Samenvatting
Joren Brauwers
Academiejaar 2025-2026
,HOOFDSTUK 1: INLEIDING – BASISPRINCIPES & HISTORIEK
1. WAT IS FORENSISCHE WETENSCHAPPEN EN MEDISCHE CRIMINALISTIEK?
Dit vak zal zich focussen op het domein van “medische criminalistiek”, dat een deeldomein uitmaakt
van de BREDERE forensische wetenschappen, maar wat is nu juist het onderscheid tussen beide?
- (1) Forensische wetenschappen = bredere ALGEMENE TERM, die het deel van de wetenschap
omvat dat gebruikt wordt om een juridische vraag te beantwoorden.
o Definitie: Het is de toepassing van alle wetenschappen die aangewend kunnen
worden bij het achterhalen van de waarheid (sporen proberen vinden om te
achterhalen wie wat heeft gedaan, waarom, waarmee, wanneer en waar?) en
gebruikt worden voor gerechtelijke doeleinden
- (2) Medische Criminalistiek: deel van de forensische wetenschappen, en het gaat over het
geheel van wetenschappelijke disciplines en technieken die sporen bestuderen die tijdens een
gerechtelijk onderzoek aangetroffen worden en nuttig zijn om een misdrijf op te lossen
o Het gaat hier specifiek over FORENSISCHE TECHNISCH ONDERZOEK, meer bepaald
het: hanteren van natuur-wetenschappelijke en technische methoden en technieken om sporen van
misdrijven te analyseren, te interpreteren en te identificeren, om vragen te beantwoorden tot
bewijsmateriaal in gerechtelijke onderzoek:
▪ Voorbeelden: vingerafdrukken, schoenafdrukken, ballistiek, bloedspatanalyse, DNA-onderzoek,
tand-onderzoek,…
o Makkelijk verwoord: Medische criminalistiek is dus een specifiek deel van de forensische
wetenschappen, die zich bezighoudt met sporenonderzoek en dat allemaal op natuurwetenschappelijke
basis (gebruikt die technieken om DNA, vingerafdruk, ballistiek,… te onderzoeken)
WAT IS HET HOOFDDOEL VAN CRIMINALISTIEK?
Het HOOFDDOEL VAN CRIMINALISTIEK is het reconstrueren van een unieke gebeurtenis (delict) door middel van
wetenschappelijk sporenonderzoek (DNA, ballistiek,…), met als voornaamste doel om antwoorden te bieden op 6
fundamentele vragen: wie? wat? waar? wanneer? waarmee? waarom? Hierbij is de WAARNEMER (expert ter plaatse,
er zijn er vaak meerdere) een cruciale rol aangezien deze Crime Scene Officer (expert) dient als een herkenner voor
relevante sporen. Hij/zij kan in zijn vakgebied (bv. ballistiek) onderscheiden welke sporen van belang zijn of juist niet!
SUBDOMEINEN BINNEN DE MEDISCHE CRIMINALISTIEK
Medische criminalistiek wordt opgedeeld in twee grote groepen van sporen. De eerste groep zijn de medische (biologische)
sporen, dit zijn sporen die afkomstig zijn van levende organismen zoals mensen, dieren of planten. Hieronder vallen:
- DNA-analyse → identificatie van personen via hun genetisch profiel (bloed, haar, speeksel...)
- Bloedsporenpatroonanalyse → de vorm en verspreiding van bloedsporen vertelt hoe iemand gewond raakte of bewoog
- Forensische odontologie → identificatie via tanden, zoals bijtwonden of gebitsvergelijking
- Forensische anthropologie → studie van botten en skeletten om leeftijd, geslacht en doodsoorzaak te bepalen
- Forensische pathologie/geneeskunde → onderzoek van het lichaam om doodsoorzaak, letsels en tijdstip van overlijden
te bepalen
- Forensische toxicologie → opsporen van giffen, drugs of medicijnen in het lichaam
De tweede groep zijn de andere sporen, die behandeld worden door de fysische en chemische criminalistiek.
- Fysische sporen zijn sporen die je zichtbaar kunt waarnemen, zoals een voetafdruk in de sneeuw, een deuk in de
muur of glasscherven op de grond.
o Bv: Microsporen → zeer kleine sporen zoals vezels, pollen of glasdeeltjes
o Bv: Wapens & munitie → bepalen welk wapen werd gebruikt en vanwaar geschoten
o Bv: Digitale technologie & biometrie → digitale sporen zoals telefoondata, camerabeelden,
vingerafdrukken en gezichtsherkenning
o …
- Chemische sporen zijn sporen van chemische stoffen, zoals kruitresten op de handen na het afvuren van een
wapen, giffen, drugs of benzine gevonden na een brand.
