Praktische informatie
Examen: enkel over hoc 50% met verhoogde cesuur (20 MC-vragen) (op /10) + Taak (wpo’s)
50% oefeningen (op /10). Aan elk onderdeel dient deelgenomen te worden.
Leerstof: lessen (hoofdlijnen op de slides) + het handboek.
Inleiding persoonlijkheidspsychologie (handboek p. 11-16)
KLASSIEKE THEORIEËN IN DE PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGIE
De meeste ‘grote’ klassieke theorieën vertrekken vanuit een universele benadering. Ze
proberen m.a.w. persoonlijkheid te verklaren vanuit een universeel perspectief: ze zoeken
naar fundamentele psychologische processen en kenmerken die voor alle mensen gelden.
Met andere woorden: deze theorieën willen begrijpen hoe mensen in het algemeen
functioneren, en hoe we de persoonlijkheid van iedereen kunnen beschrijven of verklaren.
HEDENDAAGS ONDERZOEK NAAR DE PERSOONLIJKHEID
In tegenstelling tot de klassieke theorieën, die vertrekken vanuit een universele benadering,
legt het hedendaagse onderzoek vooral de nadruk op individuele en groepsverschillen. Het
gaat dus minder (niet universeel dus) om wat alle mensen gemeenschappelijk hebben, en
meer om hoe mensen van elkaar verschillen in hun persoonlijkheid.
Daarnaast vertrekt elke onderzoeker vanuit een eigen perspectief (bijvoorbeeld biologisch,
cognitief, sociaal-cultureel, of leertheoretisch). Geen enkel perspectief heeft het volledige
antwoord, maar elk van deze invalshoeken/perspectieven bevat een deel van de waarheid.
Samen geven ze een veelzijdiger en realistischer beeld van de persoonlijkheid (integratie!).
KENNISDOMEIN
Een kennisdomein is een gespecialiseerd deelgebied binnen de wetenschap van de
psychologie. Vanuit zo’n domein bestuderen psychologen telkens een specifiek en beperkt
aspect van de menselijke natuur (bijvoorbeeld biologisch, cognitief of sociaal).
Omdat elk kennisdomein maar een stukje van de puzzel laat zien, is integratie tussen de
domeinen nodig om een zo volledig mogelijk beeld van de persoonlijkheid te krijgen.
Er bestaan 6 kennisdomeinen:
1) Dispositionele domein: Richt zich op verschillen tussen individuen. Het centrale doel is
om de belangrijkste/fundamentele disposities of trekken te identificeren. Omdat dit over
verschillen gaat, doorkruist dit domein alle andere domeinen.
2) Biologisch domein: Bekijkt mensen als verzamelingen van biologische systemen. Deze
systemen vormen de bouwstenen van gedrag, denken en emoties. (het genetische!)
3) Intrapsychische domein: Bestudeert mentale (interne) mechanismen van de
persoonlijkheid, vaak niet op het ‘bewuste niveau’. Dit omvat:
-> Freud’s klassieke psychoanalyse: Freud stelde dat gedrag en PH sterk beïnvloed
1
, worden door onbewuste driften en conflicten. Daarbij spele afweermechanismen
zoals onderdrukking, ontkenning en projectie een rol: ze beschermen ons tegen
pijnlijke gedachten of gevoelens.
-> Moderne psychoanalytische benaderingen: Deze bouwen verder op Freud, maar
leggen meer nadruk op motieven en behoeften die mensen onbewust sturen, zoals
macht (power), achievement (prestatie), intimiteit.
-> TAT (Thematic Apperception Test): Een projectieve test die wordt gebruikt om deze
onbewuste motieven te onderzoeken.
4) Cognitief en ervaringsdomein: Richt zich op cognities en subjectieve ervaringen, zoals
bewuste gedachten, gevoelens, overtuigingen, verlangens, (zelf)concept, streefdoelen,
emotionele ervaringen en intelligentie.
5) Sociaal en cultureel domein: Onderzoekt hoe persoonlijkheid en sociale/culturele context
elkaar beïnvloeden. Dit gaat zowel over verschillen tussen culturen (hoe culturen als geheel
van elkaar verschillen, bv. verschillen in agressie tussen individualistische vs. Collectivistische
culturen), als over individuele verschillen binnen een cultuur (hoe individuen zich
onderscheiden binnen dezelfde culturele context). Hoe komt persoonlijkheid tot uiting in
een sociale context?
