Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Macroeconomie | VUB | 2025/26

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
38
Geüpload op
14-07-2026
Geschreven in
2025/2026

Deze collegeaantekeningen voor Macroeconomie aan de Vrije Universiteit Brussel behandelen de fundamenten van macroeconomisch denken en de geschiedenis van macroeconomische theorieën. De stof omvat klasieke economie, Keynesiaanse modellen, monetarisme, reële conjunctuurcycli, nieuw-Keynesiaanse benaderingen, en moderne groeitheorieën inclusief endogene groei en klimaatmodellen. Ideaal voor voorbereiding op toetsen en tentamens - alle kernconcepten zoals exogene en endogene variabelen, stagflatie, en economische modellering zijn helder uitgelegd met historische context.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Macroeconomics

1. The Science of Macroeconomics
1.1. What Macroeconomists study
Het is een studie van de economie van een land, maatschappij of regio als geheel. De ontwikkeling van de economie wordt gemeten via
geaggregeerde variabelen (berekend over huishoudens in een geografisch gebied): inflatievoet, vermogen, BBP, korte- en langetermijnrente.

Begrippenlijst:

Recessie Een conjunctuurfase die gekenmerkt wordt door teruglopende groei van de economische activiteiten, waarbij BBP
(waaronder het inkomen) onder het gemiddelde ligt en dus daalt.
Dit is een milde daling.
Depressie Dit is hetzelfde als een recessie, alleen is er een sterkere daling.
Deflatie Een situatie waarin je steeds meer kunt kopen met hetzelfde geldbedrag doordat de prijzen dalen; daling van prijspeil.

Inflatie Een situatie waarin je geld minder waard wordt; prijsverhoging ofwel waardevermindering van geld.
Market De prijs van een goed of dienst is in evenwicht; het punt waar gevraagde en aangeboden hoeveelheid gelijk zijn aan elkaar.
clearing In dit geval zijn de prijzen én lonen flexibel.

In voortdurend bewegende (‘continuous’) markten moeten prijzen zich voortdurend aanpassen aan de verandering. Dit
gebeurd niet op hetzelfde tempo als de markt zelf, waardoor prijzen ‘sticky’ worden genoemd.
 Allebei een goede methode om problemen op lange termijn te bestuderen.
Stagflatie Een fenomeen waarbij inflatie en werkloosheidcijfers te hoog zijn. Er is een te lage groei.


1.2. How Economists think
Er wordt gebruik gemaakt van modellen om economische variabelen te verklaren. Het is een hulpmiddel om alleen te focussen op belangrijke
verbanden.
Empirische modellen vertrekken vanuit empirische data en vormen zo conclusies.
Theoretische modellen bouwen een model via logica en toetsten dit aan de empirische data.

Soorten variabelen:
 Exogeen = deze worden buiten het model bepaald, en zijn input van het model.
 Endogeen = deze worden binnen het model bepaald, en zijn output van het model.
 Via modellering probeert men de invloed van exogene variabelen op endogene variabelen te verklaren.

Macro-economische modellen verschillend door de bestudeerde endogene variabelen en de opgenomen exogene variabelen. Modellen die
dezelfde fenomenen, dus endogene variabelen, verklaren kunnen verschillende conclusies opleveren. Het is daarom belangrijk om rekening te
houden met het volgende: (1) modelassumpties, (2) soort variabelen en (3) beantwoordbare vragen via model en niet beantwoordbare vragen
via het model.

2. The Data of Macroeconomics (A brief history of Macroeconomic thought)
Deze modellen introduceren het vereiste gebruik van wiskundige oplossingsmethoden.

Klassieke visie (voor de jaren 1930)

De totale productie (Y) hangt volledig af van de aanbodzijde (AS-curve). Hierbij heeft de vraag van consumenten (Aggregeerde vraag) geen
invloed op de hoeveelheid die geproduceerd wordt. Dus een verandering in productie wordt veroorzaakt door verandering in productiefunctie
(A,K,H).

De markt is zelfregulerend via flexibele lonen en prijzen. Als er werkloosheid is, dalen de lonen totdat iedereen weer werkt (verandering tot er
een evenwicht is). Hierdoor is er, buiten belofte aan volledige prijs- en loonflexibiliteit, geen nood aan een monetair of budgettair beleid.

