Inhoud
1. Transmissie en preventie van infectieziekten ..................................................................................... 2
1.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 2
1.2 Infecties in de gezondheidszorg .................................................................................................... 8
1.2.1 Healthcare-acquired-infection (HCAI) .................................................................................... 8
1.3 Vaccinaties in het kader van preventie ....................................................................................... 11
1.3.1 Inleiding ................................................................................................................................ 11
1.3.2 Samenstelling en soorten vaccins ........................................................................................ 14
1.3.3 Vaccinatietechnieken ........................................................................................................... 19
2. Principes van antivirale therapie ....................................................................................................... 20
2.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 20
2.2 Basisprincipes van de antivirale therapie .................................................................................... 20
2.3 Verschillende therapieën voor verschillende infecties ............................................................... 22
2.3.1 Fulminante infecties ............................................................................................................. 22
2.3.2 Virale infecties bij immuundeficiëntie.................................................................................. 25
2.3.3 Chronische infecties ............................................................................................................. 27
3. Principes van antifungale therapie .................................................................................................... 30
3.1 Gisten- en schimmelinfecties ...................................................................................................... 30
3.1.1 Voorbeelden gistinfecties ..................................................................................................... 31
3.1.2 Voorbeelden schimmelinfecties ........................................................................................... 33
3.1.3 Algemene risicofactoren ...................................................................................................... 34
3.2 Antifungale therapie.................................................................................................................... 34
3.2.1 Algemeen.............................................................................................................................. 34
3.2.2 Azoles & Allylamines ............................................................................................................ 35
3.2.3 Polyenen ............................................................................................................................... 36
3.2.4 Echinocandines ..................................................................................................................... 37
3.3 Samenvatting............................................................................................................................... 38
4. Principes van antimycobacteriële therapie ....................................................................................... 38
4.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 38
4.2 Werkingsmechanisme specifieke antibacteriële producten ....................................................... 40
5. Principes van antibioticatherapie ...................................................................................................... 41
5.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 41
5.2 Beta-lactam antibiotica ............................................................................................................... 45
1
, 5.2.1 Penicilline ............................................................................................................................. 47
5.2.2 Cephalosporinen .................................................................................................................. 48
5.2.3 Carbapenem ......................................................................................................................... 48
5.3 Niet-beta-lactam antibiotica ....................................................................................................... 49
5.3.1 Glycopeptiden ...................................................................................................................... 49
5.3.2 Fluoroquinolonen ................................................................................................................. 50
5.3.3 Sulfonamiden........................................................................................................................ 51
5.3.4 Macroliden ........................................................................................................................... 52
5.3.5 Aminoglycosiden .................................................................................................................. 53
5.3.6 Polymyxines .......................................................................................................................... 56
5.3.7 Voor urineweginfecties ........................................................................................................ 56
1. Transmissie en preventie van infectieziekten
EXAMEN:
• Weet wat infectieziekten zijn en hoe ze kunnen overgedragen worden
• Kent het verschil tussen een microbe die wordt overgedragen en de ziekte die ze
veroorzaken
• Verschillende intensiteiten waarmee een ziekte aanwezig kan zijn
• Hoe een epidemie/pandemie kan ontstaan en hoe dit te voorkomen
1.1 Inleiding
Algemeen
• Definitie
o = aandoeningen veroorzaakt door verschillende mogelijke micro-organismen
(bacteriën, virussen,…)
o Opm.: niet elk micro-organisme veroorzaakt ziekte → spectrum!
▪ Veroorzaken geen ziekte, maar wel aanwezig = kolonisatie
o → niet omdat een bepaald micro-organisme wordt gevonden dat het altijd een ziekte
veroorzaakt.
• Wanneer is een aandoening van een infectieziekte? → verband tussen micro-organisme en
klinische ziekte
o Postulaat van Koch
▪ Micro-organisme moet veelvuldige terug te vinden zijn bij een ziek
persoon/dier, maar mogen niet aanwezig zijn bij gezonde mensen
▪ Bovendien: indien je de micro-organismen kweekt en inbrengt bij een
gezonde persoon → moet ziek worden.
