Lesnotities en slides
2025-2026
T. WERA
, HET BEGRIP “ONDERNEMING” EN ZIJN
TOEPASSINGSVOORWAARDEN
Het Wetboek van Economisch Recht is ratione personae opgebouwd rond het begrip
onderneming. Zodra men dus met een onderneming te maken heeft, is het economisch recht
volgens het Wetboek van Economisch Recht van toepassing. Is er geen onderneming, dan valt
men buiten dat toepassingsgebied. In twee zinnen is dat de eenvoudige, globale logica.
WER EERSTE FASE (2013-2014) - ACHTERGROND
Wanneer men dit juridisch-technisch concreter bekijkt, moet worden vastgesteld dat dit een
zekere historische ontwikkeling kent. Zoals in de vorige les toegelicht, is de codificatie van het
economisch recht in het huidige Wetboek van Economisch Recht in twee fasen verlopen. De
eerste fase vond plaats in 2013–2014, met een uitloper in 2015, en betrof de codificatie van
het economisch recht met uitzondering van het insolventierecht. De tweede codificatiegolf
volgde in 2019–2021, toen ook het insolventierecht in het Wetboek van Economisch Recht werd
opgenomen, waardoor onder meer het faillissementsrecht en de gerechtelijke reorganisatie een
plaats kregen in een bijkomend Boek XX.
Waarom is dit relevant? Wanneer we dit juridisch-technisch bekijken, zien we dat de eerste golf
van ‘aanbouwwetgeving’ voornamelijk een codificatieoefening was, geen
moderniseringsoefening. Elke codificatie vergt uiteraard een zekere afstemming, maar het ging
in essentie om het vastleggen en samenbrengen van bestaande wetgeving. Dat gebeurde via
de techniek van aanbouwwetgeving in de periode 2013–2014.
Dit betekent dat de meeste delen van het Wetboek van Economisch Recht niet via één enkele
wet zijn ingevoerd, zoals bijvoorbeeld bij het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen,
maar via verschillende afzonderlijke wetten. Zo zijn onder meer Boek II, Boek III, Boek I,
Boek V, Boek VI en Boek VII telkens aparte invoeringswetten, met enkele uitzonderingen. Het
heeft weinig zin om alle invoeringswetten van 2013, 2014 en 2015 afzonderlijk op te sommen,
maar het gevolg is wel dat wie de parlementaire voorbereiding wil raadplegen, niet moet zoeken
naar één wet tot invoering van het volledige Wetboek van Economisch Recht, maar naar de wet
tot invoering van het specifieke boekdeel.
Deze wetstechnische achtergrond is niet onbelangrijk, zeker wanneer men vaststelt dat de
codificatie in twee fasen is verlopen: de eerste golf in 2013–2014 (met een uitloper in 2015)
via verschillende afzonderlijke wetten per boekdeel — in totaal achttien à negentien — en
vervolgens een apart wetgevend kader voor Boek XX in de tweede fase.
,Wat betreft het ondernemingsbegrip als toetssteen voor de toepasselijkheid, moet worden
opgemerkt dat in de eerste fase het grootste pijnpunt was dat elk boekdeel een eigen
invulling van het begrip onderneming hanteerde. Codificatie betekent weliswaar het
samenbrengen van bestaande wetgeving, maar elk van die wetten had een eigen ratione
personae-toepassingsgebied. Zelfs na stroomlijning bleef men dus per boekdeel met een
afzonderlijke personele toepassingssfeer zitten. Dat was een voorlopig compromis waarvan men
wist dat het niet houdbaar was. De bedoeling was om dit te corrigeren zodra ook de laatste tak
van het economisch recht — het insolventierecht — zou worden gecodificeerd.
, WER TWEEDE FASE (2017-2018)
Op zich in twee tijden
Dat brengt ons bij de tweede fase, die tot vandaag overeind blijft. Met de invoering van Boek
XX werd niet alleen het insolventierecht gecodificeerd, maar werd ook geprobeerd om de
toepassingssfeer zoveel mogelijk te uniformiseren. “Zoveel mogelijk” is daarbij
essentieel: volledige uniformiteit is niet bereikt, en ook na deze tweede codificatiefase blijven
er divergenties bestaan in het personele toepassingsgebied van het Wetboek van Economisch
Recht.
De hervorming van het ondernemingsrecht in 2018 vormt de basis voor deze
uniformiseringsopdracht. In de memorie van toelichting staat expliciet dat men streefde naar
het verder uniformiseren van het ondernemingsbegrip, zoals eerder in 2017 ingevoerd.
Wat heeft men gedaan? Men heeft het ondernemingsbegrip dat in het insolventierecht werd
ingevoerd (een van de laatste takken van het economisch recht) losgekoppeld van het oude
koopmansbegrip, dat onhoudbaar was geworden. Bij de invoering van Boek XX werd een nieuw
personeel toepassingsgebied voor het insolventierecht ingevoerd, met een nieuw
ondernemingsbegrip. Dat verschilde echter even van het ondernemingsbegrip dat in 2013–2014
in het Wetboek van Economisch Recht was opgenomen. Kort daarna volgde de wet tot
hervorming van het ondernemingsrecht, die opnieuw een ander ondernemingsbegrip
introduceerde.
Wat heeft men uiteindelijk gedaan? Men heeft het ondernemingsbegrip gealigneerd op dat van
het insolventierecht. Daardoor hebben we vandaag opnieuw een andere invulling van het
ondernemingsbegrip. Dat is de rode draad: het economisch recht is gebouwd op het
ondernemingsbegrip, maar de invulling daarvan is minder eenvoudig gebleken dan men eerder
dacht.
Ratio legis: aandacht ondernemersbegrip
Omdat de basis voor het huidige ondernemingsbegrip ligt in de wet tot hervorming van het
ondernemingsrecht, moeten we kijken naar de ratio legis, zoals uiteengezet in de memorie van
toelichting. Daaruit blijkt duidelijk dat men een nieuwe, coherente definitie wilde invoeren.
Tegelijk moet worden opgemerkt dat volledige uniformiteit niet haalbaar was.
Belangrijk is dat men tegelijkertijd de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank heeft
vastgeënd aan dit nieuwe ondernemingsbegrip. Het ging dus niet enkel om een wijziging binnen