Schommelingen (in verband met aanbodzijde-schokken) werden gezien als een tijdelijke aanpassing aan de aanbodzijde; de markt zou dit zelf
corrigeren, aangezien het zelfregulerend is.

De AS-curve is verticaal, wat betekent dat de economie altijd op zijn
maximale vermogen produceert (ongeacht de prijzen).
E1 duidt het economisch evenwicht aan, waar de aggregeerde aanbod en
aggregeerde vraag gelijk zijn.
E2 is een reactie op een negatieve schok, waardoor AS-curve naar links
verschuift: productie daalt, prijsniveau stijgt.




Grote depressie en ‘de geboorte van de macro-economie’ (jaren 1930)

,Deze periode wordt gekenmerkt door hoge werkloosheidcijfers en daling van economische output. Volgens de klassieke visie kon langdurige
werkloosheid niet bestaan zolang prijzen en lonen daalden. Echter, bleef de werkloosheid stijgen en productie dalen aangezien de markt niet
zelfregulerend is.

Er was nood aan een nieuw beleid, met als gevolg het ontstaan van macro-economie met John Maynard Keynes als hoofdfiguur. Keynes’
nieuwe inzichten:

 Menselijke emoties en onvoorspelbaar consumentenvertrouwen beïnvloeden bedrijfsinvesteringen en zorgen voor schommelingen
(conjunctuurcycli).
 Prijzen en lonen zijn ‘stroperig’ en gaan niet direct omlaag bij een crisis.
 Budgettair en monetair beleid van overheid is nodig voor stabilisatie van de economie.
 De aggregeerde vraag is de belangrijkste drijfveer van de economie.

 De overheid moet de vraag stimuleren om de productie weer omhoog te krijgen.

Linkse grafiek: evenwicht in E1, waarbij AS1 niet verticaal is.
Rechtse grafiek: vraagcurve naar links, waarbij er een nieuw evenwicht E2 is
met een lagere Y en lagere P.




Naoorlogse Keynesiaanse synthese (jaren 1940-1960)

De theorieën van Keynes over de conjunctuur worden verder uitgebreid en vastgelegd in wiskundige modellen. Economen begonnen ook
modellen te bouwen voor economische groei op langetermijn, zoals Solow-model en Swan-model in 1956.

IS-LM-grafiek toont het evenwicht tussen de rentevoet en productie. Dit is
een methode om relatie tussen inflatie en werkloosheid te beschrijven.
 Investering-besparing-curve = als rente daalt, stijgen investeringen
en productie.
 Liquiditeit-geldhoeveelheid = bij een hogere productie is er meer
vraag naar geld, wat rente doet stijgen.

Phillipscurve toont de negatieve relatie tussen inflatie en werkloosheid. Dit
is een methode om vraagzijde van economie in kaart te brengen.


Uitdagingen voor het Keynesianisme (jaren 1970)

Er ontstonden problemen die niet konden verklaard worden via Keynesiaanse modellen.

 Stagflatie = een combinatie van hoge inflatie en werkloosheid (lage groei). De Phillipscurve voorspelde dat dit niet samen kon
gebeuren.
 Monetarisme en Milton Friedman = inflatie is een monetair fenomeen. Mensen baseren gun consumptie op het permanente
inkomen niet op het besteedbare inkomen (wat ze nu verdienen). Daarnaast zijn de modellen structureel onjuist aangezien het geen
rekening houdt met het gedrag van mensen en overheidsbeleid.

Kwantitatieve modellen zijn gebaseerd op de micro-economische fundamenten:

 Reële conjunctuurcyclus (jaren 1980-1990) = modellen die stellen dat economische schommelingen gedreven worden door
aanbodzijde-schollen.
 Nieuw-Keynesiaanse modellen = een uitbreiding van RBC-modellen, met Keynesiaanse elementen zoals loon- en prijsrigiditeiten.
Deze konden de Global Financial Crisis niet verklaren, m.ag. introductie van financiële fricties en ‘behavioral’ elementen.

