Immunologie 2 Docent: An Willems
Immunologie 2
Hoofdstuk 1: Inleiding tot het immuunsysteem
Immuunsysteem = verdedigingssysteem
- Bescherming tegen ziekteverwekkers
• Tolerantie: onderscheid lichaamseigen en -vreemd → auto-immuunsysteem
• Danger: onderscheid gevaarlijk en ongevaarlijk → geen goed onderscheid: allergie
- Zeer complex
- 2 functionele verschillende delen
• Niet-specifiek of aangeboren immuunsysteem
• Specifiek, verworven of adaptief immuunsysteem → constant in opleiding voor infectieziekten
1. Het niet-specifiek immuunsysteem = aangeboren
- Mechanische barrière
• Huid
• Mucosa → deeltjes gevangen in mucus; via hoesten, niezen of trilhaarbeweging verwijderd
- Chemische componenten
• Lysozyme in lichaamsvochten = antibacterieel
• Zure laag van de huid = antibacterieel
• Zuur maagsap = bacteriedodend
• Acute fase eiwitten
• Complement
- Microbiologische componenten
• Commensalen darmflora: beschermend tegen potentiële pathogenen → verstoring door
antibiotica
- Cellulaire componenten
• Granulocyten en macrofagen: fagocyterende cellen
• Natural killer (NK) cellen: elimineren van viraal geïnfecteerde en/of getransformeerde cellen
(= kankercellen) → niet hetzelfde als T-killer cellen
Verloop
- Onmiddellijke respons: macrofagen
- Vroege geïnduceerde respons (na ± 4u): neutrofielen
==> Lokale inflammatie of ontsteking
• Pijn, warmte, roodheid en zwelling
• Cytokines uitgestuurd
o Vasodilatatie
o Verhoogde vasculaire permeabiliteit
o Rekrutering van immuun effectorcellen (neutrofielen)
1
,Immunologie 2 Docent: An Willems
Acute fase eiwitten
- Cytokines uitgestuurd → lever maakt acute fase eiwit
- CRP (C-reactive protein) bindt op oppervlak van bepaalde dode en stervende cellen en sommige
pathogenen
• Gemerkt voor opruiming
• Gemaakt door lever
• Belangrijk bij diagnose → bloedafname
2. Het specifiek immuunsysteem
= heel specifieke reactie op het pathogeen micro-organisme dat op dat moment een ontsteking veroorzaakt
→ specifieke antigenen geassocieerd met micro-organisme herkend
Gevolg: Vorming van immuunproducten gericht tegen die antigenen
Antigeenreceptoren op T- en B-cellen
- Onbegrensd aantal verschillende T- en B-cellen → herkennen elk een verschillend antigeen
- Binding van antigeenreceptor op antigeen → activatie (met hulp)
Humorale immuunrespons
- Bescherming tegen extracellulaire
pathogenen → vaak bacteriën
- Antilichamen beschermen ons door
• Neutralisatie
• Opsomisatie
• Complement activatie
Cellulaire immuunrespons
- Bescherming tegen intracellulaire pathogenen (virus, parasiet)
• T-helper 1 cellen (TH1-cellen)
▪ Sturen signalen uit om macrofagen te rekruteren
▪ Activeren macrofagen
▪ Spelen ook een rol in de activatie van CTL
• T-helper 2 cellen (TH2-cellen)
▪ Spelen een belangrijke rol in de activatie van B-cellen
- Cytotoxische T-lymfocyten (CTL): doden viraal geïnfecteerde cellen
4 essentiële eigenschappen van het specifieke immuunsysteem
- Specificiteit: Gericht tegen 1 specifiek pathogeen
- Onderscheid tussen lichaamseigen (self) en lichaamsvreemd (non-self) → tolerantie
- Onderscheid tussen gevaarlijke en niet-gevaarlijke lichaamsvreemde antigenen
- Immuungeheugen → Specifieke immuniteit → Vaccinatie
2
,Immunologie 2 Docent: An Willems
3. Een immuunrespons met niet-specifieke en specifieke componenten
WBC van belang in immuunsysteem
- Fagocyten:
• Niet-specifiek
• Herkennen en opnemen van microbiële
componenten
• Antigeenpresentatie
- Lymfocyten:
• Specifiek
• Productie antilichamen
• Geïnfecteerde cellen afdoden
Specifiek en niet-specifiek systeem verbonden
- Immuunrespons zowel aangeboren als specifieke componenten
• Vroegste respons = niet-specifiek
• Later: aangepaste specifieke respons
Verloop immuunrespons in functie van tijd
Verloop van een acute infectie die door een adaptieve
immuunrespons wordt overwonnen
Start adaptieve immuunrespons na 4 tot 7 dagen → Voordat
specifiek immuunsysteem actief is
Na het overschrijden van drempelwaarde wordt er
antigeenpresentatie gedaan. Dendritische cellen beginnen te
werken
x-as: tijd
y-as: concentratie aan pathogenen op plaats van infectie
Hoofdstuk 2: Het niet-specifiek immuunsysteem in detail
De onmiddellijke en vroeg-geïnduceerde respons
- Complement systeem
- Cellulaire respons
- De rol van cytokines
3
, Immunologie 2 Docent: An Willems