▪ MAAR beperkingen:
• Meer geschikt voor bacteriële dan virale ziekten
• Veel (virale) pathogenen hebben een breed spectrum aan ziekte!
o Asymptomatische/paucisymtomatische ziekte
o Gezond dragerschap vs invasiee ziekte
o Bradford-Hill criteria (’60)
2
, ▪ Causaal verband (niet enkel correlatie) gezocht tussen het voorkomen van
een bepaald micro-organisme en een bepaald ziektebeeld
• Ook kwantitatief, coherent, tijdsverband,…
• Belangrijkste/grootste bedreigingen in de infectieziekten van deze tijd
o COVID-19!
o Daarnaast ook: veel ziekten die continu onder controle dienen gehouden te worden!
• Infectieziekten ̴ gedrag!
→ menselijk gedrag = drijvende kracht achter overdracht infectieziekten!
o Vb. avontuurlijke looptochten → contact met rattenurine → MS
o Vb. SOA’s door seksueel gedrag
o …
→ goed verplaatsen in wereld van de patiënt en voldoende vragen stellen (+ openminded!)
Manieren waarop infectieziekten worden overgedragen
• Mens-mens (grootste groep!) = anthroponoses
o Onderscheid rechtstreeks vs onrechtstreeks contact
▪ Rechtstreeks, vb. influenza
▪ Onrechtstreeks (via een vector), vb.
malariamug
o Verschillende manieren van overdracht: droplets,
airborne, faeco-oraal, seksueel contact, verticaal
(parenteraal), iatrogeen (door medische handeling)
• Mens-dier = zoönoses
o Rechtstreeks, vb. gebeten door hond met rabiës
▪ = zoönotisch
o Onrechtstreeks (via een vector), vb. mug
▪ = vector borne disease
• Mens-omgeving-(mens, dier)
o Vb. water, modder, aarde
3
, → bij elke infectieziekten hoort een patroon van overdracht → belangrijk om te helpen bij preventie
en bescherming.
LET OP: overdracht ≠ ziekte
• Verschillende modellen infectieziekten
o SEIR model:
→ verschillende groepen/mensen in een populatie
▪ Vatbare populatie (susceptible)
▪ Blootgestelde populatie (exposure)
• LET OP: niet iedereen die blootgesteld wordt zal geïnfecteerd
worden.
▪ Besmettelijke populatie (infectious)
• LET OP: niet iedereen die geïnfecteerd is wordt ziek en/of is (even)
besmettelijk.
• Gedurende een bepaalde periode
▪ Immune populatie (resistent)
• Voor korte of lange periode
o “modellors”: gebruiken modellen om infectieziekten na te bootsen (maken
uitgebreide modellen per infectieziekten) → infectieziekten zo goed mogelijk
proberen begrijpen en daardoor ook beter beheer van ziekte.
• Asymptomatisch vs symptomatisch (vb. COVID-19)
• Kolonisatie – lokale infectie – systemische infectie (vb. s. aureus)
• Latente chronische infectie
o Vb. tuberculose, herpes,…
o Mechanisme: komt in contact met ziekteverwekker → immuniteitsreactie: zorgt voor
inkapseling van het micro-organisme (maar kan het niet volledig opruimen) → kan
later terug ontsnappen en een infectie/ziekte veroorzaken
Intensiteit in aanwezigheid van infectieziekten
• Zeer zeldzaam voorkomen
o Moeten altijd onderzocht worden → ernst, risico epidemie,…
o Vb. rabiës, pest, ebola,…
• Vaker voorkomen
o Moeten onderzocht worden in geval van ‘anders dan anders’
o Verder onderscheid:
▪ Sporadisch: infectieziekte die zeldzaam en onregelmatkig voorkomt
• Vb. ziekte van Whipple
▪ Endemisch: infectieziekte is constant of zeer vaak aanwezig binnen een
bepaalde bevolking/geografische zone.
• Vb. pneumococcen-pneumonie, malaria in sub-Saharisch Afrika
▪ Hyperendemisch: infectieziekte is permanent in zeer hoge mate aanwezig
• Vb. Rhinovirus, tuberculose (op bepaalde plekken),…
• LET OP: soms stijgt het voorkomen van een infectieziekten boven een bepaalde
(epidemische) drempel (of nieuwe infectieziekte)
o Epidemie: plotse stijging van aantal gevallen boven de ‘normale’ drempel
o Uitbraak: idem als epidemie, maar geografisch beperkt (vb. WZC, klasgroep,…)
4