Moderne langetermijngroeitheorieën:

 Endogene groeitheorie (jaren 1980-1990) = de technologische vooruitgang komt voort uit bewuste investeringen in menselijk kapitaal
en Schumpeteriaanse creatieve-destructieve-dynamieken.
 Klimaatgroeimodellen (jaren 1990) = uitbreidingen van langetermijngroeimodellen door het opnemen van broeikasgasemissies en
klimaatschade.



3. Nationaal inkomen
3.1. Aanbod van goederen en diensten
Bruto binnenlands product (bbp) is de maatstaf van de totale uitgave aan nationale output van goederen en diensten (geaggregeerde aanbod)
én van het totale inkomen.; de waarde van goederen en diensten geproduceerd in 1 land in 1 jaar. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid input
(productiefactoren) en de mogelijkheid om deze te convergeren naar output.

,Productiefactoren zijn de inputs nodig om goederen en diensten te produceren, waarbij productief 2 productiefactoren vereist:

 Kapitaal (K) = verzameling van middelen dat arbeiders gebruiken.
 Arbeid (L) = de fysieke en mentale inspanning van werknemers.

In deze productiefunctie f (Y =F ( k , L )) zijn de productiefactoren vast (k =k , L=L ) en volledig benut (geen verspilling van input). Een
technologische verandering verandert de productiefunctie.

Eigenschappen/assumpties van productiefunctie:

-Constante schaalopbrengsten = een stijging met hetzelfde percentage in alle factoren van productie veroorzaakt een stijging in output met
hetzelfde percentage; F ( zK , zL )=zF ( K , L ) voor elke z >0
-Positieve marginale producten = een verhoging van een input verhoogt de output.

 Marginaal product of labor (MPL) is de extra hoeveelheid output dat een producent krijgt van een extra eenheid arbeid, gegeven dat
δF
kapitaal constant is; MPL= >0
δL
 Marginaal product of capital (MPK) is de extra hoeveelheid output dat een producent krijgt van een extra eenheid kapitaal, gegeven
δF
dat hoeveelheid van arbeid constant is; MPK = >0
δK
-Afnemend marginale producten

= de toename in productie door het verhogen van arbeid of kapitaal daalt naarmate de
arbeids- of kapitaalvoorraad hoger is.

In dit geval, daalt het marginaal product van arbeid als de hoeveelheid van arbeid stijgt,
gegeven dat kapitaal vast is. Dit is de helling van de productiefunctie

Marginale producten blijven positief.




Cobb-Douglas productiefunctie modelleert de relatie tussen output en productiefactoren. Het is een methode om de verhoudingen van input
te berekenen voor een efficiënte productie en de technologische verandering te bepalen; Y = A k α L1−a

 A = de totale factorproductiviteit; een hogere waarde van A betekent een hogere productie.
 α = kapitaalaandeel in het inkomen (meestal ca. 0,25); een waarde tussen 0 en 1. Als α = 0, dan verdient arbeid al het inkomen.
 1 – α = arbeidsaandeel in het inkomen (meestal ca. 0,75)

Deze voldoet zowel aan de constante schaalopbrengsten als afnemende marginale producten als positieve marginale producten.

 Marginal product of labor (MPL) = (1) een stijging in kapitaal laat het stijgen, (2) een stijging in hoeveelheid arbeid laat het dalen en
(3) een technologische verbetering (A) laat alle MP stijgen; MPL=( 1−∝ ) Y / L
 Marginal product of capital (MPK) = (1) een stijging in hoeveelheid kapitaal laat het dalen, (2) een stijging in hoeveelheid arbeid laat
het stijgen en (3) een technologische verbetering (A) laat alle MP stijgen; MPK =∝Y / K



3.2. Inkomen over de productiefactoren
De totale waarde van geproduceerde goederen en diensten (bbp) is gelijk aan het nationaal inkomen. Dit wordt verdeeld over 2 belangrijke
productiefactoren: (1) arbeidsaandeel in vorm van loon/voordelen en (2) kapitaalaandeel in vorm van winsten/rente/dividend. Er zijn 2
verschillende visies over de oorzaak van de verdeling:

Marktwaarde De verdeling wordt bepaald door marginale producten (van arbeid en kapitaal) in een productiefunctie.
Productiefunctie:
 Kapitaalinkomen = MPK x K (hoeveelheid kapitaal)
 Arbeidsinkomen = MPL x L(hoeveelheid arbeid)

Cobb-Douglas-productiefunctie (de aandelen van arbeid en kapitaal in het totale inkomen zijn constant):
 Kapitaalinkomen = αY
 Arbeidsinkomen = ( 1−α ) Y
Macht en politiek De verdeling wordt bepaald door marginale producten en de machtsdynamieken/politieke keuzes.