1
,2. HISTORIEK VAN DE FORENSISCHE WETENSCHAPPEN
Veel mensen denken dat medische criminalistiek een recent vakgebied is, maar niets is minder waar. Al eeuwenlang
houden mensen zich bezig (al is het op kleine schaal soms) met toch één of andere vorm van medische criminalistiek
(specifiek) of forensische wetenschappen (algemeen). EXAMEN: Kort overzicht van algemene kennis, je moet weten
wie iemand is en waarom hij/zij belangrijk is, je moet niet exact weten waar en wanneer)
- ± 250 V.C.: Erasistratus was een Griekse arts en één van de grondleggers van de pathologische anatomie. Hij
voerde autopsies uit op overleden personen en vivisecties op criminelen — dit zijn experimenten op levende
personen. Zo ontdekte hij dat het hartritme stijgt wanneer iemand liegt. De eerste leugendetector is dan ook
op dit principe gebaseerd.
- 44 V.C: Autopsie op Julius Caesar (vermoord op trappen van Forum Romanum) door
Antistius, die identificeerde dat er 23 steekwonden waren waarvan 1 dodelijk door Titus
door het hart
- 3de eeuw: "Yi Yu Ji" was een Chinees manuscript uit de 3de eeuw met een verzameling
opgeloste misdrijven, waaronder een bekend experimenteel voorbeeld van medische criminalistiek
o Experiment: Een vrouw beweerde dat haar man gestorven was in een brand. De artsen
geloofden haar niet, omdat ze geen as vonden in de mond van het slachtoffer — iemand
die levend verbrandt ademt immers as in. Om dit te bewijzen verbrandden ze een levend
en een dood varken, vervolgens vond men enkel in de mond van het LEVENDE VARKEN as,
waardoor bewijs was geleverd. De echtgenote bekende daarom ook de moord.
- 1248: Sung Tzu schreef het boek "Washing Away of Wrongs", beschouwd als het eerste forensische
boek ooit. In dit boek beschreef hij historische forensische casussen en observaties op basis van zijn
eigen ervaring.
o Het boek bevatte onder andere:
▪ (1) Beschrijvingen van postmortem onderzoek van lichamen
▪ (2) Verschillende doodsoorzaken zoals wurging, verdrinking en brandletsels
▪ (3) Hoe je bewijsmateriaal beschermt tijdens een onderzoeksproces
o Het boek bevat ook de eerste gedocumenteerde entomologische criminalistieke casus uit 1235 — dit is
het gebruik van insecten om een misdrijf op te lossen: Er was een moord gepleegd in een Chinees dorp
met een sikkel als moordwapen. De onderzoeker liet alle boeren hun sikkel op de grond leggen en op een
rij staan. Één sikkel werd bestormd door vliegen, aangetrokken door onzichtbare bloedrestjes. Zo was
de dader gevonden.
- 1302: in Bologna werd de eerste medico-legale autopsie uitgevoerd, ofwel een officiële forensische
autopsie, door Bartolomeo da Varignana. Dit was de eerste keer dat een autopsie werd uitgevoerd op
vraag van een magistraat (iemand uit het gerecht) om de doodsoorzaak officieel vast te stellen. Dit
betekent dus dat de rechtbank voor het eerst medische kennis inschakelde om een juridische vraag te
beantwoorden, wat een belangrijke mijlpaal is in de geschiedenis van de medische criminalistiek.
- 1595: Werd de 1ste samengestelde microscoop met 2 lenzen ontwikkeld door Sacharias Jansen (NL)
- 1600: Antonio Benivieni was een Italiaanse arts die autopsies uitvoerde met een specifiek doel: de exacte
doodsoorzaak achterhalen én kijken of die overeenkwam met de symptomen die de persoon voor zijn dood had.
Dit was belangrijk omdat hij als één van de eersten systematisch probeerde om wat er van buiten zichtbaar was
(de symptomen) te koppelen aan wat er van binnen in het lichaam aan de hand was.
o Hij schreef zijn bevindingen neer in zijn werk "De abditis nonnullis ac mirandis morborum et sanationum
causis" — "over enkele verborgen en wonderlijke oorzaken van ziekten en genezing".
- 1632-1723: Antoni van Leeuwenhoek (NL) ontwikkelde microscopen met vergrotingen tot x 250, en vormt de
grondlegger van de microbiologie
- 1686: Marcello Malpighi was een Italiaanse arts en grondlegger van de microscopische anatomie,
hij was één van de eersten die het lichaam bestudeerde onder de microscoop. Enkele structuren in
het lichaam, zoals in de nier, zijn naar hem vernoemd. Daarnaast publiceerde hij ook over
vingerafdrukken en handlijnen, wat hem een vroege pionier maakt op vlak van identificatie.
