Verschillende indelingsprincipes:
ontogenetisch perspectief
Deelt ZS in obv de ontwikkeling
anatomisch perspectief
Deelt ZS in obv de structuur
functioneel perspectief
Deelt ZS in obv de functie
Autonoom ZS
= zorgt voor vlot en correct functioneren van inwendige organen (aangepast aan inwendige noden)
o homeostase = vermogen om interne milieu cst te houden ondanks veranderingen in omgeving
regelt:
- hartslag en ademhaling obv het zuurstofgehalte in het bloed
- activiteit van het maag-darmkanaal
- speekselsecretie
- zuurtegraad
- bloeddruk
- vaatverwijding of -vernauwing voor handhaving lichaamstemperatuur
- pupilconstructie of -dilatatie obv invallende licht
o aanpassen aan inwendige en uitwendige veranderingen
o parasympatisch zenuwstelsel
= organen worden zodanig beïnvloedt dat het lichaam in een toestand van herstel en rust kan
komen
o (ortho-) sympatisch zenuwstelsel
= organen worden zodanig beïnvloedt zodat het lichaam arbeid kan verrichten
Somatisch ZS
o Aangepaste motorische reacties ifv zintuiglijke input
o Efferente motorische zenuwbanen
= informatie wordt weggevoerd
o Afferente motorische zenuwbanen
= informatie wordt aangevoerd
1. Het centraal zenuwstelsel
Omvat:
- Hersenen
- Ruggenmerg
CZ omgeven en beschermd door:
- Hersenvliezen en benige structuren vd schedel en
wervelkolom
1.1. De hersenen (encephalon)
= gelegen in de schedel en omgeven door:
- Hersenvliezen
- Cerebrospinaal vocht
in: hersenventrikels, schedelholtes en wervelkanaal
functies: fysisch (schokdempend) en fysiologisch
, 6 grote delen:
1. Telencephalon = grote hersenen of cerebrum
2. Diencephalon = tussenhersenen
3. Hersenstam = truncus cerebri
4. Mesencephalon = middenhersenen
5. Medulla oblongata = verlengde merg
6. Cerebellum = kleine hersenen
1.2. Telencephalon – cerebrum
= grootste deel vd hersenen, is structureel en functioneel het meest complexe onderdeel vh centraal zenuwstelsel
eindpunt: afferente impulsen van zintuigen en receptoren die info leveren uit het lichaam zelf en de buitenwereld
beginpunt: efferente impulsen naar spieren en andere effectoren in het lichaam
1. Grijze stof
In hersenschors (= cortex)
In enkele dieper gelegen kernen
Bevat celkernen van neuronen
Basale ganglia: wordt gevormd door grijze kernen
2. Witte stof
Onder hersenschors
Bevat vezelbanen
Wit omv myelineschede (vet)
bovenste en laterale laag = hersenschors of cerebrale cortex
Bevat:
o Verhoogde randen (windingen – gyri)
o Diepe sleuven (fissuren)
o Ondiepe groeven (sulci)
bestaat uit 2 grote hemisferen
Gescheiden door = fissura longitudinalis cerebri
Beide hebben nog andere duidelijke primaire sulci (= hersensleuven)
1.2.1. Groeven – primaire sulci
Sulcus lateralis (sleuf van Sylvius)
Sulcus centralis