Farmacotherapie – De pre- peri- en postnatale periode
- Apr. Lena De Hondt
Xanne Haemers
1
,Inleiding farmacologie
A. Basisbegrippen
Farmacologie = studie van geneesmiddelen
Farmacodynamiek (FD)= hoe geneesmiddelen een effect hebben op het lichaam
→ Hoe bindt een geneesmiddel op een receptor, wat zijn de effecten en bijwerkingen
daarvan
→ Agonist = geneesmiddel bindt op receptor en stimuleert werking.
→ Antagonist = geneesmiddel bindt op receptor en blokkeert werking.
→ Partiële agonist = geneesmiddel bindt op receptor en stimuleert, maar niet evenveel
als agonist. Het signaal is niet even sterk als dat van een agonist.
→ Reversibel en niet reversibel = geneesmiddel kunnen binden aan enzym en wordt
irreversibel geblokkeerd (cel moet nieuwe aanmaken om te kunnen werken). Reversibel
wil zeggen dat het tijdelijk geblokkeerd of gestimuleerd wordt, waarna het geneesmiddel
losgekoppeld wordt en de normale werking wordt verdergezet.
Farmacokinetiek (FK) = hoe het lichaam een effect heeft op het geneesmiddel
→ Wat gebeurt er met een geneesmiddel vanaf de opname tot het verwijderen uit het
lichaam?
→ 4 belangrijke processen: absorptie, distributie, metabolisatie, eliminatie (ADME-
processen)
→ Toedieningswegen: oraal/per os (p.o.), intraveneus (IV), intramusculair (IM), rectaal,
subcutaan (SC), …
→ Galenische vormen: Verschillende mogelijkheden per toedieningsvorm/-weg.
Voorbeelden: Pillen, tabletten, dranken → allemaal p.o.
→ Halfwaardetijd (T1/2el) = tijd die nodig is om de helft van het geneesmiddel
uitgescheiden te hebben
- Hoe hoger, hoe langer aanwezig in het lichaam.
- Klassiek zeggen we dat als je 5 halfwaardetijden voorbij bent, de dosis volledig
uit het lichaam verwijderd is.
Magistrale bereiding = bereiding van geneesmiddelen door de apotheker zelf in de
apotheek
→ Laat toe om de patiënt een gepersonaliseerd geneesmiddel te geven.
→ Vaak ook goedkoper voor de patiënt
2
, B. Voorschrijfrecht
“Waarom farmacologie?”
− Recht om voor te schrijven
− Geneesmiddelen bestaan om te helpen, maar hebben ook bijwerkingen
(rationeel voorschrijven tegengaan)
Geneesmiddelen die vroedvrouwen mogen voorschrijven
Normale, • Foliumzuur 0,4 – 4mg • Nitrofurantoïne 50 en 100 mg
fysiologische • IJzerpreparaten • Influenza, DTP & Anti-rho – vaccins
zwangerschap • Metoclopramide 10 mg of 1mg/mL siroop • Omeprazole 20 mg & Ranitidine
• Paracetamol tabletten van 0,5 of 1 g, 150mg
zetpillen van 600 mg • Gemicroniseerde progesteron : 200
• Anti-infectieuze vaginale crèmes en ovules mg.
Tijdens verlossing • Lidocaïnehydrochloride 1 à 2%
• Mepivacaïne chloorhydraat
• Oxytocine
• Penicilline G / Amoxicilline
Post-partum • Oxytocine • Vitamine K1 ampul
• Misoprostol tabletten: 0,2mg (rect/oraal) • Anti-Rho immunoglobuline ampul →
• Pijnstilling zie zwangerschap
• NSAIDs • Hepatitis B vaccin
• Diclofenac 75mg tabletten & • Cabergoline tabletten
100mg zetpillen • Orale hormonale contraceptiva
• Ibuprofen 200 en 400 mg • Zuiver progestageen tijdens
tabletten borstvoeding
• Paracetamol • Oestro-progestageen obv
• Mycosen & infecties ethinyl-estradiol 20µg zonder
• Moeder: Antimycotica en/of progestatif van de 4e generatie
antibacteriële crème
• Baby: Nystatine suspensie en
miconazol gel
Urgentietrousse • Medische zuurstof + toedieningsmateriaal • Misoprostol tabletten 1 doos & Max 5
(Mayo canule) ampulles oxytocine
• Steriele kompressen en verbanden • 15-methyl-F2-a-prostaglandine (of
• Infusen carboprost): IM (2 ampullen)
• Fysiologische serum • Adrenaline (Epipen®)
• Plasma expander
3
, C. Het autonoom zenuwstelsel
0.1 Algemene werking zenuwstelsel
1. Opname van precursoren.
2. Synthese van de neurotransmitter.
3. Opname/transport van de neurotransmitter in vesikels.
4. Afbraak van overtollige neurotransmitters.
5. Depolarisatie geïnduceerd door een aankomend
actiepotentiaal.
6. Influx van Ca²⁺ als reactie op depolarisatie.
7. Vrijgave van neurotransmitter door exocytose.
8. Diffusie naar de postsynaptische membraan
9. Interactie met postsynaptische receptoren.
10. Inactivatie van de neurotransmitter.
11. Heropname van de neurotransmitter of
afbraakproducten door zenuwuiteinden.