2
,- 1784: John Toms werd veroordeeld voor moord in Lancaster, UK. Hij is de eerste veroordeelde
moordenaar op basis van "matching evidence". In de hoofdwonde van het slachtoffer werd een stukje
papier gevonden dat uit het pistool kwam. Datzelfde papier bleek te passen bij een stukje papier dat in
de broekzak van Toms werd teruggevonden. De twee stukjes pasten perfect op elkaar — en zo was hij
overtuigend schuldig bevonden.
- 1835: Henry Goddard (!!!!!!!) leverde een belangrijke bijdrage door voor het eerst wapens en kogels met elkaar
te vergelijken. Kogels worden afgevuurd via hulzen en laten specifieke kenmerken achter zoals groefjes, tandjes
en inkepingen. Door deze kenmerken op de kogel te vergelijken met het wapen van een verdachte — of met
sporen op de plaats delict — kon hij aantonen welk wapen gebruikt was. Dit wordt een vergelijkend
ballistiekonderzoek genoemd, en Goddard voerde hiervan het eerste uit.
- 1787-1853: Mathieu Orfila (!!!!!!) was een Spaanse toxicoloog en grondlegger van de forensische
toxicologie. Hij was één van de eersten die op een wetenschappelijke manier als getuige-deskundige
optrad voor de rechtbank.
o Bekendste zaak: waarbij Mathieu Orfila betrokken was is de zaak Marie Lafarge (1840). Marie
was getrouwd met Charles Lafarge, die plots ziek werd en stierf na het eten van iets dat werd
klaargemaakt door zijn vrouw. Het vermoeden bestond dat Marie hem had vergiftigd met
arsenicum. Een eerste test (Marsh-test) op het lichaam gaf geen duidelijk resultaat dat er
effectief gif in het lichaam zat en de dosis te hoog was.
▪ Gevolg: getuigenis van Orfila, Waarbij hij stelde dat de Marsh-test) niet goed was uitgevoerd,
waardoor hij deze test opnieuw ging uitvoeren en kon aantonen dat er wel degelijk arsenicum
in het lichaam zat — in een dodelijke dosis. Dit was het eerste
toxicologische bewijs ooit gebruikt in een rechtbank
- 1850-1860: In deze periode was er een ontwikkeling van de fotografie, wat de opnames
en beelden van crime scenes en gevangenen aanzienlijk verbeterden.
- 1853-1914: Alphonso Bertillon (EXTREEM BELANGRIJK!!!!!!!!!!!!) was een Franse
criminoloog die het Bertillonsysteem (Bertillonage) ontwikkelde, dat lange tijd de
standaard was voor identificatie van criminelen.
o Wat is het Bertillonsysteem (Bertillonage)?: Dit was een systeem verschillende metingen van
het lichaam dat diende om mensen te identificeren op basis van de fysieke verschijning.
▪ Essentie: Hij ontwikkelde dus een systeem om mensen te identificeren op basis van
lichaamsmetingen, voor 9 en later 11 lichamelijke kenmerken (anthroprometrie =
wetenschappelijk opmeten van het menselijk lichaam)
• lengte
• lengte hoofd
• breedte hoofd
• lengte rechter oor
• lengte linker voet
• lengte linker onderarm
• lengte linker middelvinger,
• …
▪ Aanvulling: Deze metingen werden aangevuld met andere lichaamskenmerken: kleur ogen,
haar, huid, littekens, tatouages, … + vingerafdrukken (1894)
▪ Doel: klassificeerbaarheid, Bertillon ontwikkelde een systeem waarbij hij mensen indeelde in
3 klassen op basis van lichaamsmetingen: klein, middelmatig en groot. Dankzij dit
gestandaardiseerde systeem kon de politie verdachten veel makkelijker terugvinden en
herkennen, omdat iedereen op dezelfde manier gemeten en ingedeeld werd. Het was dus als
het ware een vroege vorm van een databank van criminelen.
o Foto’s van verdachte (mugshots): Hij introduceerde ook de standaardfoto van verdachten, de bekende
voor- en zijaanzichtfoto die we vandaag nog steeds kennen als een "mugshot".
o Potrait parlé: daarnaast ontwikkelde hij ook het "portrait parlé" ("het sprekend portret"). Dit was een
systeem van zeer gedetailleerde beschrijvingen van het gezicht, waarbij vormen en afmetingen op een
gestandaardiseerde manier werden genoteerd. Het grote voordeel was dat de politie hiermee een
persoon kon herkennen op het terrein zonder foto of lichaamsmetingen — puur op basis van de
beschrijving.
