Theorieën en modellen ivm articulatieontwikkeling
Behavioristische theorie
Hierin wordt de rol van operante conditionering beklemtoond. De relatie wordt gelegd
tussen het gedrag en de consequenties die op dat gedrag volgen. (bv. iemand doet iets en
merkt positieve effecten -> dan weet deze persoon dat in de toekomst vaker te doen).
Het nadeel van het toepassen vh behavioristisch model op het verwerven van spraak is
het feit dat kinderen hun taal en articulatie sneller verwerven dan mogelijk zou zijn als ze
elk element op basis van stimulus-responsmechanismen zouden moeten verwerven. Het
is dus bijna onmogelijk om taal aan te leren via stimulus-respons omdat taal hiervoor veel
te snel wordt geleerd. Het belang van behavioristische principes kan enkel toegepast
worden op het vlak van therapie, ifv gedragsbeïnvloeding, dan wat betreft
spraakverwerving.
Cognitieve theorie
Bij de cognitieve theorie spelen kinderen een actieve rol in het spraak- en
taalontwikkelingsproces: zij formuleren en testen voortdurend hypothesen over het
klanksysteem, dat ze aan het verwerven zijn. Dit is onder meer te merken aan de
overgeneralisaties en regressies, die voorkomen, en aan het feit dat kinderen gaan
experimenteren. Stilaan verwerven ze inzicht in de gelijkenissen en verschillen tussen
spraakklanken en organiseren ze regels over de relaties tussen spraakklanken en
spraakklankreeksen.
Leermodel
Kort samengevat verloopt de articulatieontwikkeling volgens dit leermodel als volgt:
Vroege vocalisaties zouden biologisch bepaald zijn en dus niet aangeleerd. Ze
behoren tot de genetische kenmerken vd mens, waarmee deze van de geboorte is
uitgerust. (LAD of Language Acquisition Device)
Vanaf ongeveer 6 maanden worden zowel vocaliseren als waarnemen van
spraakgeluiden echte gedragingen, in de zin van betekenisvolle reacties op
betekenisvolle situaties (niet meer reflexmatig en onbewust).
Klassieke conditionering: door geluiden aan te bieden samen bij een
ongeconditioneerde stimulus/respons-koppeling, die als aangenaam geëvalueerd
wordt, krijgen deze geluiden op zich ook de betekenis van ‘prettig’. Spraakklanken
worden dus geassocieerd met aangename zaken (eten krijgen, opgepakt worden,
in bad mogen) en krijgen op die manier een betekenis.
Operante conditionering: het kind leert geleidelijk aan hoe prettige situaties
meer bereikt kunnen worden door zelf bepaalde gedragingen te stellen of hoe
onprettige situaties kunnen vermeden worden door bepaald gedrag niet te stellen
of ermee op te houden. Bepaald gedrag zal in een bepaalde context aangename
consequenties hebben. Daardoor zal het kind geneigd zijn dit gedrag meer en
meer te gaan stellen.
1
,Spraakklankverwerving
Fonologische ontwikkeling
Een fonologisch proces is een vereenvoudiging die het kind gebruikt om de taal van de
volwassenen te (leren) beheersen.
Ze betreffen veranderingen in articulatieplaats, klankvolgorde, en/of klankstructuur.
= simplificaties op klank-, syllabe- en woordniveau
Syllabestructuurprocessen
o Syllabedeletie, clusterreductie, deletie eindconsonant, reduplicatie, epenthesis,
metathesis, coalescentie
Substitutieprocessen
o Verschuivingen, stopping, (de)nasalisatie, gliding, (de-)affricatie
Assimilatieprocessen (harmonie-)
o Progressieve/regressieve assimilatie
2
, Spraakklankstoornissen (SKS)
Articulatiestoornis = probleem met produceren van SK (articulatiebewegingen benaderen
de normale doelposities niet!)
Fonologische stoornis = probleem met toepassen van correcte regels (ASHA)
Dit samen = spraakklankstoornissen (SKS = Speech Sound Disorders = SSD
Om aan te geven dat kinderen problemen hebben met het correct gebruiken van
leeftijdsgeschikte SK in zijn/haar taal.
SK’s in gradaties: spraakverstaanbaarheid (speech intelligibility) (lichte
stoornissen zullen de spraakverstaanbaarheid amper verstoren, terwijl ernstige
stoornissen zullen zorgen voor grote mate van onverstaanbaarheid).
