Hoofdstuk 2: reproductief systeem, gametogenese en seks-determinatie
Inleiding
De krekel
In de gonaden worden de gameten geproduceerd. Bij het vrouwtje leidt
een korte eileider of oviduct naar een bursa copulatrix waarin het
mannelijke copulatieorgaan wordt gebracht. Het sperma of de
spermatoforen worden tijdelijk opgeslagen in een receptaculum seminis.
Sommige vrouwelijke insecten hebben een legboor of ovipos itor. Bij het
mannetje wordt het sperma via een vas deferens naar een vesicula
seminalis en van daar naar de ductus ejaculatorius. Asseciorische klieren
voegen semen aan het sperma toe
De mens
Vooral bij vertebraten bestaat er een nauw verband tussen het gentitaalstelsel en het excretiestelsel. De
testis zijn opgebouwd uit talrijke zaadbuisjes waarin het sperma zich vanuit de germi natieve cellen
ontwikkelt. De totale lengte van deze tubili bij de mens bedraagt ongeveer 360m, goed voor een
dagelijkse zaadproductie van 100 miljoen spermatozoa. Interstitiële cellen tussen de zaadbuisjes
zorgen voor de productie van het mannelijk sexhor moon. Vanuit de zaadbuisjes gaat het sperma via de
rete testis na ar de vasa efferentia. Zij vormen een sterk gewonden kluwen van buisjes in de kop van de
bijbal en versmelten uiteindelijk tot de ductus epididymis die de rest van de bijbal vormt. In de bijbal
matureert het sperma verder en wordt het tijdelijk opgeslagen. De afvoer gebeurt via de zaadleider.
Het terminale deel wordt soms de ductus ejac ulatorius genoemd. Bij zoogdieren mondt de zaadleider
uit in de pisbuis. Verschillende klieren staan in voor de productie van het seminaal vocht: de vesiculaire
klier , de pro staat en de bulbourethrale klier. Het secreet staat in voor het transport van en de voeding
van het sperma en buffert de lage pH in de vagina. Bij de meeste zoogdieren liggen de testis en de
epididymis buiten de buikholte in het scrotum. Daardoor blijft de temperatuur van de testis
verschillende graden onder de lichaamstemperatuur. Dit is noodzakelijk voor de normale
spermaproductie.
, De vrouwelijke gonaden liggen in de buikholte . De oviduct eindigt in een trechtervormig ostium
voorzien van fimbriae in de buurt van elk ovarium. Beide oviducten openenen in de baarmoeder. De
wand hiervan is sterk gespierd en gevasculariseerd en binnenin bekleed met het endometrium. Via de
cervix komt de baarmoeder uit de vagina die opent ter hoogte van de vulva. Deze bestaan uit de grote
en kleine schaamlippen en de clitoris. Deze structuren zijn homoloog met de externa genitalia in man.
seks-determinatie
Germinatieve cellen = cellen die aanleiding geven tot gameten
Sommatiche cellen = alle andere cellen
Bij vele invertebrata differentiëren germinatieve cellen zich uit sommatische cellen. Vaak zijn dit cellen
uit de want van de lichaamsholte (coeloom) die dan vrijkomen via nephridia of doordat de
lichaamswand simpelweg openscheurt.
Bij vertebrata bestaat er een germinatieve cellijn. In een zeer vroeg ontwikkelingsstadium kunnen
primordiumcellen (voorlopercellen) worden onderscheiden. Bij sommige groepen van dieren
kunnen deze cellen zelfs worden terug -getraceerd tot in het zygotestadium waar een germinatieve
cytoplasmatische regio bij de klieving aanleiding zal geven tot het primordia van germinatieve cellen.
De primordiumcellen ontwikkelen buiten het eigenlijke embryo en migreren later tijdens de
embryonale ontwikkeling naar de zogenaamde germinatieve lijsten (= dense weefselstrengen van
mesodermale oorsprong in het dak van de lichaamsholte) waa ruit het somatisch deel van de gonaden
zullen ontstaan. Daar zullen deze voorlopercellen omvormen tot germinatieve cellen en instaan voor
de productie van gameten. Aangezien dit proces identiek verloopt voor toekomstige mannetjes of
vrouwtjes zijn de gonad eprimordia indifferent in beide sexen.
De mens
Bij de mens is de migratie vertrokken tegen het einde van de
5 e week van de ontwikkeling. Vaak wordt gesteld dat
ongeacht de genetische seks -determinatie, de ontwikkelde
gonaden vrouwelijk zijn. Dit steunt op het feit dat bij
zoogdieren het verdwijnen van de gonadeaanleg in een
vroeg ontwikkelingsatdium de rest van het urogenitaalstelsel
onveranderlijk vrouwelijk wordt. Differentiatie van de
indifferente gonadenaanleg tot ovaria wordt echter ook
mee door genetische factoren bepaald, hetgeen het
vooropstellen van een ‘in aanleg intrinsieke vrouwelijkheid’
van het genitaal apparaat rechtvaa rdigt.
