3. OPBOUW VAN HET NETVLIES – RETINA
ð = onderdelen van het CZS, want astrocyten en olygodendrocyten (=steuncellen) ipv Schwanncellen
ð Beschadeging = permanent!
3 cellagen van de retina:
1) Fotoreceptoren = zetten licht om in elektrische signalen è Graded potentials
o Kegeltjes Staafjes
→ Centrum retina → Rand retina
→ Fovea → NIET in fovea
→ Matige-hoge lichtintens. → Zwak licht
→ Kleur, scherpte → GEEN kleur NIET scherp
1. ANATOMIE VAN HET OOG: 2) Bipolaire cellen
o Geven signalen door van fotoreceptoren à ganglioncellen
® Spieren aan het oog: oog laten draaien
o 1ste stap in signaalverwerking
® Lens: scherpte, ciliaire spieren à verder / dichtbij kijken o è Graded potentials
3) Ganglioncellen à 1ste die AP veroorzaken!
® Hoornvlies: buitenste beschermlaag vh oog. Hard, doorzichtig weefsel à licht o Laatste cellen in netvlies
o Hun axonen vormen oogzenuw
doorlaten
Interneuronen:
® Netvlies (retina): à Hier wordt licht omgezet in elektrische signalen, 4) Horizontale cellen
o Verbinden fotoreceptoren met elkaar
o = lichtgevoelige deel vh oog o Zorgen voor laterale inhibitie
o Doel = ervoor zorgen dat licht op netvlies valt. à Hierin zitten o Verhogen contrast
receptorcellen die zenuwstelsel informeren over hoe, wat, waar van het 5) Amacriene cellen
licht. Informatie gaat via optische zenuw (hersenzenuw). o Verbinden bipolaire & ganglioncellen
2. FOCUSSEN o Modulerende en meestal inhiberende functie
o Belangrijk voor beweging en timing
Fixatie/focus = licht van punt waarop je fixeert à valt op fovea
® Eenvoudig bij stilstaande objecten, bij bewegende objecten à VOORSPELLING Speciale gebieden:
6) Fovea (daarin foveola)
3 type oogbewegingen voor focus: o Centraal deel van netvlies
1) Vergentie à niet dubbel zien, beide ogen zien zelfde object o Veel kegeltjes
2) Volgbewegingen o Maximale scherpte
3) Saccades (àMicrosaccades = gaat adaptatie tegen) 7) Blinde vlek
o Plaats waar oogzenuw oog verlaat
o Geen fotoreceptoren
Evolutie:
® Euglena gracilis = primitief oog à locatie van licht bepalen! Voordelen van verstrooiing van licht:
1) 2de kans op verwerking:
Belangrijke signaalverwerking t.h.v. retina o Mogelijkheid om licht dat terugkaatst op achterkant vh oog
® ++ gevoeligheid randen/contouren (à objectidentificatie) alsnog op te vangen
® ++ gevoeligheid verandering (à evolutionair nut – prioriteit) 2) Beter huishouden:
(Troxler-effect inleiding: kat die verdwijnt ) o Epithelium à fagocytose en recyclage van “versleten”
fotopigmenten. Door deze ligging kunnen fotoreceptoren
efficiënt onderhouden en vernieuwd worden
3) Betere energie behoudt:
o Hoge metabole activiteit fotoreceptoren à nabijheid van
haarvaatjes van oogwand voor E!
