WETENSCHAPPELIJKE
BENADERING VAN
CRIMINALITEIT
INHOUD
• Eind 19e eeuw, vroeg 20e eeuw (1914)
o Dit deel gaat over de periode waarin criminaliteit steeds meer
“wetenschappelijk” benaderd wordt.
o Men kijkt niet meer alleen naar criminaliteit als morele fout of sociaal
probleem, maar probeert criminaliteit te verklaren via medische,
psychiatrische, antropologische en statistische kennis.
o De periode loopt tot aan de Eerste Wereldoorlog, dus ongeveer tot 1914.
• H10: Opkomst van de criminologie
o Hier staat de geboorte van criminologie als wetenschappelijke discipline
centraal.
o Belangrijk: verschuiving van morele verklaringen naar mentale, medische
en biologische verklaringen.
• H11: Nieuwe beroepen, oude problemen
o Nieuwe professionals zoals artsen, psychiaters, wetenschappers,
forensische experts, politiemensen en journalisten krijgen een grotere rol.
o Toch blijven veel oude problemen bestaan: angst voor gevaarlijke klassen,
politieke dreiging, anarchisme, stedelijke criminaliteit, jongerenbendes en
sociale onrust.
1
,HOOFDSTUK 10:
OPKOMST VAN DE
CRIMINOLOGIE
VAN MORELE NAAR MENTALE OORZAKEN
− Opkomst dominante beeldvorming: de crimineel als mentaal wrak:
o Van fallen men naar impaired men (Peter Becker), met een
groeiende nadruk op therapeutische interventie
In het begin van de 19e eeuw werd crimineel gedrag vooral
verklaard als moreel falen.
De crimineel was iemand die zwak van karakter was, niet wilde
werken en liever koos voor een gemakkelijk, luxueus leven.
Tegen het einde van de 19e eeuw verschuift dit beeld. De crimineel
wordt minder gezien als puur moreel slecht, en meer als iemand die
mentaal, psychisch of sociaal beschadigd is.
Peter Becker noemt dit de overgang van fallen men naar impaired
men.
Fallen men = gevallen mensen, mensen die moreel gefaald hebben.
Impaired men = beschadigde of gebrekkige mensen, mensen met
een mentale of psychische stoornis.
Daardoor komt er meer aandacht voor therapeutische
interventie: men wil daders onderzoeken, behandelen, verbeteren
of classificeren.
− Alcohol, geen werk, armoede, sociale omgeving, worden nog aanzien als
belangrijk, maar grootste verklaring is mentaal probleem
o Armoede, alcohol, werkloosheid, slechte ouders en sociale omgeving
blijven belangrijk in verklaringen.
o Maar de kernverklaring verschuift naar een zogenaamd mentaal
probleem in de dader zelf.
o Dit verklaarde volgens tijdgenoten waarom sommige daders misdaden
pleegden die “irrationeel” of “beestachtig” leken, zoals moord of seksueel
geweld.
o Vooral zeldzame maar schokkende misdrijven kregen veel aandacht in
medische en criminologische teksten.
− Praktijkprofessionals (politie, magistraten, sociale hervormers)
antropologen, artsen en wetenschappers
o In het begin en midden van de 19e eeuw schreven vooral politiemensen,
rechters, magistraten en sociale hervormers over criminaliteit.
o Tegen het einde van de 19e eeuw nemen artsen, psychiaters, antropologen
en wetenschappers die rol steeds meer over.
o De “crime-fighting professional” verandert dus: vroeger iemand met
mensenkennis en moreel inzicht, later iemand die feiten, sporen, lichamen
en gedrag wetenschappelijk interpreteert.
o Martin Wiener omschrijft dit als een overgang van een model of
character naar een model of intelligence: niet langer vooral karakter
2
, beoordelen, maar omstandigheden, sporen en mentale toestand
interpreteren.
WETENSCHAP EN HET STRAFPROCES
− Vóór late 19e eeuw”: meten voetafdrukken, maken voetafgietsels, meten
van sporen
o Wetenschappelijke technieken in strafzaken bestonden al vóór de late 19e
eeuw, maar waren vaak eenvoudig.
o Voorbeelden: voetafdrukken meten, afgietsels maken, sporen vergelijken,
lengte van assen of wagens meten.
o Dit zijn vroege vormen van forensisch onderzoek.
− Opkomende expertise zoals toxicologie:
o Detectie vergiftiging, maar beperkingen (arsenicum, valse
resultaten)
Toxicologie werd belangrijk in zaken van vergiftiging.
Arsenicum was goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar, omdat het
gebruikt werd in medicijnen, verf, meststoffen en bestrijding van
ongedierte.
Wetenschappers zoals James Marsh, Jöns Jacob Berzelius en Hugo
Reinsch ontwikkelden testen om arsenicum op te sporen.
Probleem: die testen waren niet altijd sluitend. Ze konden foutieve
of onzekere resultaten geven.
o Autopsie en analyses gebeurden vaak door verschillende
personen
De arts die de autopsie uitvoerde was vaak niet dezelfde persoon
als degene die de chemische analyse deed.
Daardoor konden fouten, interpretatieverschillen en discussies
ontstaan.
− Dualiteit expertise: experts traden op voor aanklager en verdediging
Experts konden optreden voor zowel de aanklager als de
verdediging.
Daardoor stonden deskundigen soms lijnrecht tegenover elkaar.
Zeker in Britse rechtbanken moesten experts bestand zijn tegen
zware ondervraging door advocaten.
− Ontoerekeningsvatbaarheid en psychiatrische expertise
o Artsen en psychiaters werden steeds vaker ingeschakeld wanneer een
verdachte mogelijk krankzinnig of ontoerekeningsvatbaar was.
o Ontoerekeningsvatbaarheid betekent dat iemand door een mentale
stoornis niet volledig verantwoordelijk wordt geacht voor zijn daad.
o In de 18e eeuw werden artsen in rechtbanken soms nog bekeken als
gewone karaktergetuigen.
o In de 19e eeuw groeit hun status als medische deskundigen.
− Historische verklaringen:
o Foucault: zaak tegen Pierre Rivière (1835), ter dood veroordeeld
voor moord moeder en twee broers. Door deskundig verslag artsen
omgezet in levenslang. Bewijs toename macht experts in
strafrechtsysteem
Pierre Rivière was een jonge Normandische boer die zijn moeder en
twee familieleden vermoordde.
Hij werd eerst ter dood veroordeeld.
3