3
, o Foto’s van de crime scene: Hij voegde ook foto's van de crime scene toe aan zijn methode. Belangrijk
hierbij was het gebruik van metrische fotografie — dit betekent dat er een meetlat of referentieobject
op de foto werd geplaatst, zodat je de echte afmetingen op de foto kon afleiden.
o Anthropometrie van Bertillon gebaseerd op bevindingen van Adolphe Quetelet (Gent):
Quetelet was één van de eersten die statistische methoden toepaste in de sociale
wetenschappen. Hij ontwikkelde de "theorie van de gemiddelde mens": een persoon die
gekenmerkt wordt door de gemiddelde waarden van alle gemeten variabelen die aan
menselijk gedrag ten grondslag liggen (bv: gemiddelde persoon is 1.70m, 68kg, bruin
haar,…)
▪ Belangrijk hierbij is dat hoe meer parameters je met elkaar vergelijkt, hoe kleiner
de kans wordt dat twee personen exact dezelfde combinatie hebben. Zo is de kans dat twee
personen dezelfde lengte hebben 1 op 4, maar als je meer metingen (gewicht, haarkleur,..)
toevoegt wordt die kans steeds kleiner — en dus de identificatie steeds betrouwbaarder.
o Het systeem van anthropometrie werkte tot 1900, maar daarna stapte
men over op vingerafdrukken omdat die betrouwbaarder bleken.
▪ Reden = Will West case (1903). Een man werd de gevangenis
binnengebracht en de bediende nam de gebruikelijke
metingen en foto's. Hij herkende hem meteen — de
gegevens waren identiek aan die van een zekere William
West, die al veroordeeld was voor moord. De bediende vroeg
of hij al eerder in de gevangenis had gezeten, maar de man ontkende dit. En inderdaad — hij
was een compleet andere persoon, maar met exact dezelfde metingen en beschrijvingen. Dit
bewees dat het systeem niet betrouwbaar genoeg was om mensen uniek te identificeren. Vanaf
dan werd het vervangen door vingerafdrukken (niet langer als aanvulling, maar vervanging)
- 1847-1915: Hans Gross (1847-915), een Oostenrijke jurist en criminoloog en ook grondlegger van crimineel
profileren, schreef in 1893 een boek genaamd “criminal investigation: a practical textbook” over het
gebruik van wetenschappelijk in onderzoek naar misdrijven (bv: microscopie, vingerafdrukken,…)
- 1859-1935: Alfred Dreyfus was een Joods-Franse officier die valselijk beschuldigd werd van spionage voor
Duitsland (Dreyfus-affaire).
o Het "bewijs" was een document waarvan het handschrift gelinkt werd aan Dreyfus via een
handschriftanalyse door Bertillon in 1894. In 1895 werd hij veroordeeld tot levenslang. Later ontdekte een
nieuw hoofd van de inlichtingendienst dat Dreyfus onschuldig was, maar de legertop probeerde dit te
verdoezelen. De bekende schrijver Emile Zola schreef hierop zijn beroemde open brief "J'accuse" aan de
president van Frankrijk, over deze doofpot. In 1899 kreeg Dreyfus gratie (officieel nog steeds schuldig
verklaard maar kreeg geen straf). Pas in 1906 volgde zijn volledige vrijspraak. Dit is een belangrijk voorbeeld
van hoe foutief forensisch bewijs kan leiden tot een onterechte veroordeling.
- 1856: William Herschel was de eerste in Europa die vingerafdrukken ter identificatie (van
criminelen) gebruikte; vingerafdrukken werden pas in 1894 in het Bertillion-systeem
geïntroduceerd.
- 1880: Henry Faulds was één van de eersten die aantoonde dat vingerafdrukken uniek zijn —
geen twee mensen hebben dezelfde vingerafdrukken. Hij zag ook meteen het potentieel
hiervan voor de criminalistiek: als vingerafdrukken uniek zijn, kun je ze gebruiken om
criminelen te identificeren. Hij paste dit ook effectief toe in sporenonderzoek. .
- 1822-1911: Francis Galton beschreef de vaste patronen in vingerafdrukken en
ontwikkelde ook een classificatiesysteem om vingerafdrukken in te delen.
- 1877-1966: Edmond Locard was een Franse criminalist, die instond voor het eerste
forensische politie-laboratorium ter wereld, en staat bovendien ook bekend om het
"Locard’s Exchange Principle": elke keer dat twee objecten of personen contact maken,
laten ze sporen achter op elkaar (“every contact leaves a trace”, examen!!!!!!!!!!). Met
andere woorden: indien er contact is tussen dader en slachtoffer, laat de dader altijd iets
achter op de plaats delict, en neemt hij/zij altijd iets mee, deze zaken noemt men “physical evidence” (haarvezel,
DNA, nagel,…). Dit principe vormt nog steeds de basis van elk sporenonderzoek in de criminalistiek.
4
,- 1868-1943: Karl Landsteiner ontdekte in 1901 bloedgroepen (A, B, AB, O), wat kan helpen bij de
identificatie van de verdachte of slachtoffer.