Inleiding
De krekel
In de gonaden worden de gameten geproduceerd. Bij het vrouwtje leidt
een korte eileider of oviduct naar een bursa copulatrix waarin het
mannelijke copulatieorgaan wordt gebracht. Het sperma of de
spermatoforen worden tijdelijk opgeslagen in een receptaculum seminis.
Sommige vrouwelijke insecten hebben een legboor of ovipos itor. Bij het
mannetje wordt het sperma via een vas deferens naar een vesicula
seminalis en van daar naar de ductus ejaculatorius. Asseciorische klieren
voegen semen aan het sperma toe
De mens
Vooral bij vertebraten bestaat er een nauw verband tussen het gentitaalstelsel en het excretiestelsel. De
testis zijn opgebouwd uit talrijke zaadbuisjes waarin het sperma zich vanuit de germi natieve cellen
ontwikkelt. De totale lengte van deze tubili bij de mens bedraagt ongeveer 360m, goed voor een
dagelijkse zaadproductie van 100 miljoen spermatozoa. Interstitiële cellen tussen de zaadbuisjes
zorgen voor de productie van het mannelijk sexhor moon. Vanuit de zaadbuisjes gaat het sperma via de
rete testis na ar de vasa efferentia. Zij vormen een sterk gewonden kluwen van buisjes in de kop van de
bijbal en versmelten uiteindelijk tot de ductus epididymis die de rest van de bijbal vormt. In de bijbal
matureert het sperma verder en wordt het tijdelijk opgeslagen. De afvoer gebeurt via de zaadleider.
Het terminale deel wordt soms de ductus ejac ulatorius genoemd. Bij zoogdieren mondt de zaadleider
uit in de pisbuis. Verschillende klieren staan in voor de productie van het seminaal vocht: de vesiculaire
klier , de pro staat en de bulbourethrale klier. Het secreet staat in voor het transport van en de voeding
van het sperma en buffert de lage pH in de vagina. Bij de meeste zoogdieren liggen de testis en de
epididymis buiten de buikholte in het scrotum. Daardoor blijft de temperatuur van de testis
verschillende graden onder de lichaamstemperatuur. Dit is noodzakelijk voor de normale
spermaproductie.
, De vrouwelijke gonaden liggen in de buikholte . De oviduct eindigt in een trechtervormig ostium
voorzien van fimbriae in de buurt van elk ovarium. Beide oviducten openenen in de baarmoeder. De
wand hiervan is sterk gespierd en gevasculariseerd en binnenin bekleed met het endometrium. Via de
cervix komt de baarmoeder uit de vagina die opent ter hoogte van de vulva. Deze bestaan uit de grote
en kleine schaamlippen en de clitoris. Deze structuren zijn homoloog met de externa genitalia in man.
seks-determinatie
Germinatieve cellen = cellen die aanleiding geven tot gameten
Sommatiche cellen = alle andere cellen
Bij vele invertebrata differentiëren germinatieve cellen zich uit sommatische cellen. Vaak zijn dit cellen
uit de want van de lichaamsholte (coeloom) die dan vrijkomen via nephridia of doordat de
lichaamswand simpelweg openscheurt.
Bij vertebrata bestaat er een germinatieve cellijn. In een zeer vroeg ontwikkelingsstadium kunnen
primordiumcellen (voorlopercellen) worden onderscheiden. Bij sommige groepen van dieren
kunnen deze cellen zelfs worden terug -getraceerd tot in het zygotestadium waar een germinatieve
cytoplasmatische regio bij de klieving aanleiding zal geven tot het primordia van germinatieve cellen.
De primordiumcellen ontwikkelen buiten het eigenlijke embryo en migreren later tijdens de
embryonale ontwikkeling naar de zogenaamde germinatieve lijsten (= dense weefselstrengen van
mesodermale oorsprong in het dak van de lichaamsholte) waa ruit het somatisch deel van de gonaden
zullen ontstaan. Daar zullen deze voorlopercellen omvormen tot germinatieve cellen en instaan voor
de productie van gameten. Aangezien dit proces identiek verloopt voor toekomstige mannetjes of
vrouwtjes zijn de gonad eprimordia indifferent in beide sexen.
De mens
Bij de mens is de migratie vertrokken tegen het einde van de
5 e week van de ontwikkeling. Vaak wordt gesteld dat
ongeacht de genetische seks -determinatie, de ontwikkelde
gonaden vrouwelijk zijn. Dit steunt op het feit dat bij
zoogdieren het verdwijnen van de gonadeaanleg in een
vroeg ontwikkelingsatdium de rest van het urogenitaalstelsel
onveranderlijk vrouwelijk wordt. Differentiatie van de
indifferente gonadenaanleg tot ovaria wordt echter ook
mee door genetische factoren bepaald, hetgeen het
vooropstellen van een ‘in aanleg intrinsieke vrouwelijkheid’
van het genitaal apparaat rechtvaa rdigt.