12. Opname en vrijgave van neurotransmitter door niet-
neuronale cellen
13. Interactie met presynaptische receptoren
4
- Apr. Lena De Hondt
Xanne Haemers
1
,Inleiding farmacologie
A. Basisbegrippen
Farmacologie = studie van geneesmiddelen
Farmacodynamiek (FD)= hoe geneesmiddelen een effect hebben op het lichaam
→ Hoe bindt een geneesmiddel op een receptor, wat zijn de effecten en bijwerkingen
daarvan
→ Agonist = geneesmiddel bindt op receptor en stimuleert werking.
→ Antagonist = geneesmiddel bindt op receptor en blokkeert werking.
→ Partiële agonist = geneesmiddel bindt op receptor en stimuleert, maar niet evenveel
als agonist. Het signaal is niet even sterk als dat van een agonist.
→ Reversibel en niet reversibel = geneesmiddel kunnen binden aan enzym en wordt
irreversibel geblokkeerd (cel moet nieuwe aanmaken om te kunnen werken). Reversibel
wil zeggen dat het tijdelijk geblokkeerd of gestimuleerd wordt, waarna het geneesmiddel
losgekoppeld wordt en de normale werking wordt verdergezet.
Farmacokinetiek (FK) = hoe het lichaam een effect heeft op het geneesmiddel
→ Wat gebeurt er met een geneesmiddel vanaf de opname tot het verwijderen uit het
lichaam?
→ 4 belangrijke processen: absorptie, distributie, metabolisatie, eliminatie (ADME-
processen)
→ Toedieningswegen: oraal/per os (p.o.), intraveneus (IV), intramusculair (IM), rectaal,
subcutaan (SC), …
→ Galenische vormen: Verschillende mogelijkheden per toedieningsvorm/-weg.
Voorbeelden: Pillen, tabletten, dranken → allemaal p.o.
→ Halfwaardetijd (T1/2el) = tijd die nodig is om de helft van het geneesmiddel
uitgescheiden te hebben
- Hoe hoger, hoe langer aanwezig in het lichaam.
- Klassiek zeggen we dat als je 5 halfwaardetijden voorbij bent, de dosis volledig
uit het lichaam verwijderd is.
Magistrale bereiding = bereiding van geneesmiddelen door de apotheker zelf in de
apotheek
→ Laat toe om de patiënt een gepersonaliseerd geneesmiddel te geven.
→ Vaak ook goedkoper voor de patiënt
2
, B. Voorschrijfrecht
“Waarom farmacologie?”
− Recht om voor te schrijven
− Geneesmiddelen bestaan om te helpen, maar hebben ook bijwerkingen
(rationeel voorschrijven tegengaan)
Geneesmiddelen die vroedvrouwen mogen voorschrijven
Normale, • Foliumzuur 0,4 – 4mg • Nitrofurantoïne 50 en 100 mg
fysiologische • IJzerpreparaten • Influenza, DTP & Anti-rho – vaccins
zwangerschap • Metoclopramide 10 mg of 1mg/mL siroop • Omeprazole 20 mg & Ranitidine
• Paracetamol tabletten van 0,5 of 1 g, 150mg
zetpillen van 600 mg • Gemicroniseerde progesteron : 200
• Anti-infectieuze vaginale crèmes en ovules mg.
Tijdens verlossing • Lidocaïnehydrochloride 1 à 2%
• Mepivacaïne chloorhydraat
• Oxytocine
• Penicilline G / Amoxicilline
Post-partum • Oxytocine • Vitamine K1 ampul
• Misoprostol tabletten: 0,2mg (rect/oraal) • Anti-Rho immunoglobuline ampul →
• Pijnstilling zie zwangerschap
• NSAIDs • Hepatitis B vaccin
• Diclofenac 75mg tabletten & • Cabergoline tabletten
100mg zetpillen • Orale hormonale contraceptiva
• Ibuprofen 200 en 400 mg • Zuiver progestageen tijdens
tabletten borstvoeding
• Paracetamol • Oestro-progestageen obv
• Mycosen & infecties ethinyl-estradiol 20µg zonder
• Moeder: Antimycotica en/of progestatif van de 4e generatie
antibacteriële crème
• Baby: Nystatine suspensie en
miconazol gel
Urgentietrousse • Medische zuurstof + toedieningsmateriaal • Misoprostol tabletten 1 doos & Max 5
(Mayo canule) ampulles oxytocine
• Steriele kompressen en verbanden • 15-methyl-F2-a-prostaglandine (of
• Infusen carboprost): IM (2 ampullen)
• Fysiologische serum • Adrenaline (Epipen®)
• Plasma expander
3
, C. Het autonoom zenuwstelsel
0.1 Algemene werking zenuwstelsel
1. Opname van precursoren.
2. Synthese van de neurotransmitter.
3. Opname/transport van de neurotransmitter in vesikels.
4. Afbraak van overtollige neurotransmitters.
5. Depolarisatie geïnduceerd door een aankomend
actiepotentiaal.
6. Influx van Ca²⁺ als reactie op depolarisatie.
7. Vrijgave van neurotransmitter door exocytose.
8. Diffusie naar de postsynaptische membraan
9. Interactie met postsynaptische receptoren.
10. Inactivatie van de neurotransmitter.
11. Heropname van de neurotransmitter of
afbraakproducten door zenuwuiteinden.
12. Opname en vrijgave van neurotransmitter door niet-
neuronale cellen
13. Interactie met presynaptische receptoren
4