Prevalentie
2 – 15% (afhankelijk vd leeftijd)
SKS dalen met toenemende leeftijd.
Verschillende wijze van identificatie.
10 – 15%: peuters/kleuters.
6%: lagere school kinderen.
67%: articulatiestoornissen
16%: taalstoornissen
10%: vloeiendheidsstoornissen
7%: stemstoornissen
Verklaring voor afwijkend
articulatiegedrag
Ziektemodel
= alles wat afwijkt van de norm.
Eerst oorzaak wegnemen, daarna pas afwijkend gedrag aanpakken.
Leermodel
= ander uitgangspunt: vage grens tussen normaal en afwijkend.
- Normaal en afwijkend articuleren is een geleerd gedrag.
- Dit zijn geen symptomen, oorzaken of patiënten.
Ziekte- en leermodel zijn complementair: ze vullen elkaar aan.
Bij SKS met een organische oorzaak spelen de leerprocessen ook een rol -> omgaan
met de stoornis en zich aanpassen aan de stoornis.
Indeling van SKS
Geen universeel classificatiesysteem.
Wel theoretisch van elkaar verschillende classificatiesystemen obv:
- Etiologie + medische gegevens
- Linguïstische beschrijving
- Psycholinguïstisch framework
Grote categorieën:
Dyslalieën: functionele SKS, grote groep (75 – 80%). Géén duidelijke etiologie.
Oorzaak: foutief/niet/onvoldoende aanleren.
Dysglossieën: afwijking thv articulatieorganen (bv. te kort frenulum, tandafwijkingen
of schisis)
Spraakapraxieën: programmeringsstoornis: aangeboren of verworven: zeldzaam
probleem met het willekeurig uitvoren van articulatiebewegingen tgv hersenletsel.
Dysartrieën: probleem thv bezenuwing / het aansturen van articulatoren (bv.
slechte werking van craniale zenuwen)
( Dysaudie: secundair tgv gehoorstoornis )
Andere (linguïstische) indeling:
Fonetische SKS
-> productief
Fonetiek bestudeert de productie van klanken, de wijze waarop ze worden voortgebracht
door de articulatieorganen, hoe ze worden waargenomen door het gehoor en hoe klanken
zich als luchttrillingen voortbewegen.
Functioneel (geen duidelijke oorzaak)
3
Behavioristische theorie
Hierin wordt de rol van operante conditionering beklemtoond. De relatie wordt gelegd
tussen het gedrag en de consequenties die op dat gedrag volgen. (bv. iemand doet iets en
merkt positieve effecten -> dan weet deze persoon dat in de toekomst vaker te doen).
Het nadeel van het toepassen vh behavioristisch model op het verwerven van spraak is
het feit dat kinderen hun taal en articulatie sneller verwerven dan mogelijk zou zijn als ze
elk element op basis van stimulus-responsmechanismen zouden moeten verwerven. Het
is dus bijna onmogelijk om taal aan te leren via stimulus-respons omdat taal hiervoor veel
te snel wordt geleerd. Het belang van behavioristische principes kan enkel toegepast
worden op het vlak van therapie, ifv gedragsbeïnvloeding, dan wat betreft
spraakverwerving.
Cognitieve theorie
Bij de cognitieve theorie spelen kinderen een actieve rol in het spraak- en
taalontwikkelingsproces: zij formuleren en testen voortdurend hypothesen over het
klanksysteem, dat ze aan het verwerven zijn. Dit is onder meer te merken aan de
overgeneralisaties en regressies, die voorkomen, en aan het feit dat kinderen gaan
experimenteren. Stilaan verwerven ze inzicht in de gelijkenissen en verschillen tussen
spraakklanken en organiseren ze regels over de relaties tussen spraakklanken en
spraakklankreeksen.
Leermodel
Kort samengevat verloopt de articulatieontwikkeling volgens dit leermodel als volgt:
Vroege vocalisaties zouden biologisch bepaald zijn en dus niet aangeleerd. Ze
behoren tot de genetische kenmerken vd mens, waarmee deze van de geboorte is
uitgerust. (LAD of Language Acquisition Device)
Vanaf ongeveer 6 maanden worden zowel vocaliseren als waarnemen van
spraakgeluiden echte gedragingen, in de zin van betekenisvolle reacties op
betekenisvolle situaties (niet meer reflexmatig en onbewust).