- 1887-1954: Na de ontdekking door Karl Landsteiner ontwikkelde Leone Lattes een procedure om
bloedgroepen te bepalen van een opgedroogde bloedvlek, wat essentieel was voor forensisch onderzoek.
- 1891-1955: Calvin Goddard was de grondlegger van de forensische ballistiek. Hij was de eerste die
systematisch de vergelijkende microscoop gebruikte om wapens, kogels en hulzen met elkaar te
vergelijken.
- 1858-1946: Albert Osborn was de grondlegger van "document examination" — het onderzoeken van
documenten op echtheid. Hij keek daarbij naar zaken zoals het soort papier, het handschrift en
spellingfouten. In 1910 schreef hij het boek "Questioned Documents" over hoe je de authenticiteit van
een document kunt bepalen.
o Bekendste zaak = baby Lindbergh case (1932): Een 2-jarige baby werd ontvoerd en er werd
losgeld geëist via een brief. De verdachte Bruno Hauptmann verklaarde zich onschuldig, maar dankzij een
document examination door Osborn werd hij toch veroordeeld — het onderzoek van de losgeldbrief
linkte hem aan de ontvoering.
- 1909 → Eerste forensisch wetenschappelijk instituut ter wereld, opgericht aan de Universiteit van Lausanne door
Archibald Reiss
- 1928 → Forensisch laboratorium van de politie van Los Angeles
- 1932 → Forensisch laboratorium van de FBI
- 1948 → Oprichting van de American Academy of Forensic Sciences (AAFS)
- 1953: Crick en Watson ontdekten de structuur van DNA — de bekende dubbele
helix. Dit was een revolutionaire ontdekking, want DNA is de drager van alle
genetische informatie van een levend organisme en legde de basis voor wat later
één van de krachtigste tools in de criminalistiek zou worden: DNA-analyse.
- 1983: Kary Mullis ontwikkelde de PCR-techniek (Polymerase Chain Reaction). Dit
is een methode om een klein stukje DNA miljoenen keren te
kopiëren (vermenigvuldigen). Dit was enorm belangrijk voor de criminalistiek, want vaak zijn DNA-sporen op een
plaats delict zeer klein — dankzij PCR kon men zelfs uit een heel klein spoor toch een bruikbaar DNA-profiel
opstellen.
- 1984: Alec Jeffreys ontdekte dat DNA uniek is voor elk individu — elke persoon heeft zijn eigen unieke DNA-
sequentie (unieke opeenvolging van DNA-nucelotide), ook wel het DNA-profiel genoemd. Dit noemt men ook wel
"genetic fingerprinting", vergelijkbaar met een vingerafdruk maar dan op genetisch niveau.
o Dit had enorme toepassingen:
▪ Identificatie → wie is deze persoon?
▪ Misdrijven oplossen → DNA van een plaats delict koppelen aan een verdachte
▪ Verwantschap bepalen → bijvoorbeeld bij vaderschapstesten
▪ Erfelijke ziekten opsporen → aanleg voor bepaalde ziekten detecteren
-
5
, CRIMINALISTIEK IS WETENSCHAP
Zoals je kunt zien ken medische criminalistiek (specifiek) en forensiche wetenschappen een lang en uitgebreide historische
evolutie, waarbij criminalistiek vandaag de dag zeker wordt beschouwd als WETENSCHAP aangezien het voldoet aan de 6
vooropgestelde criteria van wetenschappelijk onderzoek:
(1) Consistent (Consistent): resultaten moeten gebaseerd zijn op herhaalbare observaties en/of uitleg
(2) Observeerbaar (Observable): moet observeerbaar zijn door menselijke zintuigen of uitbreiding ervan (vb;
microscoop, computer, …)
(3) Natuurlijk (Natural): moet deel uitmaken van fysieke wereld (niet bovennatuurlijk)
(4) Voorspelbaar (Predictable): resultaten of observatie kunnen gebruikt worden om voorspellingen te doen
(5) Testbaar (Testable): resultaten moeten kunnen getest worden d.m.v. gecontroleerde experimenten
(6) Voorlopig (Tentative): theorieën zijn onderworpen aan voortdurende revisie en correctie
Criminalistiek is dus geen willekeurig vakgebied — het volgt de wetenschappelijke methode:
(1) Zorgvuldige observatie en vraagstelling
(2) Een hypothese opstellen: een beredeneerde veronderstelling om iets te verklaren
(3) De hypothese testen via experimenten
a. Binnen experimenten wordt er gewerkt met variabelen, Hierbij zijn er 2 soorten:
i. Onafhankelijke variabele (oorzaak) → Dit is de veronderstelde oorzaak, het is iets dat je wijzigt of
toevoegt aan het onderzoek om te achterhalen of het impact heeft op de afhankelijke variabele.
ii. Afhankelijke variabele (gevolg)→ dit is wat verandert als gevolg van de onafhankelijke variabele.
b. Ideaal gezien verander je maar 1 variabele per experiment, zodat je zeker weet wat de oorzaak is van het
resultaat. In de praktijk wijzigen er echter vaak meerdere variabelen tegelijk.
