DEEL 3: REGELGEVING, KWALITEIT EN GELIJKE KANSEN
IN HET VLAAMSE ONDERWIJS
Hoofdstuk 7: Leraar en onderwijs: juridische aspecten (Kurt Willems en Bregt
Henkens)
Kernwoorden: aansprakelijkheid, beleidsactoren, grond- en mensenrechten, juridisering, loopbaan
leraren, onderwijsrecht, onderwijsvrijheid, rechtspositie leraren
1. Inleiding
Dit onderdeel is opgesplitst in 3 delen:
- De juridische kant van onderwijssystemen
o Het brede grondwettelijke en mensenrechtelijke kader
o De organisatie van het onderwijs Rol van onderwijsverstrekkers en overheid
- De juridische kant van het lerarenberoep
o Status
o Rechten en plichten
o Aansprakelijkheid
- De juridisering van onderwijs
o Aanvechten van B en C attesten
o Tuchtbeslissingen
Juridische domein heeft grotere impact op de onderwijspraktijk. (perceptie)
2. Het juridische kader van onderwijs
2.1 Het juridische kader voor onderwijsbeleid
GROND-EN MENSENRECHTEN = fundamentele, universele rechten en vrijheden die elk mens bezit,
simpelweg omdat hij of zij mens is
ONDERWIJSRECHT = geldt voor elk kind, ongeacht diens juridische status in België. De toegang tot
onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht (art. 24 Belgische Grondwet)
Het Vlaams juridisch kader voor onderwijs vertrekt vanuit art 24 van de Grondwet. (grondrechten voor
scholen, lln, ouders en overheid.)
- Mensenrechtenverdragen leggen op internationaal vlak de belangrijkste principes vast.
De belangrijkste aspecten uit artikel 24:
1. Actieve onderwijsvrijheid
(ACTIEVE )ONDERWIJSVRIJHEID = vrijheid om een school te mogen oprichten, de
levensbeschouwelijke of onderwijskundige richting ervan vorm te geven en de school te mogen
organiseren naar eigen inzicht (met respectievelijke vrijheid van oprichting, richting en inrichting)
- Vrijheid sinds eerste grondwet van 1831
- De grondwettelijke vrijheid van onderwijs moet genuanceerd worden :
o Overheid mag kwaliteitsverwachtingen stellen en controleren, regels voor
personeelsstatuut en opleggen van miniumnormen door het systeem van erknening en
subsidiëring. (Vlaamse onderwijsregelgeving)
o Tijds, arbeids en financieel intenstief om een school te starten.
o Privé-onderwijs = scholen die erkend zijn, maar niet gesubsidieerd
meer vrijheid genieten
hoge inschrijvingsgelden
eerder internationaal georiënteerd
o Huisonderwijs = scholen die niet erkend zijn.
, geen absolute vrijheid
ook kwaliteitscontrole (onderwijsinspectie)
lln moeten slagen bij centrale examencommissie
2. Passieve onderwijsvrijheid = vrije schoolkeuze voor de ouders.
o Gaat terug op het Schoolpact van 1958 (einde conflict tussen het officieel en het katholiek
onderwijs)
vrije schoolkeuze voor de ouders
o Dit pact werd versterkt door het GOK-decreet in 2002 (Decreet Gelijke onderwijskansen):
Scholen verplichtte om elke leerling in te schrijven die schoolreglement ondertekent.
inschrijven hoofdzakelijk digitaal via elektronische aanmeldingssystemen
Capaciteitsproblemen zetten de vrije schoolkeuze onder druk.
uitvoering wordt opgevolgd door Lokale Overlegplatforms (LOP)
3. Recht op kwaliteitsvol onderwijs geldt voor elk kind, ongeacht diens juridische status in
België.
o Het recht op kwaliteitsvol onderwijs wordt naast de grondwet ook gewaarborgd in
verschillende mensenrechtenverdragen (Vb Rechten van het Kind)
o Doel: een zo volledig mogelijke ontplooiing van persoonlijkheid, talenten en geestelijke
en fysieke vermogens van het kind
4. Recht op een morele of religieuze opvoeding op kosten van de gemeenschap
= Onderricht in 1 der erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer tot het einde van de
leerplicht
o Verstrengeling tussen religie en staat is het gevolg van het Schoolpact van 1958
o Deze verstrengeling staat ter discussie:
• Pleiten voor 1 neutraal vak over diverse religies, met de nadruk op wat leerlingen
verbindt – dit zou organisatorisch en goedkoper zijn
• Behoud van huidige systeem
lln toelaten identiteit ontwikkelen zich vanuit een religieus kader
respectvol omgaan met anderen
ouders moeten geen eigen scholen oprichten.
