Oefenexamen — 50 meerkeuzevragen
25 vragen Psychologie (Declerck)
25 vragen Sociologie (Cambré)
Per vraag: 4 opties (A/B/C/D) + juiste antwoord + korte uitleg
⚡ Tip: probeer de vraag eerst zelf op te lossen voor je het antwoord bekijkt!
,DEEL 1 — Psychologie (Prof. Declerck) — Vraag 1-25
Vraag 1 (Inleiding)
De Hawthorne-studies werden oorspronkelijk opgezet om te onderzoeken welke werkomstandigheden
(verlichting, pauzes, loon) de productiviteit van werknemers konden verhogen. De onderzoekers ontdekten
echter iets onverwachts. Wat was de belangrijkste conclusie?
A. Werknemers presteerden vooral beter bij hogere lonen.
B. Werknemers presteerden vooral beter bij langere pauzes.
C. Werknemers presteerden beter door emotionele beleving en het gevoel deel uit te maken van een
hechte groep.
D. De fysieke werkomstandigheden bleken de enige determinant van productiviteit te zijn.
✓ Antwoord: C. Werknemers presteerden beter door emotionele beleving en het gevoel deel uit te
maken van een hechte groep.
Uitleg: De Hawthorne-studies toonden aan dat sociale factoren (respect, aandacht, groepsgevoel) belangrijker
waren dan fysieke verbeteringen. Dit gaf de aanzet tot de 'human relations'-beweging.
Vraag 2 (Inleiding)
Voor het milieu zou het beter zijn dat zo veel mogelijk mensen met de fiets of het openbaar vervoer naar het
werk gaan. Toch kiezen veel mensen voor hun auto omdat dat voor hen persoonlijk comfortabeler is — met
files en uitstoot als gevolg. Dit illustreert het best het concept van …
A. de looking-glass self.
B. een sociaal dilemma.
C. bounded rationality.
D. self-fulfilling prophecy.
✓ Antwoord: B. een sociaal dilemma.
Uitleg: Een sociaal dilemma is een situatie waarin individueel rationeel gedrag leidt tot een collectief slechte
uitkomst — wanneer te veel mensen voor eigen voordeel kiezen, verliest iedereen.
Vraag 3 (Inleiding)
Welke psychologische stroming stelt dat gedrag volledig wordt verklaard door observeerbare responsen op
prikkels uit de buitenwereld, dat alle gedrag is aangeleerd en dat 'vrije wil' een illusie is?
A. Het structuralisme van Wundt.
B. Het functionalisme van James.
C. Het behaviorisme van Skinner.
D. Het humanisme van Rogers.
, ✓ Antwoord: C. Het behaviorisme van Skinner.
Uitleg: Het behaviorisme (Skinner, Watson) richt zich uitsluitend op observeerbaar gedrag. Skinner: gedrag =
reactie op prikkels, niet bewuste keuzes.
Vraag 4 (Evolutie)
De wet van Hamilton stelt dat altruïsme kan ontstaan via verwantschapsselectie wanneer C ≤ B × r. Wat staat
'r' in deze formule voor?
A. De rationaliteit van het altruïstische gedrag.
B. De graad van verwantschap tussen de weldoener en de ontvanger.
C. De ratio tussen kost en opbrengst van het altruïstische gedrag.
D. Het reproductieve succes van de weldoener vóór het altruïstische gedrag.
✓ Antwoord: B. De graad van verwantschap tussen de weldoener en de ontvanger.
Uitleg: C = fitness-kost voor de weldoener; B = fitness-voordeel voor de ontvanger; r = graad van verwantschap
(0,5 voor broer/zus, 0,25 voor neef/nicht…). Hoe nauwer verwant, hoe makkelijker altruïsme evolueert.
Vraag 5 (Evolutie)
Welk van de volgende stellingen over heritabiliteit is CORRECT?
A. Heritabiliteit geeft aan in welke mate genen het gedrag van één individu bepalen.
B. Heritabiliteit verklaart de variatie in eigenschappen binnen een populatie en zegt niets over
verschillen tussen groepen.
C. Een hoge heritabiliteit betekent dat de omgeving geen rol meer speelt.
D. Heritabiliteit is altijd hetzelfde, ongeacht de omgeving.
✓ Antwoord: B. Heritabiliteit verklaart de variatie in eigenschappen binnen een populatie en zegt niets
over verschillen tussen groepen.
Uitleg: Heritabiliteit is een POPULATIE-statistiek die zegt hoeveel van de variatie binnen een populatie aan
genen toegeschreven kan worden — niet hoe genen één individu bepalen. Bovendien hangt heritabiliteit sterk
af van de omgeving (vb. IQ-heritabiliteit verschilt tussen arme en rijke gezinnen).
Vraag 6 (Evolutie)
Tijdens de Nederlandse hongerwinter (1944-1945) hadden zwangere vrouwen ernstige voedseltekorten.
Hun kinderen vertoonden later vaker obesitas en gerelateerde gezondheidsproblemen. Wat opmerkelijker is,
deze problemen werden ook vastgesteld bij hun kleinkinderen, zonder dat er veranderingen waren in het
DNA. Dit fenomeen wordt het best verklaard door …
A. natuurlijke selectie.
B. evolutionaire mismatch.
C. epigenetica.