EU is gebaseerd op kaderverdragen (~zetten kader uiteen en doelstellingen die via de EU bereikt
worden: art 3 VEU)
Art 5 lid en 2 VEU: de unie kan enkel binnen die grenzen optreden daarom moet een rechtsbasis
worden gekozen.
Artikel 5 VEU: belangrijkste juridische regels die de besluitvorming van de EU regelen
1. KEUZE RECHTSBASIS = BEGINSEL VAN DE TOEGEWEZEN BEVOEGDHEID = HEEFT DE EU
BEVOEGHDEID? = ART 5 LID 2 VEU
= unie handelt enkel binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de
verdragen zijn toegedeeld om daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Primair recht Afgeleid/secundair recht
EU verdragen De handelingen aangenomen op grond van de
eu-verdragen
! niet elke bepaling in de eu verdragen is een rechtsbasis
3 CRITERIA RECHTSBASIS:
3. Verwijzing naar doelstelling: vb ter verwezelijking van…
3. Verwijzing naar procedure = wie is betrokken om maatregelen aan te nemen, wie initiatief, wie
eindbeslissing?
3. Vermelding van bevoegdheid om te handelen
NUANCES OP DE RECHTSBASIS DIE NIET SPECIFIEK MOET ZIJN
TOEGEWEZEN BEVOEGDHEID (IMPLICIET/EXPLICIET)
= notie uitgevonden door het HVJEU
Internationaal recht Reparations for injuries : aanvaard dat
internationale organisaties beschikken over
bevoegdheden die niet expliciet genoemd zijn in
de oprichtingsakte →indiend noodzakelijk om
taak te vervullen
, Hof van justitie AETR zaak (22/70) + arbeidstijdenzaak (C-84/94):
verregaandere interpretatie dan de klassieke
internationaalrechtelijke doctrine → niet
restrictieve interpretatie
KADERVERDRAGEN
Doelstellingen worden geformuleerd in zeer brede termen, ze zijn weinig specifiek. → bv art 191 (1)
VWEU
HORIZONTALE VERDRAGSBEPALING
We kennen twee horizontale bepalingen (omdat ze potentieel van toepassing zijn op verschillende
beleidsgebieden):
Art 114 VWEU Art 352 (1) VWEU
= belangrijkste bepaling vandaag de dag, brengt = als de verdragen geen bevoegdheid hebben
de drie componenten samen. Elke economische gegeven aan de unie maar het is noodzakelijk dat
activiteit kan je reguleren zolang je maar kan de unie optreed om een doelstelling van de unie
aantonen dat het doel is om een interne markt te bereiken kan je alsnog op grond van deze
te creëren. bepaling optreden.
! limiet in advies 2/94: je kan het niet gebruiken
om een doelstelling die niet voorzien is in die
kaderverdragen (zie verdere limieten pg 89)
HOE VIND IK DE JUISTE RECHTSBASIS
Keuze van de juiste = van constitutioneel belang (HvJEU (opinion 2/00)
reden = de unie heeft enkel toegewezen bevoegdheden (verticaal) + de rechtsbasis schrijft de
te volgen procedure voor (horizontaal)
titaandioxide zaak C-300/89: keuze moet berusten op objectieve gegevens die voor rechtelijke toetsing
vatbaar zijn: Doel en inhoud
Commissie t raad C-180/20 voegt toe: geen hiërarchie tussen doel en inhoud + ook context kan als
objectief criterium meespelen.
WAT INDIEN NIET EENDUIDIG 1 RECHTSGROND NAAR VOREN KOMT?
Hvj commissie t Parlement en Raad (verdrag van Rotterdam) C-178/03:
, ▪ Dubbele of meerdere rechtsbasissen enkel mogelijk indien de procedures die de
rechtsbasissen voorschrijven compatibel met elkaar zijn.
▪ Probleem wanneer vraag aan de orde is naar optreden gelinkt aan GBVB en niet-GBVB (zie C-
130/10 Parlement t Raad) → hof: procedures zijn incompatibel dus kunnen niet gecombineerd
worden
WAT INDIEN GEEN RECHTSBASIS.?
Geen bevoegdheid voor de unie om op te treden → enkel nog een verdragswijziging mogelijk.
2. SUBSIDIARITEITSBEGINSEL = ART 5 LID 3 VEU
Exclusieve bevoegdheden kunnen enkel door EU uitgeoefend worden
Overige categorieën = het een noodzaak dat de EU dit doet of kunnen de LS dit zelf doen? = politiek
▪ Enkel bevoegdheid uitoefenen als het een toegevoegde waarde is van het unieoptreden
▪ Verdrag van lissanbon: subsidiariteitstoets door nationale parlementen > protocol 2 bij
verdragen?
o Gele kaarten en oranje kaarten
o Rode kaart op voorstel van de Britten
3. EVENREDIGHEID = ART 5 LID 4 VEU
= hoe moet de eu optreden → eu gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de
verdragen te verwezenlijken
Drie componenten: (AG POIARES MADURO IN AHOKAINEN C- 434/04 RO 24-26 )
1. Geschiktheid = maatregel geschikt om doel te bereiken?
2. Noodzakelijkheid = juridisch noodzakelijk? → alternatief + minder ingrijpend?
3. Proportionaliteit in strikte zin = zijn de voordelen in verhouding met de nadelen? →
maatschappelijk belang boven economisch belang