5. Neutraliteit voor gemeenschapsonderwijs
= een neutraliteitsvereiste (alle scholen) : overheid stelt zich neutraal op tegenover de burger.
o Verbod op levensbeschouwelijke tekens voor leraren en leerlingen: bijv. hoofddoek
o Het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de rechten van de mens hebben zich
hierover positief uitgesproken: het staat schoolbesturen juridisch vrij om te bepalen hoe ze
die neutraliteit concreet invullen voor leerlingen
o Voor leraren geldt het verbod op levensbeschouwelijke tekens in het licht van de
neutraliteitsvereiste
• Uitzondering: de godsdienstleraren: zij hoeven niet neutraal te zijn, aangezien zij
verantwoordelijk zijn voor een levensbeschouwelijk vak
o Er mag niet worden afgeleid dat het verbod ook juridisch verplicht is
onderwijsvrijheid laat toe dat officiële scholen zelf kiezen hoe ze de neutraliteit
vormgeven.
In het vrij onderwijs geldt geen neutraliteitsverplichting (eigen beleid dat strookt
met hun identiteit en pedagogisch levensbeschouwelijke visie.)
6. Kosteloze toegang tot onderwijs (grondwettelijk gewaarborgd)
= Inschrijving is kosteloos in het volledige erkende en gesubsidieerde leerplichtonderwijs
o Schoolkosten na inschrijving in basisonderwijs: dubbele maximumfactuur
Voor eendaagse en meerdaagse activiteiten die niet noodzakelijk zijn om de
eindtermen te bereiken
o Secundair onderwijs: proportionele en reële bijdrage voor onderwijskosten zoals
handboeken en kopies, maar niet voor personeels-, secretariaats- en organisatiekosten.
, 7. Leerplicht maar geen schoolplicht
o Leerplicht sinds 1914
o Vanaf 1 september in het jaar dat het kind 5 jaar wordt start de leerplicht
o Vanaf 1914: leerplicht tot 14 jaar / Vanaf 1953: leerplicht tot 16 jaar / Vanaf 1983: leerplicht
tot 18 jaar.
o Ouders en leerlingen kunnen ervoor kiezen zich niet in te schrijven in een erkende school,
maar te leren via thuisonderwijs en het slagen voor een examen van de centrale
examencommissie
8. Legaliteitsbeginsel
= elke maatregel die substantieel ingrijpt in het Vlaams onderwijsbeleid moet via een decreetgever
(Vlaams Parlement) gaan – regeringsbesluit of ministerieel besluit volstaat niet
o Er is dus altijd politieke controle via het parlement en er moet altijd een advies van de Raad
van State zijn
o Jaarlijkse verzameldecreten = opeenstapeling van wijzigingen op alle onderwijsniveaus
zodat een grondige democratische bespreking ervan veelal afwezig blijft.
o Belangrijkste wetgeving voor basisonderwijs is opgenomen in het Decreet Basisonderwijs
o Belangrijkste wetgeving voor secundair onderwijs is opgenomen in de Codex Secundair
onderwijs
o Omzendbrief SO64 maakt decreten toegankelijk voor niet-juristen (toegankelijke taal, vb
tuchtsancties)
9. Recht op inclusief onderwijs
o Art 22ter van de Grondwet + VN-verdrag betreffende de Rechten van personen met een
Handicap
o M-decreet + Decreet Leersteun: Vlaanderen stappen richting inclusie.
o Een alomvattend plan met duidelijke toekomstvisie van buitengewoon onderwijs ontbreekt
nog
Wie heeft bevoegdheid in het federale België om onderwijs te regelen binnen het uitgezette juridische
kader.
Volgens art27 van de grondwet : de gemeenschappen die de volledige bevoegdheid hebben met
betrekking tot het onderwijs. (uitz. Pensioenstels, begin en einde van leerplicht en
minimumvwdn om diploma’s te verlenen.)
2.2 Beleidsactoren in onderwijs
BELEIDSACTOREN = actoren die de regels en reglementen bepalen waarbinnen een startende leraar
zich moet bewegen
1. Vlaamse wetgevende macht & Vlaamse uitvoerende macht
2. Onderwijsmiddenveld
3. Schoolbesturen
4. Belangrijke internationale actoren
1. Vlaamse wetgevende en uitvoerende macht
Onderwijsbevoegdheid komt bijna helemaal toe aan de gemeenschappen.
