Wat?
Wetenschappelijke studie van relatie tussen media of
communicatieprocessen en de samenleving
Jong, maar heel breed en divers (‘fragmentation’)
+ interdisciplinaire invloeden
+ taalaspect
Hoofdstuk 1: bouwstenen van een discipline en een praktijk
1) Teken en betekenisvol communiceren
Basisconcepten
Semiotiek = leer van tekens: bestudeert wijze waarop tekens
functioneren en hoe ze betekenis doen ontstaan
subdisciplines: fonologie, syntaxis, pragmatiek en semantiek
Een teken is NIET hetzelfde als hetgeen het naar verwijst
communiceren over zaken die niet aanwezig zijn
Nagenoeg onze hele wereld bestaat uit tekens
Hoe tekens begrijpen?
1) Intensie: criteria (vb: constante spanning, aanwezigheid
griezelelementen,…)
Extensie: klasse van zaken (vb: Halloween, Saw, Friday the 13th,
…)
(vb: horrorfilm)
2) Betekenaar/ signifiant (Sa): materiële vorm/ verschijningsvorm
van een teken beeld, klank, neergeschreven woord (vb: ‘’boom’’)
betekende/ signifié (Se): concept, idee dat het teken oproept
(vb: concept van een grote plant met groene bladeren)
Referent = fysieke object waar het teken naar verwijst
bestaat niet bij alle tekens (vb: liefde, vrijheid), maar ook niet noodzakelijk
voor communicatie
Extra laag van Signifié: significatie
, Primair betekenisniveau: denotatie (letterlijke/ objectieve
betekenis)
Secundair betekenisniveau: connotatie (figuurlijke/ subjectieve
betekenis), hangt samen met specifieke (fysieke)
verschijningsvorm van de betekenaar
Evaluatieve lading goed, slecht of neutraal
Referentiële lading verwijzing
Tekensystemen
Peirce
Relatie teken en object
vb: representamen = ‘student’
object =
interpretant =
afhankelijk van je persoonlijke ervaring
De Saussure
Betekenis ontstaat niet uit relatie tussen teken en object, maar
WEL uit relatie tussen tekens onderling (vb: niet ‘peuter’ en
een peuter , wel ‘peuter’ en ‘kleuter’)
De betekende van een bepaald teken wordt telkens een
betekenaar – in de zin van een betekenisdrager van een bepaald
teken – voor een ander teken ( betekenis van een teken
bepaald door de wijze waarop het zich onderscheidt van andere
tekens)
vb: zalm, rog, anemoonvis (vis) , ik eet zalm (filet)
Soorten relaties:
,Syntagma: combinatie, horizontale relatie tussen de tekens
paradigma: selectie, verticale relatie tussen de tekens
syntagma mama roept tegen mila
NIET HETZELFDE mila roept tegen
mama
paradigma mama eet brood NIET
HETZELFDE mama eet karton
tekenindelingen
Peirce
Icoon – gelijkenis (vb: foto van een wc)
Index – oorzaak en effect (indicatie dat er…, horen bij…) (vb:
geur van pipi, rook is een index van vuur)
Symbool – afspraak (vb: ‘’WC’’)
Peters
tekens
natuurlijk kunstmatig
arbitrair
gemotiveerd
index conventioneel icoon
symbool
natuurlijk <-> kunstmatig : teken verbonden met datgene waarnaar het
verwijst zonder <-> met tussenkomst van de mens
arbitrair/ conventioneel : op basis van een afspraak
gemotiveerd : om een bepaalde reden/ motief
icoon : gelijkenis
symbool : associatie
2) Elementen van het communicatieproces
, 1. communicator
= zender , zendt een boodschap met informatie uit
Onderscheid bron (als info niet wordt verzonden)– communicator
Bedoeld – bewust communiceren
Individu vs organisatie
Feedback: manier waarop communicator beïnvloed wordt door de
eigenlijke reactie van de ontvanger op de boodschap
feedforward: communicator anticipeert op mogelijke reactie van de
ontvanger
Selectie (niet alles kan verstuurd worden) en copresence
(aanwezigheid (zichtbaar/hoorbaar) van de zender tijdens
communicatieproces)
2. boodschap
Bewustzijnsinhoud (boodschap) + externaliseren
(bewustzijnsinhoud coderen in tekens)
Altijd ontvanger voor boodschap nodig? communicatieproces als
de mogelijkheid bestaat dat ooit iemand de boodschap kan
ontvangen (vb: dagboek Anne Frank)
3 niveaus:
Referentiële of inhoudelijke aspect: gebruik van tekens
zakelijke inhoud
representationeel : immaterieel of abstract (vb: ‘waarheid’)
referentieel : materieel (vb: ‘stoel’)
Expressieve of vormelijke aspect: beïnvloeding door vorm van de
boodschap (lay-out, intonatie,…)
Relationele en appellerende aspect: relatie met ontvanger (vb:
U of jij) en wat de zender verwacht van de ontvanger
(handelingsaspect)
3. encoderen / decoderen
Coderen = encoderen + decoderen
Code: eenheden (vb: a tot z) + patronen (regels in verband met
combinatie van eenheden vb: grammatica)
Digitale of conventionele code: geen nuancering of gradatie in
betekenisintensiteit, aangeleerd (lettertekens)