Krachtige leeromgeving 1A
1. INLEIDING
1.1 Opbouw van deze cursus
In het eerste semester, ‘Krachtige leeromgeving 1A’, komen de volgende 3
leerstofgehelen aan bod:
Deel 1: de didactische componenten
o Focust op de ingrediënten van een goede les: lesdoelen, beginsituatie,
leerinhouden, onderwijsleeractiviteiten, groeperingswijzen en
onderwijsleermiddelen.
o Wordt verkend tijdens de lintstagedagen.
Deel 2: Klasmanagement
o Bestudeert de vaardigheden van een leerkracht voor goed
klasmanagement, inclusief het realiseren van een optimaal leerklimaat,
het gebruik van regels, afspraken en routines, en het reageren op storend
gedrag.
o Deze vaardigheden oefen je in tijdens afgebakende stageopdrachten.
Deel 3: de lesopbouw
o Behandelt hoe de didactische componenten (Deel 1) in een optimaal
leerklimaat (Deel 2) kunnen leiden tot een logisch opgebouwde en
doelgerichte les.
o Het model van de Expliciete Directe Instructie (EDI) biedt hiervoor
een effectief kader.
o Tijdens de lintstage in het eerste semester geef je de startfase van lessen
volgens dit EDI-model.
1.2 Teaching-technieken
De cursus baseert zich op praktijkonderzoek over wat effectief werkt, zoals de
teaching-technieken van Doug Lemov.
Lemov onderzocht hoe goede leraren in scholen met een hoge armoedegraad
(vergelijkbaar met lage SES in Vlaanderen), ondanks de negatieve trend, toch
bovengemiddelde resultaten wisten te behalen op gestandaardiseerde toetsen.
Hij beschreef de ontdekte patronen en overeenkomsten als ‘teaching
techniques’ in zijn ‘Teach Like a Champion’-boeken, om leerkrachten specifieke,
concrete en uitvoerbare handvatten aan te reiken.
De technieken zijn populair vanwege hun eenvoud, toepasbaarheid en de
gemeenschappelijke taal die ze bieden.
1
, Kritiek is er op de vrees voor 'robotisering' van leerkrachten, maar Lemov
benadrukt dat "de kunst zit in het op de juiste manier en in de juiste situatie
toepassen van de technieken" binnen de unieke stijl en visie van de leraar.
Onderzoek bij Uncommon Schools, waarbij Lemov betrokken is, toonde aan dat
het negatieve effect van armoede op schoolprestaties daar wegviel.
De technieken bieden houvast en kunnen, eenmaal geroutineerd, het
werkgeheugen ontlasten, waardoor meer aandacht kan worden besteed aan
andere aspecten van lesgeven (feedback, ondersteuning, lesverloop).
In deze cursus wordt regelmatig verwezen naar deze technieken, en ze worden
expliciet ingeoefend tijdens leertrajectbegeleidingssessies.
1.3 EDI
Geleidelijk aan zal je in ‘Krachtige leeromgeving 1A’ de principes van EDI
(Expliciete Directe Instructie) leren kennen en eigen maken.
EDI is – net als de Teaching-technieken – een bewezen aanpak om de
leseffectiviteit te verhogen en te zorgen voor succeservaringen en betere
leerprestaties bij de leerlingen.
De leraar krijgt hierbij een centrale rol toegewezen.
Een les volgens EDI wordt geleidelijk opgebouwd volgens een aantal vaste
lesfasen.
Daarnaast worden er in elke les ook een aantal technieken ingezet.
Voor nadere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 15.2: EDI of Expliciete
Directe Instructiemodel.
Deel 1: Didactische componenten
HOOFDSTUK 2: COMPONENT ‘DOELEN’
2.1 Wat verstaan we onder ‘doelen’?
Een doel is een vooropgestelde en wenselijk geachte gedragsverandering van
de leerling, rekening houdend met de beginsituatie.
o Leerlingen evolueren van 'niet kunnen, weten, zijn' naar 'wel kunnen,
weten, zijn'.
Doelen specificeren duidelijk en concreet wat leerlingen zich eigen moeten
maken op het gebied van kennis, vaardigheden en attitudes.
De aanpak in een krachtige leeromgeving is doelbewust: wie onderwijst, heeft
vooraf een duidelijk beeld van wat hij wil bereiken.
Het scherpstellen van doelen biedt structuur voor zowel de leerkracht als de
leerlingen.
