Ethiek
Moraal, ethiek en grondhouding
Het verhaal van de alligator-rivier
Lees “The alligator river story” p.6.
Moraal en ethiek
Ethiek
= Systematische reflectie op moraal, op de vraag ‘hoe te handelen’.
Ethos
Wat behoort, het goede, het juiste, het rechtvaardige.
Moraal
= Het geheel van normen, waarden en deugden die het handelen van een persoon richting geven. Dit
wordt meegegeven met onze opvoeding.
Mos/Mores
Zeden, gewoonten, gebruiken.
Wat goed, juist, rechtvaardig of wat slecht, verkeerd en onrechtvaardig is.
Waarden = Datgene waar jij als persoon het meeste waarde aan hecht.
vb. Veiligheid in het verkeer realiseren.
Normen = Manier waarop waarden gerealiseerd worden in de vorm van geboden of
verboden. ‘Wat mag ik doen?’ ‘Wat moet ik doen?’ ‘Wat moet/mag ik
niet doen?’ vb. Verkeersregels met doel het verkeer veilig te laten verlopen.
Deugden = Uitdrukkingen van het goede en degelijke in onze dagdagelijkse omgang met
elkaar. Karaktereigenschappen of kwaliteiten.
vb. Inzicht en oefening die je leert tijdens autorijden.
Het moreel probleem
= Kiezen welk mogelijk handelingsinitiatief het beste is en beargumenteren waarom je hiervoor koos.
Moreel dilemma = Keuze tussen twee verschillende mogelijkheden of waarden, waarbij die waarden
elkaar wederzijds uitsluiten. (Wat je ook kiest, je verliest steeds)
Morele nood = Wanneer je je bewust bent van iets dat niet hoort, maar niemand hoort je.
vb. Mishandeling: niemand gelooft je.
1
,Kernwaarden en grondhouding
Inleiding
Grondhouding = Basis waarmee we in het leven staan.
Basale grondhouding = De relatie met de medemens.
Presentie = Er zijn voor, aandachtig aanwezig zijn zonder te willen ingrijpen of sturen.
Kernwaarden
= Waarden die het individu overstijgen (transcendent), die verwijzen naar de mooiste
verworvenheden van een mens. Ze lijken vanuit een innerlijke bron te komen en zijn gericht op het
algemeen welzijn.
Niet ego-gerelateerd. Je doet het o.w.v. het goede.
Brug tussen absoluut en relatief.
Essentieel in het leven.
Geven betekenis en zin aan het leven.
Datgene waaruit je ten diepste handelt.
Ten dienste van allen, niet van jou alleen.
Ego-gerelateerde waarden = Waarden die niet vertrekken vanuit volledigheid, maar vanuit een
gebrek, verlangen of vanuit angst. Ze leiden nooit tot blijvend geluk. Vb. Macht, roem, genot…
Een transpersoonlijk mensbeeld
Positief mensbeeld = Gaat ervan uit dat mensen van nature geneigd zijn het goede te doen en zorg
te dragen, wat echter niet wil zeggen dat ze dit altijd doen.
Angst en verlangen
Twee universele drijfveren die ons leven sturen, waartussen ons leven zich afspeelt.
Angst = Gedachte dat mijn lichaam eindig is en zal sterven.
= “Ik wil niet.”
Verlangen = Gedachte dat ik niet volledig ben, tekort heb en zelf niet goed genoeg ben.
= “Ik wil.”
Zowel schuld, verwijt en trots zijn manieren waarop we de pijn van de afscheiding proberen te
temperen, maar dat lukt nooit volledig.
Wijze van beoordelen
1. Veroordeling
Schuldgevoelens, zelfverwijt en schaamte.
vb. “Ik ben niet goed genoeg.” “Ik had het anders moeten doen.”
2. Positieve waardering
Trots als manifestatie van achterliggend lijden, dit moet constant opnieuw bevestigd
worden. Vb. “Ik ben beter dan jij.”
3. Oordeel
2
, Manier waarop we anderen de schuld geven wanneer iets misloopt.
vb. “Jij bent niet goed genoeg.” “Je had het anders moeten doen.”