6) Domein van aanpassing: Dit domein onderzoekt hoe persoonlijkheid een rol speelt in
onze manier van omgaan met het leven. Het kijkt dus naar hoe persoonlijkheid ons kan
helpen of juist hinderen bij het aanpassen aan alledaagse gebeurtenissen en uitdagingen.
Het omvat drie belangrijke aspecten:
- Coping: hoe iemand omgaat met stress en problemen.
- Gezondheid: hoe persoonlijkheidskenmerken samenhangen met lichamelijke en
mentale gezondheid.
- Persoonlijkheidsstoornissen: hoe extreme of problematische
persoonlijkheidskenmerken kunnen leiden tot moeilijkheden in functioneren en relaties.
Examen: voorbeeld van een onderzoek en vraag bij welk kennisdomein het beste aansluit.
Bv: “iemand doet aan tweelingsonderzoek. Onder welk domein denk je dat dit valt?”
Tweelingsonderzoek is typsich gaan kijken naar genetische basis van persoonlijkheid,
vandaar het biologische domein.
Bv. “Freud zijn indeling rond de intrapsychische structuur, onder welk kennisdomein valt
dit?” of “In welk kennisdomein worden de eerder onbewuste aspecten bestudeerd?” =
intrapsychische domein.
Het dispositionele domein: persoonlijkheidstrekken over de
tijd: stabiliteit versus verandering
Het dispositionele domein is het domein van de persoonlijkheidstrekken. Welke
disposities/persoonlijkheidstrekken maken dat er individuele verschillen zijn? Wat gebeurt
er met deze trekken? Zijn ze eerder stabiel (geen verandering) of is er juist verandering
doorheen de loop van het leven?
2
,(Persoonlijkheids)Coherentie = een speciale vorm van stabiliteit. Coherentie betekent dat
een onderliggende persoonlijkheidstrek stabiel blijft (het verandert niet!), maar dat de uiting
ervan verandert doorheen de tijd. Dit wordt ook wel heterotypische continuïteit genoemd.
└ Voorbeeld: Als baby ben je prikkelgevoelig en actief: dit wijst al op extraversie. Als tiener
uit zich dat in graag naar fuiven gaan. Als volwassene zie je het terug in avontuurlijke
activiteiten, zoals naar een pretpark gaan. De trek (enthousiasme/extraversie) blijft
dezelfde, maar de manier waarop ze zichtbaar wordt, verandert met de leeftijd.
0. BELANGRIJKE VRAGEN
▪ Hoe evolueert persoonlijkheid doorheen iemands leven?
▪ Hoe stabiel zijn verschillen tussen mensen doorheen de tijd?
▪ Wat verandert er, wat blijft stabiel?
DEMO: Denk terug aan de tijd dat je 12-16 jaar was (tiener, middelbare school). Ben je nog
volledig dezelfde of volledig anders?
▪ Sommige aspecten blijven dezelfde, de ‘kern’ (grootste interesses, waarden, attitudes,..)
blijft dezelfde, andere aspecten gaan (soms grote) veranderingen door: de mate kan
verschillend zijn door levensgebeurtenissen.
▪ Besluit wat betreft persoonlijkheid: sommige dingen veranderen, anderen blijven.
1. CONCEPTUELE BEGRIPPEN : PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING ; STABILITEIT;
VERANDERING
1.1. WAT IS PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING ?
= De samenhang, consistentie en stabiliteit van eigenschappen van mensen doorheen de
tijd, EN de wijzen waarop mensen veranderen over de tijd (zie eigen voorbeeld -> demo). Er
zijn veel verschillende vormen van zowel stabiliteit als verandering.
1.2. TWEE VORMEN VAN STABILITEIT
1) Rangorde stabiliteit (↔ rangorde verandering/wijziging): je relatieve positie t.o.v.
anderen blijft dezelfde (stabiel) doorheen de tijd: je behoudt je individuele positie in een
groep (bv. lengte, agressie,...). Indien je relatieve positie t.o.v. anderen verandert over de
tijd, dan spreken we van rangorde verandering/wijziging!