Wetgevende macht = Vlaams parlement
Uitvoerende macht = Minister van Onderwijs die deel uitmaakt van de regering –
- verantwoording verschuldigd aan het Vlaams parlement
Naast politieke actoren heb je de Vlaamse onderwijsadministratie => Departement Onderwijs en
Vorming (beleidsvoorbereidend werk) + verschillende agentschappen (beleid uitvoeren):
AHOVOKS : Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenonderwijs, Kwalificaties en
Studietoelagen
- diploma secundair onderwijs via examencommissie behalen.
- buitenlandse diploma’s en betaalt studietoelagen
, - betaalt salarissen personeel
- coördineert processen die leiden tot onderwijsdoelen en kwalificaties.
(minimumdoelen/eindtermen)
AGODi: Agentschap voor Onderwijsdiensten
- financïele dienstverlening voor scholen verzorgen
- scholen ondersteunen en informeren, evalueren en adviezen geven
- Nagaan of middelen correct worden gebruikt voor het gelijkekansenbeleid en democratisering
Onderwijsinspectie
- Schooldoorlichting, minstens om de 6 jaar
- Advies bij de oprichting van nieuwe scholen
- Controle op kwaliteit van huisonderwijs
NARIC-Vlaanderen (National Academic Recognition Information Centre)
- Erkent buitenlandse studiebewijzen
- Levert attesten af of regulariseert diploma’s voor wie in buitenland wil werken/studeren.
2. Onderwijsmiddenveld (niveau tussen scholen en overheid)
- Vlaamse onderwijsraad (VLOR)
= Strategische adviesraad met vertegenwoordiging van verschillende geledingen van het onderwijs
(schoolbestuur, leerlingen, vakbonden, sociale partners)
o studiewerk uitvoeren of adviserend optreden op eigen initiatief
o Advies geven aan de Minister van onderwijs bij nieuwe onderwijswetgeving
- Strategische adviesraad (SERV) = Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen
- Koepels
=Koepels verdedigen de belangen van de scholen bij de overheid, bieden juridisch advies, bieden
pedagogische ondersteuning aan schoolteams, stellen leerplannen op.
o Scholen hebben zich georganiseerd via koepels.
GO: raad van het GO!
katholieke scholen : Katholiek Onderwijs Vlaanderen
Koepel gemeentelijke scholen = Onderwijssecretariaat van Steden en Gemeenten van de
Vlaamse Gemeenschap (OVSG)
o Koepel van scholen ingericht door de Vlaamse provincies = Provinciaal Onderwijs
Vlaanderen (POV)
IN HET VLAAMSE ONDERWIJS
Hoofdstuk 7: Leraar en onderwijs: juridische aspecten (Kurt Willems en Bregt
Henkens)
Kernwoorden: aansprakelijkheid, beleidsactoren, grond- en mensenrechten, juridisering, loopbaan
leraren, onderwijsrecht, onderwijsvrijheid, rechtspositie leraren
1. Inleiding
Dit onderdeel is opgesplitst in 3 delen:
- De juridische kant van onderwijssystemen
o Het brede grondwettelijke en mensenrechtelijke kader
o De organisatie van het onderwijs Rol van onderwijsverstrekkers en overheid
- De juridische kant van het lerarenberoep
o Status
o Rechten en plichten
o Aansprakelijkheid
- De juridisering van onderwijs
o Aanvechten van B en C attesten
o Tuchtbeslissingen
Juridische domein heeft grotere impact op de onderwijspraktijk. (perceptie)
2. Het juridische kader van onderwijs
2.1 Het juridische kader voor onderwijsbeleid
GROND-EN MENSENRECHTEN = fundamentele, universele rechten en vrijheden die elk mens bezit,
simpelweg omdat hij of zij mens is
ONDERWIJSRECHT = geldt voor elk kind, ongeacht diens juridische status in België. De toegang tot
onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht (art. 24 Belgische Grondwet)
Het Vlaams juridisch kader voor onderwijs vertrekt vanuit art 24 van de Grondwet. (grondrechten voor
scholen, lln, ouders en overheid.)
- Mensenrechtenverdragen leggen op internationaal vlak de belangrijkste principes vast.
De belangrijkste aspecten uit artikel 24:
1. Actieve onderwijsvrijheid
(ACTIEVE )ONDERWIJSVRIJHEID = vrijheid om een school te mogen oprichten, de
levensbeschouwelijke of onderwijskundige richting ervan vorm te geven en de school te mogen
organiseren naar eigen inzicht (met respectievelijke vrijheid van oprichting, richting en inrichting)
- Vrijheid sinds eerste grondwet van 1831
- De grondwettelijke vrijheid van onderwijs moet genuanceerd worden :
o Overheid mag kwaliteitsverwachtingen stellen en controleren, regels voor
personeelsstatuut en opleggen van miniumnormen door het systeem van erknening en
subsidiëring. (Vlaamse onderwijsregelgeving)
o Tijds, arbeids en financieel intenstief om een school te starten.
o Privé-onderwijs = scholen die erkend zijn, maar niet gesubsidieerd
meer vrijheid genieten
hoge inschrijvingsgelden
eerder internationaal georiënteerd
o Huisonderwijs = scholen die niet erkend zijn.