Sympathie, empathie, compassie (medelijden en mededogen) = Pathein
Sympathie = Samen-voelen.
=Wanneer je bepaalde aspecten of eigenschappen van een persoon als positief
ervaart, je herkent jezelf in een ander.
Empathie = In-voelen.
= Je begrijpt de ander en kan inbeelden wat hij voelt ondanks je niet dezelfde
gevoelens deelt.
Compassie = Mee-voelen.
Medelijden = Neerbuigend en paternalistisch.
Mededogen = Liefde, er wordt geen onderscheid meer tussen jezelf en de ander gemaakt.
Zorgethiek
Waarden in dialoog (Liégeois)
Geweten = Het vermogen om ethisch te evalueren. Innerlijk besef van de verplichting het goede te
doen en het kwade te vermijden.
Morele intuïtie = Het morele aanvoelend dat subjectief beïnvloed wordt door cultuur, opvoeding en
vorming.
Ethiek = Kritische reflectie op de morele intuïtie.
Paradigma’s binnen de hulpverlening
1. Medisch paradigma (traditionele visie)
Eed van Hippocrates: “Ik zal naar mijn beste oordeel en vermogen en om bestwil
mijner zieken hen een leefregel voorschrijven en nooit iemand kwaad doen”.
Waarden: Beschermwaardigheid en zorgverlening.
Nadeel: Paternalisme
2. Religieus paradigma (traditionele visie)
Naastenliefde en caritas.
Zelfde waarden en nadeel als medisch paradigma.
3. Emancipatorisch paradigma (moderne visie)
Zelfbepaling, autonomie en privacy als waarden.
Eigen rechten als zorgverlener zijn zeer belangrijk.
4. Maatschappelijk paradigma (moderne visie)
Participatie in het maatschappelijk leven.
Participatie, rechtvaardigheid, levenskwaliteit en duurzaamheid als waarden.
5. Relationeel paradigma (relationele visie)
Verbondenheid, broederschap, solidariteit en wederzijds vertrouwen.
Belang van de relatie, betrokkenheid en afhankelijkheid staan centraal.
3
Moraal, ethiek en grondhouding
Het verhaal van de alligator-rivier
Lees “The alligator river story” p.6.
Moraal en ethiek
Ethiek
= Systematische reflectie op moraal, op de vraag ‘hoe te handelen’.
Ethos
Wat behoort, het goede, het juiste, het rechtvaardige.
Moraal
= Het geheel van normen, waarden en deugden die het handelen van een persoon richting geven. Dit
wordt meegegeven met onze opvoeding.
Mos/Mores
Zeden, gewoonten, gebruiken.
Wat goed, juist, rechtvaardig of wat slecht, verkeerd en onrechtvaardig is.
Waarden = Datgene waar jij als persoon het meeste waarde aan hecht.
vb. Veiligheid in het verkeer realiseren.
Normen = Manier waarop waarden gerealiseerd worden in de vorm van geboden of
verboden. ‘Wat mag ik doen?’ ‘Wat moet ik doen?’ ‘Wat moet/mag ik
niet doen?’ vb. Verkeersregels met doel het verkeer veilig te laten verlopen.
Deugden = Uitdrukkingen van het goede en degelijke in onze dagdagelijkse omgang met
elkaar. Karaktereigenschappen of kwaliteiten.
vb. Inzicht en oefening die je leert tijdens autorijden.
Het moreel probleem
= Kiezen welk mogelijk handelingsinitiatief het beste is en beargumenteren waarom je hiervoor koos.
Moreel dilemma = Keuze tussen twee verschillende mogelijkheden of waarden, waarbij die waarden
elkaar wederzijds uitsluiten. (Wat je ook kiest, je verliest steeds)
Morele nood = Wanneer je je bewust bent van iets dat niet hoort, maar niemand hoort je.
vb. Mishandeling: niemand gelooft je.
1
,Kernwaarden en grondhouding
Inleiding
Grondhouding = Basis waarmee we in het leven staan.
Basale grondhouding = De relatie met de medemens.
Presentie = Er zijn voor, aandachtig aanwezig zijn zonder te willen ingrijpen of sturen.
