CULTUURANALYSE
BA1 – SEM1
2025-2026
UGENT
, Inleiding tot cultuuranalyse
Examenvragen: altijd gebaseerd op de voorbeelden van de les (nooit iets
ongezien)
geen detailvragen
2 open vragen (12/20) -> korte essays + meerkeuzevragen (8/20)
Voorbeeldvragen zeker studeren voor examen
Les 1
Cultuurtheorie/ Theory = kern vh menselijke denken
3 belangrijkste tradities:
- Structuralisme
- Poststructuralisme
- Post-poststructuralisme
Centrale vraag: verwondering
Cultuur =
• Altijd een verwijzing naar een geheel van gebruiken, overtuigingen,
instituties, gedragsvormen, normen, codes, ideeën, handelingen,
motivaties
• Altijd een verwijzing naar een verschil: er zijn historisch, nationaal,
regionaal, demografisch andere culturen
• Altijd zaken die niet inherent of natuurlijk zijn, maar dat wel lijken
• Basisoppositie: natuur versus cultuur
vb. jij en ik scheiden
Cultuur is
- Historisch contingent (vroeger konden vrouwen niet studeren)
- Cultureel contingent (Westers concept)
- Theorie & praktijk
- Observatie & participatie
- Normatief predicaat – betekent dat er dikwijls een soort oordeel aan vast
hangt (hoge & lage cultuur)
“Hoge cultuur”/ Canon = prestige (opera)
“Lage cultuur” = populair (voetbalmatch)
Idee ontstaat tijdens de Verlichting
Cultureel kapitaal = ik luister naar die band > ik ben naar hun concert gegaan > ik heb een
handtekening
V. Shklovksy: alles is automatisch -> geen cultuur (tijdens het werkleven)
uit cultuur haal je waarde, als je erover nadenkt maakt het alles
‘extra’
1
,Citaten slide 14-16 gaan er vnl over dat rond 1800 – 1850 er heel wat verandert.
Positieve wetenschap ontwikkelt zich heel snel, maar er komt ook meer en meer
aandacht voor de mens, het individu, zijn welzijn. Vandaar het benadrukken dat
cultuur, in tegenstelling tot wetenschap, dikwijls om iets unieks gaat, waar
menselijke creativiteit, verbeelding voor nodig is > zo onderscheidt de mens zich ook
van dieren, en van “weerkerende patronen” of wetten der fysica/biologie etc
Paradigma: stroming in het denken (Structuralisme, Poststructuralisme, Post-
poststructuralisme)
Structuralisme
https://www.youtube.com/watch?v=lxRJGOkt5w8
Grondlegger: Ferdinand de Saussure
“Taalkunde hoort te gaan van parole naar langue; van actief geproduceerde
(gesproken, geschreven) taal naar taalstructuur/theoretisch deel”
Taal w prescriptief (hoe taal zou moeten gebruikt worden – regels, normen,..) i.p.v.
descriptief (hoe taal daadwerkelijk gebruikt w – feiten – observaties - gebruik)
Taal is een structuur van tekens die in relaties van dichotomie staan
Uitgangspunt 1: taal lijkt chaotisch, maar er is orde door naar de diepe structuur te
kijken
Taalkunde moet descriptief zijn, niet prescriptief
Uitgangspunt 2: Taal is een structuur van tekens die in relaties van dichotomie
staan
1. Enkelvoudig teken is eigenlijke een tweeledige
structuur
Signe (teken) = signifiant (woord op zich) +
signifié (betekenis - mentale beeld dat je in
je hoofd hebt van iets) examen
Dichotomie tussen signifiant en signifié
Relatie van arbitrariteit (=relatie tussen
woord en betekenis is willekeurig (er is geen
echte reden waarom een bepaald ding zo
genoemd w)) + conventie (ongeschreven
regel over hoe taal gebruikt w (zoals
woordvolgorde of tekststructuur))
2. Alle tekens (microstructuren) vormen een macrostructuur (langue)
Relatie van dichotomie tussen tekens
Teken A = teken A (deze vorm heeft deze betekenis) omdat het
niet teken B, C, D,.. is
2
, Kat = niet-hond & daarom is kat = kat
niet-mens
niet-muis,…..