,4. DE RETINA Verdeling ganglioncellen: (types)
Fotoreceptoren 1) Intrinsiek lichtgevoelige ganglioncellen
• Fotoreceptor heeft segmenten:
o Binnenste à bevat cellichaam 2) Parasol ganglioncellen → Afhankelijk van nr welke laag
o Buitenste à bevat fotopigmenten in membraanlamellen 3) Dwerg ganglioncellen (midgetcellen) in Thalamus projectie gaat
§ Retinal (lipide) (wortels) 4) Bistratified ganglioncellen
§ Opsine (eiwit): versch soorten à bepalen gevoeligheid specifieke
golflengtes
• In fovea = scherpste zicht, ++ concentratie fotoreceptoren, dicht op elkaar
• Kegeltjes en staafjes
Kegeltjes Staafjes
→ Centrum retina → Rand retina
→ Fovea → NIET in fovea
→ Matige-hoge lichtintens. → Zwak licht
→ Kleur, scherpte → GEEN kleur NIET scherp
• Lichtintensiteit:
o Scopisch: staafjes: nachtzicht: contouren & contrasten
o Mesopisch: kleur -saturatie staafjes: schemernog niet optimaal
o Fotopisch: Fel licht: duidelijke kleur, beste scherpte
Horizontale & amacrine cellen
• Geen axonen à Graded Potentials à ‘Continue’ afgifte glutamaat: rechtstreeks rea op licht: = Cellen die dwarsverbindingen maken
o Licht à hyperpolarisatie (= inhibitie) fotoreceptor à weinig glutamaat
o Geen licht à depolarisatie (= excitatie) fotoreceptor à veel glutamaat AMACRINE CELLEN
Actief wnr er GEEN licht op oog valt à Minder licht = minder vermoeiend = meer energie • (= tussenstof) verbinden bipolaire cellen en ganglioncellen
Bipolaire cellen
• Geen axonen à Graded Potentials: HORIZONTALE CELLEN
o Reageren niet rechtstreeks op licht, maar op afgifte glutamaat • Horizontale cellen verbinden fotoreceptoren en bipolaire cellen
§ Kegeltjes: 2 soorten bipo cel met glutamaatreceptoren: • HC zorgen voor:
• ON-bipocellen: worden gedepolariseerd (“aangezet”) door licht o Negatieve feedback aan fotoreceptor (bij constant licht à minder aandacht aan besteden)
• OFF-bipocellen: worden gehyperpolariseerd (“afgezet”) door o Transiënte respons aanhoudende stimulusà ↓ reactie op constan lichtbron = relat. gevoeligh
licht o Laterale inhibitie: winner takes it all, cruciaal center surround receptieve velden →Randen en
§ Staafjes: 1 soort gespecialiseerde Bipo cel contouren!
• Allemaal ON cellen Centraal en perifeer zicht
• Reageren enkel op toename licht
Ganglion cellen
• Actiepotentialen = alles of niets Axonen vd ganglioncellen vormen samen de oogzenuw
o Veel verschillende types
§ ON/OFF ganglioncellen
§ Omvang receptief veld: invloed van minder of meer fotoreceptoren
§ Transiënt of volgehouden vuren
§ Kleurgevoelig of niet
è Belangrijkste indeling = PROJECTIE GC projecteren naar: • Magnocellulaire lagen (grote cellen)
® GLN: geniculate laterale nucleus: 3 lagen à • Parvocellulaire lagen (kleine cellen)
® SC: Superieure Colliculus • Koniocellulaire lagen (zeer kleine cellen)
® SCN: Suprachiasmatische nucleus
, 5. HERSENREGIO’S BETROKKEN BIJ VISUELE PROCESSEN
Overzicht van het visuele circuit
1) Retina
2) Oogzenuw (= axonen ganglioncellen)
3) Optisch chiasma (= optische kruising):
a. Onderscheid linker en rechter visueel veld
i. Receptief veld van linker en rechter rtina
ii. Overlap tussen velden in V1 info van beide ogen!
4) Thalamus: LGN:
a. Projectie à cortex stratia
b. LGN heeft 6 lagen:
i. Binnenste 2 lagen (1-2):
1. Grote cellichamen à “MAGNOCELLULAIRE lagen” 6.KLEURPERCEPTIE
2. input parasolcellen =oudst (binoculaire input) à Ventrale route = WAT-systeem
Perceptie van helderheid:
ii. Buitenste 4 lagen (3-6) :
1. Kleine cellichamen à “PARVOCELLULAIRE lagen” Soorten ganglioncellen:
2. Input midgetcellen = recenter (binoculaire input) 1) ON-GC:
a. Licht op centrum recept veld = exitatie
iii. Onderkant elke laag à koniocellulaire sublaag (input Bistrat cellen) b. Licht op periferie recept veld = inhibitie
c. NIET alle banen à Thalamus (LGN) = soms te traag!
2) OFF-GC:
i. Afsplitsingen naar SCN, SC...
a. Licht op centrum recept veld= inhibitie
5) Cortex stratia = Primaire visuele cortex = V1 b. Licht op periferie recept veld = exitatie
a. Projectie à Cortex extratia
b. Lagen: Magno-, parvo-, koniocellulaire input 3) ON/OFF-GC = veranderingsgevoelige cellen
c. Retinotopische of visuotopische organisatie a. Vuren kort wanneer licht AAN/UIT gaat
d. +/- 25% = analyse info vanuit fovea (crazy veel...)
e. Verschillende cellen gevoelig voor verschillende aspecten
6) Cortex exstrastriata / visuele associatiecortex V2-V3-V...
a. Integratie tot op niveau van objecten en groter
b. Omringt de cortex striata in occipitale kwab
c. “bottom-up”-communicatie
2 grote aftakkingen
è GEEN aparte entiteiten = COMMUNICEREN!