jeugdperiode Identiteit rolverwarring Trouw
positieve identificatiefiguren
Positief ingestelde
Latentiestadium Vlijt minderwaardigheid Competentie
volwassene & leeftijdsgenoot
Locomotorisch- Harmonieuze gezinssituatie
Initiatief schuldgevoel Doelgericht
genitaal met ouders, broers en zussen
Autonomie schaamte en Gezagvolle en
Anaal-musculair Wilskracht
twijfel oordeelkundige ouders
Oraal- Geborgenheid vanwege
Vertrouwen wantrouwen Hoop
sensorisch de verzorger
Wat is psycho-sociale identiteit?
Psycho-sociale identiteit is het ervaren van innerlijke eenheid (psychische identiteit)
en harmonie tussen eigen persoon en sociale omgeving (sociale identiteit).
4