Deel I: Meerkeuzevragen
1. Wat bedoelen historici met het onderscheid tussen "verleden" en "geschiedenis"?
a) Verleden is een reconstructie, geschiedenis is het geheel van feiten
b) Geschiedenis is een interpretatie van het verleden
c) Geschiedenis is objectief, het verleden subjectief
d) Geschiedenis is beperkt tot politieke gebeurtenissen
2. Twee correcte antwoorden: Wat zijn volgens Elias kenmerken van het
civilisatieproces?
a) Afschaffing van alle geweld in de samenleving
b) Groeiende zelfbeheersing en gedragsregulering
c) Toename van spontane wraakacties
d) Verschuiving van lijfstraffen naar meer verborgen vormen van disciplinering
3. Wat bedoelt men met de 'dark number' in de historische criminologie?
a) De berekening van het dodental tijdens oorlogen
b) Het aantal onopgeloste moorden
c) Het verschil tussen geregistreerde en werkelijke criminaliteit
d) De som van alle misdaden in een bepaalde periode
4. Twee correcte antwoorden: Welke kritiek hebben postmoderne historici op traditionele
geschiedschrijving?
a) Geschiedenis is een opeenvolging van objectieve feiten
b) Alle geschiedschrijving is interpretatie
c) Macht beïnvloedt wie geschiedenis mag schrijven
d) Historici zijn vrij van vooroordelen
, 5. Wat is het belangrijkste doel van het inquisitoire strafproces in de vroegmoderne tijd?
a) Openbare debatten tussen partijen
b) Herstel van vrede via bemiddeling
c) Strafrechtelijk onderzoek door de overheid
d) Directe afrekening met misdadigers door burgers
6. Twee correcte antwoorden: Welke functies had het gebruik van publieke lijfstraffen in
de vroegmoderne periode?
a) Educatief spektakel voor de jeugd
b) Demonstratie van staatsmacht
c) Gerechtelijke wraak door de gemeenschap
d) Afschrikking van potentiële misdadigers
7. Wat was de rol van het humanisme in de hervorming van strafpraktijken?
a) Bevordering van zwaardere lijfstraffen
b) De terugkeer naar het Romeinse recht
c) Pleidooi voor nut, redelijkheid en heropvoeding
d) Herinvoering van het veterecht
8. Twee correcte antwoorden: Wat zijn kenmerken van informele conflictoplossing in de
vroegmoderne samenleving?
a) Afhandeling via rechtbank
b) Compositie tussen partijen
c) Betrokkenheid van lokale sleutelfiguren
d) Rechtspraak door de vorst
1. Wat bedoelen historici met het onderscheid tussen "verleden" en "geschiedenis"?
a) Verleden is een reconstructie, geschiedenis is het geheel van feiten
b) Geschiedenis is een interpretatie van het verleden
c) Geschiedenis is objectief, het verleden subjectief
d) Geschiedenis is beperkt tot politieke gebeurtenissen
2. Twee correcte antwoorden: Wat zijn volgens Elias kenmerken van het
civilisatieproces?
a) Afschaffing van alle geweld in de samenleving
b) Groeiende zelfbeheersing en gedragsregulering
c) Toename van spontane wraakacties
d) Verschuiving van lijfstraffen naar meer verborgen vormen van disciplinering
3. Wat bedoelt men met de 'dark number' in de historische criminologie?
a) De berekening van het dodental tijdens oorlogen
b) Het aantal onopgeloste moorden
c) Het verschil tussen geregistreerde en werkelijke criminaliteit
d) De som van alle misdaden in een bepaalde periode
4. Twee correcte antwoorden: Welke kritiek hebben postmoderne historici op traditionele
geschiedschrijving?
a) Geschiedenis is een opeenvolging van objectieve feiten
b) Alle geschiedschrijving is interpretatie
c) Macht beïnvloedt wie geschiedenis mag schrijven
d) Historici zijn vrij van vooroordelen
, 5. Wat is het belangrijkste doel van het inquisitoire strafproces in de vroegmoderne tijd?
a) Openbare debatten tussen partijen
b) Herstel van vrede via bemiddeling
c) Strafrechtelijk onderzoek door de overheid
d) Directe afrekening met misdadigers door burgers
6. Twee correcte antwoorden: Welke functies had het gebruik van publieke lijfstraffen in
de vroegmoderne periode?
a) Educatief spektakel voor de jeugd
b) Demonstratie van staatsmacht
c) Gerechtelijke wraak door de gemeenschap
d) Afschrikking van potentiële misdadigers
7. Wat was de rol van het humanisme in de hervorming van strafpraktijken?
a) Bevordering van zwaardere lijfstraffen
b) De terugkeer naar het Romeinse recht
c) Pleidooi voor nut, redelijkheid en heropvoeding
d) Herinvoering van het veterecht
8. Twee correcte antwoorden: Wat zijn kenmerken van informele conflictoplossing in de
vroegmoderne samenleving?
a) Afhandeling via rechtbank
b) Compositie tussen partijen
c) Betrokkenheid van lokale sleutelfiguren
d) Rechtspraak door de vorst