Resultaat: bijna oneindige máár beschrijfbare structuur
= geen chaos
= alles volgt regels, je kan het analyseren
Taal & cultuur werken als een systeem van verschillen (‘normaal’ bestaat alleen
omdat ‘abnormaal’ ook bestaat)
Dit alles (‘50) is ook een poging om deze tak van humane wetenschappen een
wetenschappelijke reputatie te geven. Structuralisme probeert te beschrijven hoe
alles aan regels beantwoordt:
- Van teken naar betekenis (letters vormen een woord > woord drukt iets
specifiek uit – bvb die tekening BOOM wordt een boom met wortels, stam,
takken etc in ons hoofd)
- Gaat sterk uit van tegenstellingen (& dat is ook de zwakte: door alles als
tegenstelling te zien, focus je teveel op de verschillen en te weinig op wat
gemeenschappelijk is + enkel in tegenstellingen denken is ook een
vereenvoudiging van mogelijke verhoudingen van dingen & mensen tot
elkaar)
Uitgangspunt 3: cultuur is zoals een taal
Cultuur maakt continu een verschil tussen A en B
-> valt uiteen in dichotomieën (man vs. vrouw, wit vs. zwart, hoge vs.
lage cultuur)
Wat zijn de opposities in een cultuur, hoe verschillen ze tussen
culturen?
- Toegang door analyse via objecten
- Het cultuurobject is perfect te vatten door de interne en externe
codes, figuren, tropen etc. nauwkeurig te catalogiseren, te beschrijven
& te formaliseren
Voorbeeld Get Out
= structuralisme
- Dichotomieën/ binaire tegenstellingen = contrasten: wit/zwart, man/vrouw,
jong/oud, stad/platteland….
3
BA1 – SEM1
2025-2026
UGENT
, Inleiding tot cultuuranalyse
Examenvragen: altijd gebaseerd op de voorbeelden van de les (nooit iets
ongezien)
geen detailvragen
2 open vragen (12/20) -> korte essays + meerkeuzevragen (8/20)
Voorbeeldvragen zeker studeren voor examen
Les 1
Cultuurtheorie/ Theory = kern vh menselijke denken
3 belangrijkste tradities:
- Structuralisme
- Poststructuralisme
- Post-poststructuralisme
Centrale vraag: verwondering
Cultuur =
• Altijd een verwijzing naar een geheel van gebruiken, overtuigingen,
instituties, gedragsvormen, normen, codes, ideeën, handelingen,
motivaties
• Altijd een verwijzing naar een verschil: er zijn historisch, nationaal,
regionaal, demografisch andere culturen
• Altijd zaken die niet inherent of natuurlijk zijn, maar dat wel lijken
• Basisoppositie: natuur versus cultuur
vb. jij en ik scheiden
Cultuur is
- Historisch contingent (vroeger konden vrouwen niet studeren)
- Cultureel contingent (Westers concept)
- Theorie & praktijk
- Observatie & participatie
- Normatief predicaat – betekent dat er dikwijls een soort oordeel aan vast
hangt (hoge & lage cultuur)
“Hoge cultuur”/ Canon = prestige (opera)
“Lage cultuur” = populair (voetbalmatch)
Idee ontstaat tijdens de Verlichting
Cultureel kapitaal = ik luister naar die band > ik ben naar hun concert gegaan > ik heb een
handtekening
V. Shklovksy: alles is automatisch -> geen cultuur (tijdens het werkleven)
uit cultuur haal je waarde, als je erover nadenkt maakt het alles
‘extra’
1
,Citaten slide 14-16 gaan er vnl over dat rond 1800 – 1850 er heel wat verandert.