, geen absolute vrijheid
ook kwaliteitscontrole (onderwijsinspectie)
lln moeten slagen bij centrale examencommissie
2. Passieve onderwijsvrijheid = vrije schoolkeuze voor de ouders.
o Gaat terug op het Schoolpact van 1958 (einde conflict tussen het officieel en het katholiek
onderwijs)
vrije schoolkeuze voor de ouders
o Dit pact werd versterkt door het GOK-decreet in 2002 (Decreet Gelijke onderwijskansen):
Scholen verplichtte om elke leerling in te schrijven die schoolreglement ondertekent.
inschrijven hoofdzakelijk digitaal via elektronische aanmeldingssystemen
Capaciteitsproblemen zetten de vrije schoolkeuze onder druk.
uitvoering wordt opgevolgd door Lokale Overlegplatforms (LOP)
3. Recht op kwaliteitsvol onderwijs geldt voor elk kind, ongeacht diens juridische status in
België.
o Het recht op kwaliteitsvol onderwijs wordt naast de grondwet ook gewaarborgd in
verschillende mensenrechtenverdragen (Vb Rechten van het Kind)
o Doel: een zo volledig mogelijke ontplooiing van persoonlijkheid, talenten en geestelijke
en fysieke vermogens van het kind
4. Recht op een morele of religieuze opvoeding op kosten van de gemeenschap
= Onderricht in 1 der erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer tot het einde van de
leerplicht
o Verstrengeling tussen religie en staat is het gevolg van het Schoolpact van 1958
o Deze verstrengeling staat ter discussie:
• Pleiten voor 1 neutraal vak over diverse religies, met de nadruk op wat leerlingen
verbindt – dit zou organisatorisch en goedkoper zijn
• Behoud van huidige systeem
lln toelaten identiteit ontwikkelen zich vanuit een religieus kader
respectvol omgaan met anderen
ouders moeten geen eigen scholen oprichten.
5. Neutraliteit voor gemeenschapsonderwijs
= een neutraliteitsvereiste (alle scholen) : overheid stelt zich neutraal op tegenover de burger.
o Verbod op levensbeschouwelijke tekens voor leraren en leerlingen: bijv. hoofddoek
o Het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de rechten van de mens hebben zich
hierover positief uitgesproken: het staat schoolbesturen juridisch vrij om te bepalen hoe ze
die neutraliteit concreet invullen voor leerlingen
o Voor leraren geldt het verbod op levensbeschouwelijke tekens in het licht van de
neutraliteitsvereiste
• Uitzondering: de godsdienstleraren: zij hoeven niet neutraal te zijn, aangezien zij
verantwoordelijk zijn voor een levensbeschouwelijk vak
o Er mag niet worden afgeleid dat het verbod ook juridisch verplicht is
onderwijsvrijheid laat toe dat officiële scholen zelf kiezen hoe ze de neutraliteit
vormgeven.
In het vrij onderwijs geldt geen neutraliteitsverplichting (eigen beleid dat strookt
met hun identiteit en pedagogisch levensbeschouwelijke visie.)
6. Kosteloze toegang tot onderwijs (grondwettelijk gewaarborgd)
= Inschrijving is kosteloos in het volledige erkende en gesubsidieerde leerplichtonderwijs
o Schoolkosten na inschrijving in basisonderwijs: dubbele maximumfactuur
Voor eendaagse en meerdaagse activiteiten die niet noodzakelijk zijn om de
eindtermen te bereiken
o Secundair onderwijs: proportionele en reële bijdrage voor onderwijskosten zoals
handboeken en kopies, maar niet voor personeels-, secretariaats- en organisatiekosten.