Kernwaarden
= Waarden die het individu overstijgen (transcendent), die verwijzen naar de mooiste
verworvenheden van een mens. Ze lijken vanuit een innerlijke bron te komen en zijn gericht op het
algemeen welzijn.
Niet ego-gerelateerd. Je doet het o.w.v. het goede.
Brug tussen absoluut en relatief.
Essentieel in het leven.
Geven betekenis en zin aan het leven.
Datgene waaruit je ten diepste handelt.
Ten dienste van allen, niet van jou alleen.
Ego-gerelateerde waarden = Waarden die niet vertrekken vanuit volledigheid, maar vanuit een
gebrek, verlangen of vanuit angst. Ze leiden nooit tot blijvend geluk. Vb. Macht, roem, genot…
Een transpersoonlijk mensbeeld
Positief mensbeeld = Gaat ervan uit dat mensen van nature geneigd zijn het goede te doen en zorg
te dragen, wat echter niet wil zeggen dat ze dit altijd doen.
Angst en verlangen
Twee universele drijfveren die ons leven sturen, waartussen ons leven zich afspeelt.
Angst = Gedachte dat mijn lichaam eindig is en zal sterven.
= “Ik wil niet.”
Verlangen = Gedachte dat ik niet volledig ben, tekort heb en zelf niet goed genoeg ben.
= “Ik wil.”
Zowel schuld, verwijt en trots zijn manieren waarop we de pijn van de afscheiding proberen te
temperen, maar dat lukt nooit volledig.
Wijze van beoordelen
1. Veroordeling
Schuldgevoelens, zelfverwijt en schaamte.
vb. “Ik ben niet goed genoeg.” “Ik had het anders moeten doen.”
2. Positieve waardering
Trots als manifestatie van achterliggend lijden, dit moet constant opnieuw bevestigd
worden. Vb. “Ik ben beter dan jij.”
3. Oordeel
2
, Manier waarop we anderen de schuld geven wanneer iets misloopt.
vb. “Jij bent niet goed genoeg.” “Je had het anders moeten doen.”
Sympathie, empathie, compassie (medelijden en mededogen) = Pathein
Sympathie = Samen-voelen.
=Wanneer je bepaalde aspecten of eigenschappen van een persoon als positief
ervaart, je herkent jezelf in een ander.
Empathie = In-voelen.
= Je begrijpt de ander en kan inbeelden wat hij voelt ondanks je niet dezelfde
gevoelens deelt.
Compassie = Mee-voelen.
Medelijden = Neerbuigend en paternalistisch.
Mededogen = Liefde, er wordt geen onderscheid meer tussen jezelf en de ander gemaakt.
Zorgethiek
Waarden in dialoog (Liégeois)
Geweten = Het vermogen om ethisch te evalueren. Innerlijk besef van de verplichting het goede te
doen en het kwade te vermijden.
Morele intuïtie = Het morele aanvoelend dat subjectief beïnvloed wordt door cultuur, opvoeding en
vorming.
Ethiek = Kritische reflectie op de morele intuïtie.
Paradigma’s binnen de hulpverlening
1. Medisch paradigma (traditionele visie)
Eed van Hippocrates: “Ik zal naar mijn beste oordeel en vermogen en om bestwil
mijner zieken hen een leefregel voorschrijven en nooit iemand kwaad doen”.
Waarden: Beschermwaardigheid en zorgverlening.
Nadeel: Paternalisme
2. Religieus paradigma (traditionele visie)
Naastenliefde en caritas.
Zelfde waarden en nadeel als medisch paradigma.
3. Emancipatorisch paradigma (moderne visie)
Zelfbepaling, autonomie en privacy als waarden.
Eigen rechten als zorgverlener zijn zeer belangrijk.
4. Maatschappelijk paradigma (moderne visie)
Participatie in het maatschappelijk leven.
Participatie, rechtvaardigheid, levenskwaliteit en duurzaamheid als waarden.
5. Relationeel paradigma (relationele visie)
Verbondenheid, broederschap, solidariteit en wederzijds vertrouwen.
Belang van de relatie, betrokkenheid en afhankelijkheid staan centraal.
3