RETAILMANAGEMENT
WAT DOEN RETAILERS?
INLEIDING
= Tussenpersoon tussen producenten en consumenten
Kopen van producten van andere organisaties met de bedoeling om ze door te verkopen aan
de eindklant, meestal zonder transformatie en beperkt tot de diensten die verband houden
met de verkoop van handelswaarden
Vaak niet-tastbare functies
Retailers die voedingsproducten verkopen / retailers die niet-voedingsproducten verkopen (ZEB,…)
Met wie dienen retailers voornamelijk rekening te houden?
1. Fabrikanten
- Hier dient de retailer producten van af te nemen (aan te kopen)
- Onderhandelingen over de voorwaarden, hoeveelheden en prijs
Europese markt: staat zeer positief tegenover huismerken
2. Overheid / regulering
- Waar men zich wel en niet mag vestigen
- Prijzen en concurrentie
- Promoties voeren
Soldenfraude: prijzen verhogen voor de kortingen, om zo hogere kortingen te kunnen geven.
Cash, heb je meer pain of payment (bewuster dan bij contactloos betalen)
3. Markt
- Snel evoluerende en een heel competitieve markt
4. Concurrentie
- Intra: tussen gelijkaardige aanbieders (Etam en Hunkemoller: ondergoed)
- Inter: niet-gelijkaardige aanbieders (INNO doet ook ondergoed, maar ook andere producten)
5. Consumentenmarkt
- Vergrijzing
- Meer éénouder gezinnen
- Meer multiculturele gezinnen
Retailers dienen hiermee rekening te houden in hun aanbod
1
, Welke noodzaak?
o Fabrikanten:
Streven economies of scale na op vlak van productie (efficiëntie)
Vaak gecentraliseerd en groot (veraf van consument)
o Consumenten:
Vereisen bepaalde diensten
Moeilijk voor frabrikant om hier zelf voor in te staan outsourcen naar
retailers die dichter staan
DE VERSCHILLENDE FUNCTIES
1. Transactie
2. Assortiment maken
3. Services verlenen
4. Vraag creëren
5. Volume “opbreken”
6. Tijd & plaats overbruggen
1. ASSORTIMENT MAKEN
Def.: Retailer maakt een selectie van relevante producten in elke categorie.
Voordeel voor consument
o Vergemakkelijkt het zoek-& keuzeproces
Kloof tussen consument en producent
o Consument: wil kunnen kiezen tussen verschillende opties (wil substituten)
o Fabrikant: maakt slechts een beperkt aantal producten (geen substituten)
o Retailers bieden variëteit
Kiezen uit verschillende substituten (=complementaire producten)
Kiezen
uit verschillende product categorieën (One-stop-shopping)
2
,2. VOLUME “OPBREKEN”
Kloof tussen consumenten en producenten verkleinen
o Producent: produceert grote hoeveelheden (in bulk om zo efficiëntie in transport, … te
bekomen)
o Consument: wilt kleine hoeveelheden
=> Kloof tussen de gewenste hoeveelheid en de geproduceerde hoeveelheid
3. TIJD & PLAATS OVERBRUGGEN
T
i
o Wat?
j
Overbrugging v/h moment van productie en moment van consumptie
d
o Hoe?
Door “stock” aan te houden
Doel retailer: voorraad zo laag mogelijk & tegelijkertijd ervoor zorgen dat
producten steeds beschikbaar zijn
o Waar?
In distributiecentra & winkels (op de winkelschappen)
Kloof wachttijd wordt gedicht
Doel: wachttijd zo kort mogelijk te maken (snel leveren, openingsuren 7/7)
Wat?
Overbugging geografische afstand tussen producent en consument
Hoe?
Fabrikant: op 1 of enkele specifieke locaties
Consument: verspreid over geografische ruimte
=> Retailer zorgt voor winkels dichtbij de consument met uitgebreid
winkelnetwerk
=> Geografische decentralisatie: kloof tussen plaats van productie en plaats
van afname
gedicht.
3
, 4. INSTAAN VOOR TRANSACTIES
= Betalingen faciliteren & instaan voor de overdracht v/h product (inclusief aanbieden van krediet bv.
Aankoop auto)
Krediet aanbieden stimuleert de vraag
Moet hier niet zelf voor in te staan (kan wel, moet niet), moet wel instaan voor coördinatie (zoals
de opvolging ervan)
Gestandaardiseerde procedures, MAAR ook (prijs)onderhandelingen (afhankelijk van het type dat
verkocht wordt)
1ste instantie: informatieverstrekken
5. SERVICES VERLENEN (PRODUCT GERELATEERD)
o Belangerijk hier personeel
o Focus op VOOR verkoop
2de instantie: garantie & diensten na verkoop
o Diensten na verkoop: onderhoud, herstellingen…
o Focus op NA verkoop
o MAAR ook instaan voor assembleren! bv.wasmachine installeren
Shift: “do-it-yourself” naar “do-it-for-me”
VOORDELEN VAN DE 6 FUNCTIES VOOR DE CONSUMENT
Afstand <
Wachttijden <
Hoeveelheid <
Keuze >
Krediet
+ Secundaire functies
Ene retailer zal dit meer doen dan een andere, afhankelijk van welke functies men wil vervullen
(prijs, beleving)
Zintuigelijke prikkels en/of entertainment (proevertjes, geuren)
Afhankelijk van retailer (ene meer dan de ander)
Afhankelijk van welke functies men wil vervullen qua beleving/prijs
4
WAT DOEN RETAILERS?