, Er wordt hierbij een afwijking a geïntroduceerd die de afwijking tussen opbrengsten voor kapitaal en arbeid én hun
respectievelijke marginale producten:
 Kapitaalinkomen = ( MPK x a ) x K

 Arbeidsinkomen =
( MPL x 1a ) x L
Als a groter is dan 1, zal het kapitaal meer macht hebben. De eigenaren krijgen een hogere vergoeding dan hun
werkelijke productiviteit (MPK) zou rechtvaardigen. Dit is nadelig voor arbeid.
Als a kleiner is dan 1, zal arbeid meer macht hebben. Werknemers krijgen een groter deel dan op basis van hun
productiviteit voorspeld zou worden.



In macro-economische modellen wordt er aangenomen dat de verdeling tussen arbeid en kapitaal constant blijft. Als de economie groeit,
groeien zowel de lonen als winsten in dezelfde verhouding. Dit was zichtbaar tot na de 2 de wereldoorlog; economen vrezen nu voor een
verstoring van deze stabiliteit door opkomst van AI.



3.3. Vraag naar goederen en diensten
Er is een macro-economisch evenwicht waar de geaggregeerde aanbod gelijk is aan de geaggregeerde vraag. Hierbij correspondeert de
geaggregeerde vraag met de som van consumptie (C), investeringen (I), overheidsbestedingen (G) en netto-export (NX).

Een gesloten economie is een situatie waarbij een land geen handel voert met andere landen, waardoor net export altijd 0 is; Y =C + I + G

 Y = productie (geaggregeerd aanbod)
 C = consumptie
 I = investeringen
 G = overheidsbestedingen

Een open economie is een situatie waarbij een land handel voert met andere landen; Y =C + I + G+ NX

 NX is positief, met als gevolg dat er geëxporteerd wordt (import is lager) en de geaggregeerde binnenlandse aanbod groter is dan de
geaggregeerde binnenlandse vraag.
 NX is negatief, met als gevolg dat er geïmporteerd wordt (export is lager) en de geaggregeerde binnenlandse aanbod kleiner is dan de
geaggregeerde binnenlandse vraag.



4. Het Monetaire systeem
4.1. Wat is geld?

Monetary policy refereert naar het maken van beslissingen over het nationale systeem van munten/currency/banking. Deze wordt opgesteld
door de centrale bank.

Geld is de voorraad van activa die gemakkelijk kan worden gebruikt om financiële transacties te verrichten, geen synoniem voor
rijkdom(geldcreatie verhoogt de liquiditeit van de economie, niet rijkdom). Men kan geldhoeveelheid verdelen in 2 componenten:

 Chartaal geld C = zijn bankbiljetten en munten (fysieke aanraking is mogelijk).
 Bankdeposito’s D = zijn betaalrekeningen, sommige spaarrekeningen.

Uitzondering: sommige activa (zoals woningen, aandelen, obligaties en kunstcollecties) worden niet beschouwd als geld.

Geldhoeveelheid kan gemeten worden met 3 indicatoren:

 M1 = chartaal geld + cheques + bankdeposito’s + spaardeposito’s
 M2 = M1 + termijndeposito’s + geldmarktfondsen
 M3 = M2 + langetermijndeposito’s



4.2. Geldcreatie – fractioneel reservebankieren

Geldhoeveelheid (money supply) is de hoeveelheid geld, uitgedrukt in dollars, dat de samenleving bezit. Het wordt geleverd door de som van
chartaal geld en bankdeposito’s: M =C + D

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
14 juli 2026
Aantal pagina's
38
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING
€8,66
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
zoeengels

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
zoeengels
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
3 uur
Aantal volgers
0
Documenten
5
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen