MC vragen uit cursus
Dier:
Evolutie=
Vraag 1Volgens de biologische soortdefinitie behoren organismen tot dezelfde soort als:
C. Ze zich onderling kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen.
Vraag 2: Wat illustreert de uitspraak “De ontogenie is een herhaling van de fylogenie”?
B. Dat de embryonale ontwikkeling kenmerken
Vraag 3: Wat is een rudimentair orgaan bij de mens?
C. Appendix
Vraag 4: Wat is een fundamenteel verschil tussen Darwin en Lamarck?
B. Lamarck legde de nadruk op gebruik/niet-gebruik, Darwin op variatie en selectie.
Vergelijkende dierkunde=
Vraag 1: Wat is het belangrijkste verschil tussen systematiek en classificatie?
B: Systematiek onderzoekt verwantschappen, classificatie is het praktisch groeperen van organismen
Vraag 2: Wat is het verschil tussen een cladogram en een fylogenetische stamboom?
C. Systematiek geeft namen aan soorten, classificatie bestudeert hun ecologie
Vraag 3: de vleugel van een insect en een vleugel van een vogel is een voorbeeld van?
B: analoge structuren
Vraag 4: wat is typisch voor een coelomaat?
Echte lichaamsholte, volledig bekleed met mesoderm
Vraag 5: welk voorbeeld hoort bij metamerisatie
Regenwormen met herhaal segmenten
Vraag 6: bij welke groep komt spiraalklieving typisch voor
Anneliden en weekdieren
Vraag 7: welke eigenschap is kenmerkend voor tripoblastische dieren?
Drie kiembladen inclusief mesoderm
Vergelijkende morfologie=
Vraag 1: wat is een nadeel van een exoskelet in vergelijking met een endoskelet?
Het beperkt de maximale lichaamsgrootte en vereist vervelling om te groeien
Vraag 2: waarom is een volledig gescheiden dubbele bloedsomloop een voordeel voor vogels en
zoogdieren?
Omdat dit het mengen van het zuurstofrijk en zuurstofarm bloed voorkomt en zo de zuurstofvoorziening
optimaliseert
Vraag 3: waarom is het tegenstroom principe bij vissen zo efficiënt?
Omdat water en bloed in tegengestelde richting stromen, waardoor een groot concentratie verschil
behouden blijft
, Vraag 4: waarom hebben herkauwers zoals koeien meerdere magen ontwikkeld?
Om voedings stoffen direct via diffusie uit de bodem op te nemen
Vraag 5: welke functie heeft het amnion in het amnione ei?
Het vormt een beschermende waterige omgeving rond het embryo
Vraag 6: waarom is het parthenogenese evolutionair gezien een risicovolle strategie?
Omdat er geen genetische variatie onstaat, waardoor de soort kwetsbaarder is bij omgevings
veranderingen
Protozoa=
Vraag 1: wat is een typisch kenmerk van alle protozoa
Ze zijn eencellig en eukaryoten
Vraag 2: welke uitspraak over de cel opbouw van protozoa is juist?
Hun organellen nemen functies over van organen
Vraag 3: het cytoplasma van een protozoon is
Taai en vormt de buitenste laag
Vraag 4: welke groep protozoa leeft mutualistisch in de pens van herkauwers
Ciliata
Vraag 5: paramecium neemt voedsel op via
Een celmond (cytosoom)
Vraag 6: welke protozoa hebben geen voortbewegingsorganellen?
Sporozoa
Vraag 7: hoe gebeurt gas uitwisseling bij protozoa?
Via diffusie over het cel oppervlak
Porifera=
Vraag 1: wat is geen kenmerk van sponzen?
Ze hebben echt weefsel en organen
Vraag 2: hoe word de centrale holte van een spons genoemd?
Spongocoel
Vraag 3: waar vind de vertering van voedsel bij sponzen plaats?
In de chaonocyten en amoebocyten
Vraag 4: wat is het belang van de Porifera in de evolutie?
Ze illustreren de overgang van eencelligen naar meercelligen
Coelenterata of holtedieren=
Vraag 1: wat is geen kenmerk van holtedieren
Ze hebben een centraal zenuwstelsel
Vraag 2: wat is de functie van de netelcellen (cnidoblasten)?
Verdedeging en voedselvangst
Dier:
Evolutie=
Vraag 1Volgens de biologische soortdefinitie behoren organismen tot dezelfde soort als:
C. Ze zich onderling kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen.
Vraag 2: Wat illustreert de uitspraak “De ontogenie is een herhaling van de fylogenie”?
B. Dat de embryonale ontwikkeling kenmerken
Vraag 3: Wat is een rudimentair orgaan bij de mens?
C. Appendix
Vraag 4: Wat is een fundamenteel verschil tussen Darwin en Lamarck?
B. Lamarck legde de nadruk op gebruik/niet-gebruik, Darwin op variatie en selectie.
Vergelijkende dierkunde=
Vraag 1: Wat is het belangrijkste verschil tussen systematiek en classificatie?
B: Systematiek onderzoekt verwantschappen, classificatie is het praktisch groeperen van organismen
Vraag 2: Wat is het verschil tussen een cladogram en een fylogenetische stamboom?
C. Systematiek geeft namen aan soorten, classificatie bestudeert hun ecologie
Vraag 3: de vleugel van een insect en een vleugel van een vogel is een voorbeeld van?
B: analoge structuren
Vraag 4: wat is typisch voor een coelomaat?
Echte lichaamsholte, volledig bekleed met mesoderm
Vraag 5: welk voorbeeld hoort bij metamerisatie
Regenwormen met herhaal segmenten
Vraag 6: bij welke groep komt spiraalklieving typisch voor
Anneliden en weekdieren
Vraag 7: welke eigenschap is kenmerkend voor tripoblastische dieren?
Drie kiembladen inclusief mesoderm
Vergelijkende morfologie=
Vraag 1: wat is een nadeel van een exoskelet in vergelijking met een endoskelet?
Het beperkt de maximale lichaamsgrootte en vereist vervelling om te groeien
Vraag 2: waarom is een volledig gescheiden dubbele bloedsomloop een voordeel voor vogels en
zoogdieren?
Omdat dit het mengen van het zuurstofrijk en zuurstofarm bloed voorkomt en zo de zuurstofvoorziening
optimaliseert
Vraag 3: waarom is het tegenstroom principe bij vissen zo efficiënt?
Omdat water en bloed in tegengestelde richting stromen, waardoor een groot concentratie verschil
behouden blijft
, Vraag 4: waarom hebben herkauwers zoals koeien meerdere magen ontwikkeld?
Om voedings stoffen direct via diffusie uit de bodem op te nemen
Vraag 5: welke functie heeft het amnion in het amnione ei?
Het vormt een beschermende waterige omgeving rond het embryo
Vraag 6: waarom is het parthenogenese evolutionair gezien een risicovolle strategie?
Omdat er geen genetische variatie onstaat, waardoor de soort kwetsbaarder is bij omgevings
veranderingen
Protozoa=
Vraag 1: wat is een typisch kenmerk van alle protozoa
Ze zijn eencellig en eukaryoten
Vraag 2: welke uitspraak over de cel opbouw van protozoa is juist?
Hun organellen nemen functies over van organen
Vraag 3: het cytoplasma van een protozoon is
Taai en vormt de buitenste laag
Vraag 4: welke groep protozoa leeft mutualistisch in de pens van herkauwers
Ciliata
Vraag 5: paramecium neemt voedsel op via
Een celmond (cytosoom)
Vraag 6: welke protozoa hebben geen voortbewegingsorganellen?
Sporozoa
Vraag 7: hoe gebeurt gas uitwisseling bij protozoa?
Via diffusie over het cel oppervlak
Porifera=
Vraag 1: wat is geen kenmerk van sponzen?
Ze hebben echt weefsel en organen
Vraag 2: hoe word de centrale holte van een spons genoemd?
Spongocoel
Vraag 3: waar vind de vertering van voedsel bij sponzen plaats?
In de chaonocyten en amoebocyten
Vraag 4: wat is het belang van de Porifera in de evolutie?
Ze illustreren de overgang van eencelligen naar meercelligen
Coelenterata of holtedieren=
Vraag 1: wat is geen kenmerk van holtedieren
Ze hebben een centraal zenuwstelsel
Vraag 2: wat is de functie van de netelcellen (cnidoblasten)?
Verdedeging en voedselvangst