4
Immunologie 2
Hoofdstuk 1: Inleiding tot het immuunsysteem
Immuunsysteem = verdedigingssysteem
- Bescherming tegen ziekteverwekkers
• Tolerantie: onderscheid lichaamseigen en -vreemd → auto-immuunsysteem
• Danger: onderscheid gevaarlijk en ongevaarlijk → geen goed onderscheid: allergie
- Zeer complex
- 2 functionele verschillende delen
• Niet-specifiek of aangeboren immuunsysteem
• Specifiek, verworven of adaptief immuunsysteem → constant in opleiding voor infectieziekten
1. Het niet-specifiek immuunsysteem = aangeboren
- Mechanische barrière
• Huid
• Mucosa → deeltjes gevangen in mucus; via hoesten, niezen of trilhaarbeweging verwijderd
- Chemische componenten
• Lysozyme in lichaamsvochten = antibacterieel
• Zure laag van de huid = antibacterieel
• Zuur maagsap = bacteriedodend
• Acute fase eiwitten
• Complement
- Microbiologische componenten
• Commensalen darmflora: beschermend tegen potentiële pathogenen → verstoring door
antibiotica
- Cellulaire componenten
• Granulocyten en macrofagen: fagocyterende cellen
• Natural killer (NK) cellen: elimineren van viraal geïnfecteerde en/of getransformeerde cellen
(= kankercellen) → niet hetzelfde als T-killer cellen
Verloop
- Onmiddellijke respons: macrofagen
- Vroege geïnduceerde respons (na ± 4u): neutrofielen
==> Lokale inflammatie of ontsteking
• Pijn, warmte, roodheid en zwelling
• Cytokines uitgestuurd
o Vasodilatatie
o Verhoogde vasculaire permeabiliteit
o Rekrutering van immuun effectorcellen (neutrofielen)
1
,Immunologie 2 Docent: An Willems
Acute fase eiwitten
- Cytokines uitgestuurd → lever maakt acute fase eiwit
- CRP (C-reactive protein) bindt op oppervlak van bepaalde dode en stervende cellen en sommige
pathogenen
• Gemerkt voor opruiming
• Gemaakt door lever
• Belangrijk bij diagnose → bloedafname
2. Het specifiek immuunsysteem
= heel specifieke reactie op het pathogeen micro-organisme dat op dat moment een ontsteking veroorzaakt
→ specifieke antigenen geassocieerd met micro-organisme herkend
Gevolg: Vorming van immuunproducten gericht tegen die antigenen
Antigeenreceptoren op T- en B-cellen
- Onbegrensd aantal verschillende T- en B-cellen → herkennen elk een verschillend antigeen
- Binding van antigeenreceptor op antigeen → activatie (met hulp)
Humorale immuunrespons
- Bescherming tegen extracellulaire
pathogenen → vaak bacteriën
- Antilichamen beschermen ons door
• Neutralisatie
• Opsomisatie
• Complement activatie
Cellulaire immuunrespons
- Bescherming tegen intracellulaire pathogenen (virus, parasiet)
• T-helper 1 cellen (TH1-cellen)
▪ Sturen signalen uit om macrofagen te rekruteren
▪ Activeren macrofagen
▪ Spelen ook een rol in de activatie van CTL
• T-helper 2 cellen (TH2-cellen)
▪ Spelen een belangrijke rol in de activatie van B-cellen
- Cytotoxische T-lymfocyten (CTL): doden viraal geïnfecteerde cellen
4 essentiële eigenschappen van het specifieke immuunsysteem
- Specificiteit: Gericht tegen 1 specifiek pathogeen
- Onderscheid tussen lichaamseigen (self) en lichaamsvreemd (non-self) → tolerantie
- Onderscheid tussen gevaarlijke en niet-gevaarlijke lichaamsvreemde antigenen
- Immuungeheugen → Specifieke immuniteit → Vaccinatie
2
,Immunologie 2 Docent: An Willems
3. Een immuunrespons met niet-specifieke en specifieke componenten
WBC van belang in immuunsysteem
- Fagocyten:
• Niet-specifiek
• Herkennen en opnemen van microbiële
componenten
• Antigeenpresentatie
- Lymfocyten:
• Specifiek
• Productie antilichamen
• Geïnfecteerde cellen afdoden
Specifiek en niet-specifiek systeem verbonden
- Immuunrespons zowel aangeboren als specifieke componenten
• Vroegste respons = niet-specifiek
• Later: aangepaste specifieke respons
Verloop immuunrespons in functie van tijd
Verloop van een acute infectie die door een adaptieve
immuunrespons wordt overwonnen
Start adaptieve immuunrespons na 4 tot 7 dagen → Voordat
specifiek immuunsysteem actief is
Na het overschrijden van drempelwaarde wordt er
antigeenpresentatie gedaan. Dendritische cellen beginnen te
werken
x-as: tijd
y-as: concentratie aan pathogenen op plaats van infectie
Hoofdstuk 2: Het niet-specifiek immuunsysteem in detail
De onmiddellijke en vroeg-geïnduceerde respons
- Complement systeem
- Cellulaire respons
- De rol van cytokines
3
, Immunologie 2 Docent: An Willems
4