Hoofdstuk 1: Concepten
Concept = geeft een visueel beeld weer van wat de kern is, het basisidee is van
een muzische activiteit
Het nut / de reden van concepten
- Het biedt inspiratie en een houvast voor het bedenken van activiteiten
- Het zet bepaalde doelen vast waaruit je wil vertrekken
- Het ondersteunt de begeleiding zodat je weet waar de essentie ligt
- Het bepaalt de nabespreking
Het concept en zijn begrippen
Domein = je vermeld het muzisch domein (muziek, beeld, dans, drama, media)
Onderwerp = waarrond je werkt en welke invulling / betekenis jouw activiteit
heeft
Werkvorm = welke techniek waarmee je werkt de werkvorm van muzische
domeinen
Bouwsteen = aan welk basisbegrip werk je de bouwstenen van muzische
domeinen
Concepten samenstellen
Verschillende Voorbeelden
mogelijkheden
Starten met de werkvorm De leerkracht wil graag voor het grootouderfeest
de kleuters een gestructureerde dans aanleren. Dit
jaar staat superman in het thema en daarbij
vliegen we als superhelden van de ene naar de
andere wereld in een bepaalde volgorde.
Starten met de De leerkracht wil graag focussen op snelle en trage
bouwsteen bewegingen, binnen het lopende thema in de 2 de
kleuterklas van spinnen.
Starten met de Vertrekkende vanuit het thema poppen in de 3 de
doelstelling kleuterklas wil de leerkracht graag de kleuters
plezier laten ervaren en hen laten inleven in een
rol.
Doelen en concepten
Doelstellingen moeten ‘SMART’ zijn: Tips bij het formuleren van doelstellingen
S: specifiek - Verwerk de werkvorm en bouwsteen
M: meetbaar in je doelstelling
A: acceptabel - Doseer de doelstelling. In het
conceptkader gebruik je 1 concreet
doel 1
- Start je doelstelling met ‘de kleuters
kunnen…’
,R: realiseerbaar
T: tijdsgebonden
Hoofdstuk 2: Beeld
Bouwstenen
Bouwsten Betekenis
en
Kleur = de kleur van een oppervlak bij wit licht
Textuur = heeft te maken met het oppervlak, de huid van dingen
Lijn = verbinding van verschillende punten
Ruimte = diepte tonen in een plat vlak of spelen met driedimensionale
ruimte
Vorm = hoe iets eruitziet
Licht = door licht kunnen we zien
Composit = de ordening van onderdelen tot een geheel
ie
Gesprek over kunstwerken vanuit VTS – techniek
Hoe begin je een Nadruk ligt op kijken, luisteren naar elkaar en betekenis
gesprek? geven. De leerkracht herhaalt wat kinderen zeggen en
wijst dingen aan op het kunstwerk.
Welke vragen stel 1. Wat gebeurt er op dit beeld?
je? 2. Waaraan zie je dat?
3. Wat kunnen we nog meer ontdekken?
De vragen zorgen dat kinderen gaan observeren, hun
mening verwoorden en leren argumenteren.
Van waar vertrek Je vertrekt vanuit het kunstwerk zelf. Maar bouwstenen
je? komen spontaan naar boven en thema’s ontstaan vanzelf.
Hoe maak je Aanwijzen: “Waar zie je dat?”
kinderen actief? Uitbeelden: emoties of houdingen nadoen
Bewegen: bewegen zoals het kunstwerk (bv. kronkelen,
springen)
Geluiden maken: wat hoor je erbij?
Inleven: “Stap eens in het schilderij”
2
, Werkvormen
Schilderen Druktechnieken Collage
Plastische werkvormen Ruimtelijk construeren
Werken in het vlak
Werkvorm schilderen
Schilderen = met verf sporen nalaten op een ondergrond
Materialen Technieken
- Plakkaatverf, waterverf, - Dekkend schilderen
acrylverf, inkt, ecoline… - Verdund schilderen
- Andere materialen om verf te - Nat op nat
mengen: zand, zaagsel, - Mengen
behangerslijm, scheerschuim… - Verdunde verf uitblazen met
- Schilderen op verschillende rietje
ondergronden: textiel, papier, - Bellen blazen
karton.. - Knikker door verf rollen
- Schilderen met rond of plat - Krassen in verf
penseel, kwast, materialen, - Verf combineren met ander
kam, tandenborstel… materiaal
Ondergrond: waarop? Techniek: hoe? Medium: waarmee?
- 2D / 3D - Penselen / - Plakkaatverf
- Stevig papier kwasten - Waterverf
- Karton - Een stuk spons - Acrylverf
- Hout - Een stokje - Ecoline
- Klei - Vinger / voeten - Inkt
- Tegel - Knikker - Modder
- Krassen in verf - Verf met zand
- Mengen
3