INLEIDING
= Tussenpersoon tussen producenten en consumenten
Kopen van producten van andere organisaties met de bedoeling om ze door te verkopen aan
de eindklant, meestal zonder transformatie en beperkt tot de diensten die verband houden
met de verkoop van handelswaarden
Vaak niet-tastbare functies
Retailers die voedingsproducten verkopen / retailers die niet-voedingsproducten verkopen (ZEB,…)
Met wie dienen retailers voornamelijk rekening te houden?
1. Fabrikanten
- Hier dient de retailer producten van af te nemen (aan te kopen)
- Onderhandelingen over de voorwaarden, hoeveelheden en prijs
Europese markt: staat zeer positief tegenover huismerken
2. Overheid / regulering
- Waar men zich wel en niet mag vestigen
- Prijzen en concurrentie
- Promoties voeren
Soldenfraude: prijzen verhogen voor de kortingen, om zo hogere kortingen te kunnen geven.
Cash, heb je meer pain of payment (bewuster dan bij contactloos betalen)
3. Markt
- Snel evoluerende en een heel competitieve markt
4. Concurrentie
- Intra: tussen gelijkaardige aanbieders (Etam en Hunkemoller: ondergoed)
- Inter: niet-gelijkaardige aanbieders (INNO doet ook ondergoed, maar ook andere producten)
5. Consumentenmarkt
- Vergrijzing
- Meer éénouder gezinnen
- Meer multiculturele gezinnen
Retailers dienen hiermee rekening te houden in hun aanbod
1
, Welke noodzaak?
o Fabrikanten:
Streven economies of scale na op vlak van productie (efficiëntie)
Vaak gecentraliseerd en groot (veraf van consument)
o Consumenten:
Vereisen bepaalde diensten
Moeilijk voor frabrikant om hier zelf voor in te staan outsourcen naar
retailers die dichter staan
DE VERSCHILLENDE FUNCTIES
1. Transactie
2. Assortiment maken
3. Services verlenen
4. Vraag creëren
5. Volume “opbreken”
6. Tijd & plaats overbruggen
1. ASSORTIMENT MAKEN
Def.: Retailer maakt een selectie van relevante producten in elke categorie.
Voordeel voor consument
o Vergemakkelijkt het zoek-& keuzeproces
Kloof tussen consument en producent
o Consument: wil kunnen kiezen tussen verschillende opties (wil substituten)
o Fabrikant: maakt slechts een beperkt aantal producten (geen substituten)
o Retailers bieden variëteit
Kiezen uit verschillende substituten (=complementaire producten)
Kiezen
uit verschillende product categorieën (One-stop-shopping)
2
,2. VOLUME “OPBREKEN”
Kloof tussen consumenten en producenten verkleinen
o Producent: produceert grote hoeveelheden (in bulk om zo efficiëntie in transport, … te
bekomen)
o Consument: wilt kleine hoeveelheden
=> Kloof tussen de gewenste hoeveelheid en de geproduceerde hoeveelheid
3. TIJD & PLAATS OVERBRUGGEN
T
i
o Wat?
j
Overbrugging v/h moment van productie en moment van consumptie
d
o Hoe?
Door “stock” aan te houden
Doel retailer: voorraad zo laag mogelijk & tegelijkertijd ervoor zorgen dat
producten steeds beschikbaar zijn
o Waar?
In distributiecentra & winkels (op de winkelschappen)
Kloof wachttijd wordt gedicht
Doel: wachttijd zo kort mogelijk te maken (snel leveren, openingsuren 7/7)
Wat?
Overbugging geografische afstand tussen producent en consument
Hoe?
Fabrikant: op 1 of enkele specifieke locaties
Consument: verspreid over geografische ruimte
=> Retailer zorgt voor winkels dichtbij de consument met uitgebreid
winkelnetwerk
=> Geografische decentralisatie: kloof tussen plaats van productie en plaats
van afname
gedicht.
3
, 4. INSTAAN VOOR TRANSACTIES
= Betalingen faciliteren & instaan voor de overdracht v/h product (inclusief aanbieden van krediet bv.
Aankoop auto)
Krediet aanbieden stimuleert de vraag
Moet hier niet zelf voor in te staan (kan wel, moet niet), moet wel instaan voor coördinatie (zoals
de opvolging ervan)
Gestandaardiseerde procedures, MAAR ook (prijs)onderhandelingen (afhankelijk van het type dat
verkocht wordt)
1ste instantie: informatieverstrekken
5. SERVICES VERLENEN (PRODUCT GERELATEERD)
o Belangerijk hier personeel
o Focus op VOOR verkoop
2de instantie: garantie & diensten na verkoop
o Diensten na verkoop: onderhoud, herstellingen…
o Focus op NA verkoop
o MAAR ook instaan voor assembleren! bv.wasmachine installeren
Shift: “do-it-yourself” naar “do-it-for-me”
VOORDELEN VAN DE 6 FUNCTIES VOOR DE CONSUMENT
Afstand <
Wachttijden <
Hoeveelheid <
Keuze >
Krediet
+ Secundaire functies
Ene retailer zal dit meer doen dan een andere, afhankelijk van welke functies men wil vervullen
(prijs, beleving)
Zintuigelijke prikkels en/of entertainment (proevertjes, geuren)
Afhankelijk van retailer (ene meer dan de ander)
Afhankelijk van welke functies men wil vervullen qua beleving/prijs
4