(4) Resultaten verzamelen en analyseren
(5) Een besluit trekken
3. BASISPRINCIPES VAN FORENSISCHE BEWIJSANALYSE (GOED KENNEN EXAMEN)
De 5 kernprincipes gelden voor elk criminalistisch onderzoek en helpen antwoorden te geven op de vragen: wie? wat?
waar? wanneer? waarmee? waarom? en hoe? Via het bewijsmateriaal probeert men steeds de meest waarschijnlijke uitleg
te geven voor de gebeurde feiten. Soms dient het bewijs echter niet om iets te bewijzen, maar juist om een mogelijke uitleg
of verdachte uit te sluiten.
- (1) Transfer → sporen worden overgebracht tussen personen/objecten (Locard principe)
- (2) Identificatie & classificatie → wat is het spoor en tot welke groep behoort het?
o Identificatie bepaalt de samenstelling van het spoor (uit welke stof bestaat het aangetroffen
materiaal?...)
o Classificatie bepaalt de klasse – het type spoor (tot welke groep stoffen/voorwerpen behoort het
aangetroffen materiaal?)
- (3) Individualisatie → bepaalt de unieke gemeenschappelijke bron van sporen (van welke unieke stof/voorwerp is
het materiaal afkomstig?)
- (4) Associatie → bepaalt het relevant contact (relatie tussen spoor en bron)
- (5) Reconstructie → hoe is het gebeurd, waar en wanneer?
- + (6) Een aanvullende 6de fundamenteel principe: deelbare materie
HISTORIEK
Er waren enkele belangrijke werken die de forensishce wetenschappen en de daarbijhorende basisprincipe van bewijsanalyse
hebben vormgegeven, zoals:
- Paul L Kirk (1953): “Crime Investigation : physical evidence and the police laboratory interscience”
o Hij stelde dat sporenonderzoek enkel door OPGELEIDE PERSONEN mag gebeuren, aangezien de waarde van
bewijsmateriaal enkel kan verminderen door menselijk falen om het aan te treffen en te interpreteren. Zo stelt
hij dat een forensische onderzoek volgende zaken dient te weten:
▪ wat bewijsmateriaal is
▪ hoe het te bewaren
▪ hoe er de nodige informatie uit te bekomen
▪ hoe deze informatie te interpreteren
6
,- Svensson & Wendel (1955): “Crime detection”
o Zij gaven de eerste beschrijving van de correcte werkwijze op een crimescene, met nadruk op:
▪ A: De zorg waarmee bewijsmateriaal moet behandeld worden
▪ B: Taak van de crime-scene-officier om de crime scene te bewaren
- Leland Jones (1959): “Scientific Investigation and Physical Evidence: a Handbook for Investigators”
o (1) Belang van het verzamelen van AL het potentieel bewijsmateriaal op de crime scene,
o (2) Belang van het correct labelen van het bewijsmateriaal (zodat het makkelijk terug te vinden is)
o (3) Chain of custody dient ook bijgehouden te worden
▪ “keten van bewaring”: doorheen het proces zijn er verschillende actoren die werken met
éénzelfde spoor, dus er moet een duidelijke registratie zijn van: wie, wanneer en waar, zodat
het er altijd geweten is waar en bij wie het bewijsstuk is geweest of zich bevindt. Het is dus een
gedetailleerde registratie van alles wat er met een bewijsstuk gebeurt, vanaf het moment dat
het gevonden wordt op de crime scene tot wanneer het gepresenteerd wordt in de rechtbank)
o (4) Voorkomen van contaminatie (dit is elke ongewenste transfer die plaatsvindt nádat het misdrijf is
gestopt. Concreet betekent dit dat er nieuwe sporen worden toegevoegd aan de crime scene of aan het
bewijsmateriaal die er eigenlijk niet thuishoren
- Paul L Kirk (1963): The ontogeny of criminalistics - Journal of Criminal Law and Criminology
o Hij stelde dat criminalistiek de wetenschap van individualisatie is. Hiermee bedoelde hij dat het
uiteindelijke doel van criminalistisch onderzoek altijd is om iets of iemand uniek te identificeren — dus
niet alleen zeggen "dit is een haar" maar "dit is de haar van deze specifieke persoon".