Klassieke conditionering: door geluiden aan te bieden samen bij een
ongeconditioneerde stimulus/respons-koppeling, die als aangenaam geëvalueerd
wordt, krijgen deze geluiden op zich ook de betekenis van ‘prettig’. Spraakklanken
worden dus geassocieerd met aangename zaken (eten krijgen, opgepakt worden,
in bad mogen) en krijgen op die manier een betekenis.
Operante conditionering: het kind leert geleidelijk aan hoe prettige situaties
meer bereikt kunnen worden door zelf bepaalde gedragingen te stellen of hoe
onprettige situaties kunnen vermeden worden door bepaald gedrag niet te stellen
of ermee op te houden. Bepaald gedrag zal in een bepaalde context aangename
consequenties hebben. Daardoor zal het kind geneigd zijn dit gedrag meer en
meer te gaan stellen.
1
,Spraakklankverwerving
Fonologische ontwikkeling
Een fonologisch proces is een vereenvoudiging die het kind gebruikt om de taal van de
volwassenen te (leren) beheersen.
Ze betreffen veranderingen in articulatieplaats, klankvolgorde, en/of klankstructuur.
= simplificaties op klank-, syllabe- en woordniveau
Syllabestructuurprocessen
o Syllabedeletie, clusterreductie, deletie eindconsonant, reduplicatie, epenthesis,
metathesis, coalescentie
Substitutieprocessen
o Verschuivingen, stopping, (de)nasalisatie, gliding, (de-)affricatie
Assimilatieprocessen (harmonie-)
o Progressieve/regressieve assimilatie
2
, Spraakklankstoornissen (SKS)
Articulatiestoornis = probleem met produceren van SK (articulatiebewegingen benaderen
de normale doelposities niet!)
Fonologische stoornis = probleem met toepassen van correcte regels (ASHA)
Dit samen = spraakklankstoornissen (SKS = Speech Sound Disorders = SSD
Om aan te geven dat kinderen problemen hebben met het correct gebruiken van
leeftijdsgeschikte SK in zijn/haar taal.
SK’s in gradaties: spraakverstaanbaarheid (speech intelligibility) (lichte
stoornissen zullen de spraakverstaanbaarheid amper verstoren, terwijl ernstige
stoornissen zullen zorgen voor grote mate van onverstaanbaarheid).
Prevalentie
2 – 15% (afhankelijk vd leeftijd)
SKS dalen met toenemende leeftijd.
Verschillende wijze van identificatie.
10 – 15%: peuters/kleuters.
6%: lagere school kinderen.
67%: articulatiestoornissen
16%: taalstoornissen
10%: vloeiendheidsstoornissen
7%: stemstoornissen
Verklaring voor afwijkend
articulatiegedrag
Ziektemodel
= alles wat afwijkt van de norm.
Eerst oorzaak wegnemen, daarna pas afwijkend gedrag aanpakken.
Leermodel
= ander uitgangspunt: vage grens tussen normaal en afwijkend.
- Normaal en afwijkend articuleren is een geleerd gedrag.
- Dit zijn geen symptomen, oorzaken of patiënten.
Ziekte- en leermodel zijn complementair: ze vullen elkaar aan.
Bij SKS met een organische oorzaak spelen de leerprocessen ook een rol -> omgaan
met de stoornis en zich aanpassen aan de stoornis.
Indeling van SKS
Geen universeel classificatiesysteem.
Wel theoretisch van elkaar verschillende classificatiesystemen obv:
- Etiologie + medische gegevens
- Linguïstische beschrijving
- Psycholinguïstisch framework
Grote categorieën:
Dyslalieën: functionele SKS, grote groep (75 – 80%). Géén duidelijke etiologie.
Oorzaak: foutief/niet/onvoldoende aanleren.
Dysglossieën: afwijking thv articulatieorganen (bv. te kort frenulum, tandafwijkingen
of schisis)
Spraakapraxieën: programmeringsstoornis: aangeboren of verworven: zeldzaam
probleem met het willekeurig uitvoren van articulatiebewegingen tgv hersenletsel.
Dysartrieën: probleem thv bezenuwing / het aansturen van articulatoren (bv.
slechte werking van craniale zenuwen)
( Dysaudie: secundair tgv gehoorstoornis )
Andere (linguïstische) indeling:
Fonetische SKS
-> productief
Fonetiek bestudeert de productie van klanken, de wijze waarop ze worden voortgebracht
door de articulatieorganen, hoe ze worden waargenomen door het gehoor en hoe klanken
zich als luchttrillingen voortbewegen.
Functioneel (geen duidelijke oorzaak)
3