Positieve wetenschap ontwikkelt zich heel snel, maar er komt ook meer en meer
aandacht voor de mens, het individu, zijn welzijn. Vandaar het benadrukken dat
cultuur, in tegenstelling tot wetenschap, dikwijls om iets unieks gaat, waar
menselijke creativiteit, verbeelding voor nodig is > zo onderscheidt de mens zich ook
van dieren, en van “weerkerende patronen” of wetten der fysica/biologie etc
Paradigma: stroming in het denken (Structuralisme, Poststructuralisme, Post-
poststructuralisme)
Structuralisme
https://www.youtube.com/watch?v=lxRJGOkt5w8
Grondlegger: Ferdinand de Saussure
“Taalkunde hoort te gaan van parole naar langue; van actief geproduceerde
(gesproken, geschreven) taal naar taalstructuur/theoretisch deel”
Taal w prescriptief (hoe taal zou moeten gebruikt worden – regels, normen,..) i.p.v.
descriptief (hoe taal daadwerkelijk gebruikt w – feiten – observaties - gebruik)
Taal is een structuur van tekens die in relaties van dichotomie staan
Uitgangspunt 1: taal lijkt chaotisch, maar er is orde door naar de diepe structuur te
kijken
Taalkunde moet descriptief zijn, niet prescriptief
Uitgangspunt 2: Taal is een structuur van tekens die in relaties van dichotomie
staan
1. Enkelvoudig teken is eigenlijke een tweeledige
structuur
Signe (teken) = signifiant (woord op zich) +
signifié (betekenis - mentale beeld dat je in
je hoofd hebt van iets) examen
Dichotomie tussen signifiant en signifié
Relatie van arbitrariteit (=relatie tussen
woord en betekenis is willekeurig (er is geen
echte reden waarom een bepaald ding zo
genoemd w)) + conventie (ongeschreven
regel over hoe taal gebruikt w (zoals
woordvolgorde of tekststructuur))
2. Alle tekens (microstructuren) vormen een macrostructuur (langue)
Relatie van dichotomie tussen tekens
Teken A = teken A (deze vorm heeft deze betekenis) omdat het
niet teken B, C, D,.. is
2
, Kat = niet-hond & daarom is kat = kat
niet-mens
niet-muis,…..
Resultaat: bijna oneindige máár beschrijfbare structuur
= geen chaos
= alles volgt regels, je kan het analyseren
Taal & cultuur werken als een systeem van verschillen (‘normaal’ bestaat alleen
omdat ‘abnormaal’ ook bestaat)
Dit alles (‘50) is ook een poging om deze tak van humane wetenschappen een
wetenschappelijke reputatie te geven. Structuralisme probeert te beschrijven hoe
alles aan regels beantwoordt:
- Van teken naar betekenis (letters vormen een woord > woord drukt iets
specifiek uit – bvb die tekening BOOM wordt een boom met wortels, stam,
takken etc in ons hoofd)
- Gaat sterk uit van tegenstellingen (& dat is ook de zwakte: door alles als
tegenstelling te zien, focus je teveel op de verschillen en te weinig op wat
gemeenschappelijk is + enkel in tegenstellingen denken is ook een
vereenvoudiging van mogelijke verhoudingen van dingen & mensen tot
elkaar)
Uitgangspunt 3: cultuur is zoals een taal
Cultuur maakt continu een verschil tussen A en B
-> valt uiteen in dichotomieën (man vs. vrouw, wit vs. zwart, hoge vs.
lage cultuur)
Wat zijn de opposities in een cultuur, hoe verschillen ze tussen
culturen?
- Toegang door analyse via objecten
- Het cultuurobject is perfect te vatten door de interne en externe
codes, figuren, tropen etc. nauwkeurig te catalogiseren, te beschrijven
& te formaliseren
Voorbeeld Get Out
= structuralisme
- Dichotomieën/ binaire tegenstellingen = contrasten: wit/zwart, man/vrouw,
jong/oud, stad/platteland….
3