▪ Dit baseerde hij op het principe van de uniciteit: de natuur herhaalt zichzelf nooit. Alles in de
natuur heeft kleine variaties en verschillen, waardoor elk object, elke persoon en elk spoor in
theorie uniek is. Denk aan:
• Geen twee vingerafdrukken zijn identiek
• Geen twee DNA-profielen zijn hetzelfde
• Geen twee glasscherven breken op exact dezelfde manier
▪ Deze variabiliteit in de natuur is dus net de basis waarop criminalistiek werkt — omdat alles
uniek is, kan je sporen herleiden naar één specifieke bron
- Inman & Rudin (2002): “The origin of evidence”
o De 6de aanvulling (deelbare materie): zij stelden vast dat het bestaande model van 5 basisprincipes niet
volledig was. Er ontbrak iets fundamenteels: voordat een spoor kan worden overgedragen, moet de
materie zich eerst opdelen.
▪ Stel je voor: een vezel van een trui kan pas op een slachtoffer terechtkomen als die vezel zich
eerst losgemaakt heeft van de trui. Dit klinkt logisch, maar was nog nooit formeel opgenomen
als basisprincipe.
▪ Hun definitie: Wanneer voldoende kracht wordt uitgeoefend, deelt materie zich op in kleinere
delen. Die delen krijgen kenmerken van het deelproces zelf én behouden de fysico-chemische
eigenschappen van het originele stuk.
▪ Dit principe heeft 3 belangrijke gevolgen:
• Gevolg 1 → sommige kenmerken van de kleinere stukken zijn uniek voor het originele
item → nuttig voor individualisatie
• Gevolg 2 → sommige kenmerken zijn gemeenschappelijk met andere gelijkaardige
items → nuttig voor classificatie
• Gevolg 3 → sommige kenmerken gaan verloren tijdens of na de deling → moeilijker
om gemeenschappelijke bron aan te tonen
▪ Zij gebruikten het voorbeeld van een gebroken pot om hun principe uit te leggen.
• Als de pot breekt in grote stukken → die grote stukken bevatten nog duidelijk de
kenmerkende textuur van de originele pot. Daarmee kun je ze herleiden naar een
kleine groep van potten met dezelfde textuur → nuttig voor individualisatie
• Als de pot breekt in heel kleine stukjes → die kleine stukjes bevatten de textuur niet
meer. Je kunt dan alleen nog de minerale samenstelling vergelijken, wat veel meer
potten gemeen hebben → je kunt ze enkel nog in een brede klasse plaatsen
7
,o Nieuw paradigma van Inman & Rudin: Ze stelden een nieuw, georganiseerd forensisch paradigma (dat
verder draait rond de basisprincipes maar met enkel aanvullingen) op waarbij alles draait rond één centraal
punt: het misdrijf. Dit misdrijf is het resultaat van het samenkomen van (1) suspect, (2) victim, (3) Scene &
(4) Witnesses. Zij maken als gevolg een onderscheid tussen 2 fasen, genaamd als volgt
▪ A: Fasen van de wetenschappelijke principes: HOE BEWIJS ONTSTAAT
• Dit zijn processen die plaatsvinden onafhankelijk van menselijk ingrijpen:
o Deelbare materie → materie deelt zich op door kracht
o Transfer → die materie wordt overgebracht naar een andere persoon of object,
ze maken echter onderscheid tussen 2 types van transfers:
▪ Transfer van materie → een fysiek stukje van iets wordt overgebracht.
vb. bloeddruppel, vezel, haar. Hiervoor is eerst deelbare materie nodig
— het stukje moet zich eerst losmaken voordat het overgebracht kan
worden
▪ Transfer van kenmerken/patronen → niet de materie zelf, maar het
patroon wordt overgebracht. vb. een vingerafdruk, een schoenzool
afdruk. Hiervoor is deelbare materie NIET noodzakelijk — je drukt
gewoon een patroon af zonder dat er materie loskomt
• Deze twee principes bepalen dus hoe sporen ontstaan vóór en tijdens het misdrijf,
ongeacht of iemand ze later ontdekt of niet.
▪ B: Fasen van Forensische processen: HOE BEWIJS GEANALYSEERD WORDT
• Dit zijn processen die pas starten wanneer een mens het bewijs herkent:
o Identificatie → bepaalt de samenstelling van het spoor (uit welke stof bestaat
het aangetroffen materiaal? …)
▪ vb. wit poeder = cocaïne. Soms is dit het eindpunt van het onderzoek
— men hoeft niet altijd te weten waar het vandaan komt
o Classificatie → bepaalt de klasse, het type spoor (tot welke groep
stoffen/voorwerpen behoort het aangetroffen materiaal?)
o Individualisatie → bepaalt de unieke gemeenschappelijke bron van sporen
o (van welke unieke stof/voorwerp is het materiaal afkomstig?)
o Associatie → bepaalt het relevant contact (relatie tussen spoor en bron)
o Reconstructie → wat is de volgorde van de gebeurtenissen in tijd en ruimte?
