VOEDINGSVEZELS
INTRO
Cn(H2O)n”suikers” - “gluciden” - “sachariden”
Macronutriënt met grootste aandeel uitgedrukt als energie
vooral plantaardig
fysiologisch effect is afhankelijk van polymerisatiegraad en snelheid van
vertering/fermentatie
complexe groep:
o mono-
o di-
o oligo-
o poly-
o suikeralcoholen
o -uronzuren
o Voedingsvezels
Macromoleculen die we niet kunnen afbreken door de MO die zich in de maag bevinden
wel afbreken= fermentatie
VOEDINGSVEZELS
Definitie:
Geen internationale consensus
Codex Alimentarius (FAO-WHO):
• Ketens uit 3 of meer enkelvoudige suikers (ribose, glucose, fructose) die in
de menselijke darm niet verteerd en niet opgenomen worden
- Van nature aanwezig in levensmiddelen (brood, aardappelen,
groente, fruit)
- Uit grondstoffen voor levensmiddelen verkregen
- Nagemaakt mét bewezen gunstig effect
• Zijn resistent tegen digestieve enzymen
• Wateroplosbare (pectine, gommen), oligosachariden en resistent zetmeel
zijn fermenteerbaar door commensale microbiota
- Gommen= secreties van bomen (ook voor kauwgom)
- Pectine= zorgt voor binding (in bv confituur)
• Niet-wateroplosbare vezels (cellulose, lignine*): bulking effect door
hydrateren (massa wordt groter)
Lignine is geen koolhydraat
, INDELING VOLGENS POLYMERISATIEGRAAD
MONOSACHARIDEN: BOUWSTENEN
Cn(H2O)n - vooral hexosen (6 C-atomen)
nummering
C-atomen
start vanaf
uiteinde met
carbonylgroep C = O
ribose: pentose (5 C-atomen), geen belangrijke monosacharide in onze voeding, maar wel
belangrijk in celbouw
LINEAIR – FISHER PROJECTIE: RECHTS (D) EN LINKS (L)
= spiegelisomeren
Chiraal centrum= wanneer elk van de
groepen op C atoom verschillend zijn