, 7. Leerplicht maar geen schoolplicht
o Leerplicht sinds 1914
o Vanaf 1 september in het jaar dat het kind 5 jaar wordt start de leerplicht
o Vanaf 1914: leerplicht tot 14 jaar / Vanaf 1953: leerplicht tot 16 jaar / Vanaf 1983: leerplicht
tot 18 jaar.
o Ouders en leerlingen kunnen ervoor kiezen zich niet in te schrijven in een erkende school,
maar te leren via thuisonderwijs en het slagen voor een examen van de centrale
examencommissie
8. Legaliteitsbeginsel
= elke maatregel die substantieel ingrijpt in het Vlaams onderwijsbeleid moet via een decreetgever
(Vlaams Parlement) gaan – regeringsbesluit of ministerieel besluit volstaat niet
o Er is dus altijd politieke controle via het parlement en er moet altijd een advies van de Raad
van State zijn
o Jaarlijkse verzameldecreten = opeenstapeling van wijzigingen op alle onderwijsniveaus
zodat een grondige democratische bespreking ervan veelal afwezig blijft.
o Belangrijkste wetgeving voor basisonderwijs is opgenomen in het Decreet Basisonderwijs
o Belangrijkste wetgeving voor secundair onderwijs is opgenomen in de Codex Secundair
onderwijs
o Omzendbrief SO64 maakt decreten toegankelijk voor niet-juristen (toegankelijke taal, vb
tuchtsancties)
9. Recht op inclusief onderwijs
o Art 22ter van de Grondwet + VN-verdrag betreffende de Rechten van personen met een
Handicap
o M-decreet + Decreet Leersteun: Vlaanderen stappen richting inclusie.
o Een alomvattend plan met duidelijke toekomstvisie van buitengewoon onderwijs ontbreekt
nog
Wie heeft bevoegdheid in het federale België om onderwijs te regelen binnen het uitgezette juridische
kader.
Volgens art27 van de grondwet : de gemeenschappen die de volledige bevoegdheid hebben met
betrekking tot het onderwijs. (uitz. Pensioenstels, begin en einde van leerplicht en
minimumvwdn om diploma’s te verlenen.)
2.2 Beleidsactoren in onderwijs
BELEIDSACTOREN = actoren die de regels en reglementen bepalen waarbinnen een startende leraar
zich moet bewegen
1. Vlaamse wetgevende macht & Vlaamse uitvoerende macht
2. Onderwijsmiddenveld
3. Schoolbesturen
4. Belangrijke internationale actoren
1. Vlaamse wetgevende en uitvoerende macht
Onderwijsbevoegdheid komt bijna helemaal toe aan de gemeenschappen.
Wetgevende macht = Vlaams parlement
Uitvoerende macht = Minister van Onderwijs die deel uitmaakt van de regering –
- verantwoording verschuldigd aan het Vlaams parlement
Naast politieke actoren heb je de Vlaamse onderwijsadministratie => Departement Onderwijs en
Vorming (beleidsvoorbereidend werk) + verschillende agentschappen (beleid uitvoeren):
AHOVOKS : Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenonderwijs, Kwalificaties en
Studietoelagen
- diploma secundair onderwijs via examencommissie behalen.
- buitenlandse diploma’s en betaalt studietoelagen
, - betaalt salarissen personeel
- coördineert processen die leiden tot onderwijsdoelen en kwalificaties.
(minimumdoelen/eindtermen)
AGODi: Agentschap voor Onderwijsdiensten
- financïele dienstverlening voor scholen verzorgen
- scholen ondersteunen en informeren, evalueren en adviezen geven
- Nagaan of middelen correct worden gebruikt voor het gelijkekansenbeleid en democratisering
Onderwijsinspectie
- Schooldoorlichting, minstens om de 6 jaar
- Advies bij de oprichting van nieuwe scholen
- Controle op kwaliteit van huisonderwijs
NARIC-Vlaanderen (National Academic Recognition Information Centre)
- Erkent buitenlandse studiebewijzen
- Levert attesten af of regulariseert diploma’s voor wie in buitenland wil werken/studeren.
2. Onderwijsmiddenveld (niveau tussen scholen en overheid)
- Vlaamse onderwijsraad (VLOR)
= Strategische adviesraad met vertegenwoordiging van verschillende geledingen van het onderwijs
(schoolbestuur, leerlingen, vakbonden, sociale partners)
o studiewerk uitvoeren of adviserend optreden op eigen initiatief
o Advies geven aan de Minister van onderwijs bij nieuwe onderwijswetgeving
- Strategische adviesraad (SERV) = Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen
- Koepels
=Koepels verdedigen de belangen van de scholen bij de overheid, bieden juridisch advies, bieden
pedagogische ondersteuning aan schoolteams, stellen leerplannen op.
o Scholen hebben zich georganiseerd via koepels.
GO: raad van het GO!
katholieke scholen : Katholiek Onderwijs Vlaanderen
Koepel gemeentelijke scholen = Onderwijssecretariaat van Steden en Gemeenten van de
Vlaamse Gemeenschap (OVSG)
o Koepel van scholen ingericht door de Vlaamse provincies = Provinciaal Onderwijs
Vlaanderen (POV)