Antwoordt op: waar? hoe? wanneer?
▪ (!!!!) Het grote verschil met het vroegere model is dat Inman en Rudin een logische opdeling
maakt en deelbare materie toevoegd:
• Principes (deelbare materie + transfer) → bepalen hoe bewijs ontstaat, onafhankelijk
van mensen
• Processen (identificatie, classificatie, individualisatie, associatie, reconstructie) →
bepalen hoe mensen dat bewijs analyseren en interpreteren
8
, TRANSFER (LOCARD PRINCIPE)
Transfer volgens het Locard principe houdt in dat "Elke handeling
van een mens, en zeker een gewelddadige handeling zoals een
misdrijf, niet kan plaatsvinden zonder een spoor achter te laten." Of
eenvoudiger gezegd: elke contact laat sporen na in beide richtingen
— de dader laat iets achter op de crime scene, en neemt iets mee
van de crime scene.
- Zoals eerder kan de transfer gaan over (1) Materie
(bloeddruppel, vezel, haar) of (2) kenmerken (vingerafdruk,
schoenzool-afdruk,..). De hoeveelheid transfer die
plaatsvindt is afhankelijk van verschillende factoren:
o Druk tijdens contact: hoe harder het contact, hoe
meer materiaal wordt overgebracht. Ook de duur
speelt mee — een kort contact transfereert minder dan een lang contact
o Aantal contacten: 10 contacten tussen twee objecten resulteert in meer overgebracht materiaal dan slechts 1
contact
o Hoe makkelijk het materiaal overdraagbaar is → modder wordt bijvoorbeeld veel gemakkelijker overgebracht
dan beton
o Vorm van het bewijs → vast, vloeibaar of gasvormig materiaal gedraagt zich anders bij transfer
o Betrokken oppervlak → een groter oppervlak (m²) zal meer materiaal transfereren dan een klein oppervlak
(cm²) van hetzelfde materiaal
o Directe versus indirecte transfer → bij directe transfer gaat het spoor rechtstreeks van bron naar doelwit. Bij
indirecte transfer gebeurt dit via een tussenstap. vb. iemand heeft een hond thuis, hondenharen komen op zijn
kleren terecht. Hij gaat zitten op een stoel, waardoor de haren daar terechtkomen — zonder dat de hond ooit
op die stoel heeft gezeten
PERSISTENTIE
Na een transfer zal een spoor blijven (persisteren) op die plaats TOTDAT er één van deze drie dingen gebeurt, waardoor
de materie dus niet meer op het object of persoon te vinden is:
- (1) Verdere transfer → het spoor wordt opnieuw overgebracht naar een ander(e) plaats, object of persoon
- (2) Degradatie → het spoor gaat kapot of verdwijnt door de tijd of omgeving
- (3) Verzameling als bewijs → het spoor wordt opgepikt door een onderzoeker
Hoe lang een spoor blijft hangen (persistentie) hangt af van:
- Soort bewijs → haar, bloed en werktuigsporen gedragen zich allemaal anders
- Locatie → waar bevindt het spoor zich?
- Omgeving → temperatuur, vochtigheid, wind...
- Tijd tussen transfer en collecte → hoe langer gewacht, hoe meer verlies
- Activiteit op/rond de locatie → beweging versnelt het verlies van sporen
Een concreet voorbeeld: na 4 uur is al 80% van de getransfereerde vezels verloren bij normale activiteit. Dit toont aan
hoe snel sporen kunnen verdwijnen en hoe belangrijk het is om snel te handelen op een crime scene.
CONTAMINATIE
Contaminatie is elke ongewenste transfer die plaatsvindt nádat het misdrijf is gestopt. Dit betekent dat er
nieuwe sporen worden toegevoegd aan het bewijsmateriaal die er eigenlijk niet thuishoren, waardoor het
bewijs onbetrouwbaar wordt. Het is bijna onmogelijk om contaminatie volledig te vermijden, maar je kunt het
wel minimaliseren door:
- Apart verpakken van elk bewijsitem: zo kunnen twee bewijsstukken elkaars sporen niet beïnvloeden
- Beschermende kledij → handschoenen, overall, mondmasker... zodat de onderzoeker zelf geen sporen achterlaat
- Gestandaardiseerde kwaliteitsprotocols → vaste werkwijzen die iedereen volgt zodat er zo weinig mogelijk fouten
worden gemaakt
- Chain of custody → een gedetailleerde registratie van de beweging van elk bewijsstuk, vanaf het moment dat het
gevonden wordt op de crime scene tot wanneer het gepresenteerd wordt in de rechtbank. Zo kan altijd aangetoond
worden dat het bewijs niet gemanipuleerd of verwisseld is
9