└ voorbeeld ‘lengte’ uitgewerkt: leeftijd van 14-20 jaar: groeispurt bij de mens dus bij
iedereen verandert de lengte. Maar zij die op 14 jaar klein/groot zijn, zullen dit op 20-jarige
leeftijd ook nog zijn (klein/groot in de groep). De positie wordt dus doorsnee gezien
behouden.
└ voorbeeld ‘agressie’ uitgewerkt: een kind dat relatief agressiever is dan leeftijdsgenoten,
heeft vaak als volwassene ook een hogere agressiescore dan anderen.
└ voorbeeld van rangorde wijziging: als je vroeger het meest extraverte kind in de klas was,
maar later iemand anders die plek inneemt, dan is er een rangorde wijziging.
3
, 2) Gemiddelde niveau stabiliteit (↔ gemiddelde niveau verandering/wijziging):
gemiddelde niveau stabiliteit betekent dat het gemiddelde niveau van een eigenschap in
een bevolking/groep doorheen de tijd ongeveer hetzelfde blijft, ook al worden de
individuen ouder. Het gaat niet om individuele veranderingen, maar om het
bevolkingsniveau.
└ voorbeeld agressie uitgewerkt: als je dezelfde groep mensen volgt terwijl ze ouder worden,
blijft het gemiddelde niveau van agressie in die groep meestal gelijk (dus: gemiddelde niveau
stabiliteit).
└ voorbeeld van gemiddelde niveau verandering: naarmate mensen ouders worden, neemt
conservatisme toe, dus het gemiddelde niveau verandert in dit geval wel. (vb. kan op examen
bevraagd worden!)
Examen: voorbeelden van stabiliteit of verandering kunnen herkennen!
Voorbeeld van stabiliteit: Mohandas Gandhi
Bij Gandhi gaat het om behoud van persoonlijkheid bij één individu: zijn kernkenmerken
zoals bescheidenheid, zelfontzegging en verzoenend zijn, bleven stabiel doorheen zijn leven.
Het was een geweldloze tolerante man, die uiteindelijk toch slachtoffer van geweld werd.
‼ Belangrijk: je kunt hier niet spreken van rangorde-stabiliteit of gemiddelde-niveau
stabiliteit, omdat die termen altijd een vergelijking met anderen of een groep vereisen.
Bij Gandhi gaat het enkel om persoonlijke stabiliteit: de consistentie van zijn eigenschappen
bij één persoon over tijd. Conclusie: zonder vergelijkingsgroep kun je alleen spreken over
individuele stabiliteit, niet over rangorde of gemiddelde-niveau stabiliteit.
Voorbeeld van verandering: Stanley ‘Tookie’ Williams:
Stanley Tookie Williams had een gewelddadig verleden: oprichter van de straatbende “Crips”
in Los Angeles; verantwoordelijk geacht voor meerdere moorden en geweldplegingen; in de
gevangenis bleef hij aanvankelijk gewelddadig, koel en impulsief. <-> Verandering vanaf
1992: Hij werd volledig vreedzaam, gewetensvol en minzaam. Werd een grote activist tegen
straatbendes en geweld. Auteur van kinderboeken die jongeren waarschuwen voor bendes
en geweld. Blijft vreedzaam, ook al werd zijn vonnis niet veranderd of verzacht (doodstraf).
Er zijn vele mogelijke redenen voor deze gedragsverandering, maar niemand weet precies
waarom het gebeurde. Dit is een voorbeeld van persoonlijke verandering: het gedrag en de
persoonlijkheid van één individu veranderen drastisch doorheen de tijd. Net als bij Gandhi
kan je hier geen rangorde-stabiliteit of gemiddelde-niveau stabiliteit gebruiken, omdat er
geen vergelijking met anderen wordt gemaakt.
Casussen zoals deze helpen duidelijk maken vanaf wanneer we echt van persoonlijke
verandering spreken: het gaat om een consistente, opvallende verandering van
kernkenmerken bij één persoon.
1.3. PERSOONLIJKHEIDSVERANDERING : TWEE DEFINIËRENDE KWALITEITEN
1) Intern
▪ De verandering vindt binnen de persoon zelf plaats, niet alleen door een andere
4