Doelen zijn de ruggengraat van een les:
2
, o Ze vormen het onmiskenbare vertrekpunt bij het ontwerpen van
onderwijsleersituaties.
o Ze fungeren als kompas tijdens het lesgeven (bepalen waarop in te gaan,
waarop te focussen bij feedback, enz.).
Het is belangrijk leerlingen mede-eigenaar te maken van hun leerproces door de
doelen te expliciteren.
o Dit geeft leerlingen zicht op de verwachtingen, wat motivatie en
betrokkenheid bevordert.
o Leerstof wordt betekenisvoller als leerlingen weten waarom ze iets leren.
Het overdenken en bepalen van doelen geeft richting aan het leerproces.
Doelgericht staat tegenover activiteitgericht:
o Startfase: (Doelgericht) Wat wil ik kinderen leren? (Activiteitgericht) Wat
vinden kinderen leuk?
o Proces: (Doelgericht) Leiden de activiteiten tot de beoogde resultaten?
(Activiteitgericht) Zijn ze lekker bezig?
o Evaluatie: (Doelgericht) Zijn de beoogde doelen bereikt?
(Activiteitgericht) Hebben ze goed gewerkt?
2.2 Ontwikkeling van de hele persoon: hoofd, hart en handen
Goed onderwijs focust niet enkel op de ‘bovenste 10 centimeter’ (kennis), maar
op de ontwikkeling van de hele persoon.
Doelen hebben betrekking op het hoofd (cognitief), het hart (dynamisch-
affectief) en de handen (psychomotorisch).
2.2.1 (Meta)cognitieve doelen (‘hoofd’)
Cognitie (van Latijn 'cognoscere': leren kennen) heeft betrekking op kennis en
het vermogen om kennis te verwerven.
Metacognitie (meta: over/in relatie tot) is 'de kennis over de eigen kennis':
zich bewust zijn van wat men weet, hoe men kennis verwerft en toepast.
2.2.2 Dynamisch-affectieve doelen (‘hart’)
Affectief duidt op iemands gevoelswereld; dynamisch duidt op de
veranderlijkheid door wisselwerking met de omgeving.
Dit wordt soms ook 'socio-emotioneel' genoemd.
Dynamisch-affectieve doelen hebben betrekking op het zelfbeeld, motivatie,
sociale vaardigheden en zelfregulering.
Ze leren leerlingen omgaan met eigen gevoelens, die van anderen en hoe te
reageren in bepaalde situaties.
3
, 2.2.3 Psychomotorische doelen (‘handen’)
Motoriek hangt samen met de manieren waarop men kan bewegen.
Psychomotoriek verwijst naar doelgerichte bewegingen die gestuurd worden
door de hersenen.
Onderscheid tussen:
o 'Grove' of 'grote' motoriek (springen, arm- en beenbewegingen).
o 'Fijne' of 'kleine' motoriek (schrijven, veters knopen, mond- en
tongbewegingen bij het spreken).
o Voorbeeld: Een goede schrijfhouding aannemen; bewegingen uitvoeren
volgens een opgelegd ritme.
2.3 Niveaus van doelen
Er zijn 4 soorten doelen, geordend in volgorde van belangrijkheid en van
algemeen naar specifiek.
Er moet een duidelijke samenhang zijn tussen deze niveaus:
1. Kerndoelen
2. Leerplandoelen
3. Minimumdoelen
4. Concrete lesdoelen
2.3.1 Minimumdoelen
Minimumdoelen (voorheen eindtermen) zijn door de overheid decretaal
vastgelegde kwaliteitseisen die behoren tot de minimale basisvorming.
Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk leerlingen (populatieniveau) deze
doelen bereiken.
o Voor Nederlands en wiskunde moeten elke leerling (individueel niveau) de
minimumdoelen aan het einde van de lagere school behalen.
Minimumdoelen mogen het onderwijsleerproces niet volledig bepalen; ze
moeten ruimte laten voor eigen invulling op schoolniveau.
Vanaf 1 september 2025 komen er nieuwe minimumdoelen in het
(buitengewoon) basisonderwijs (einde kleuteronderwijs, 4e jaar LO en einde LO).
o De focus ligt op Nederlands en wiskunde in een kennisrijk curriculum met
aandacht voor STEM.
o Het kennisrijke curriculum zorgt voor een duidelijke en systematische
opbouw van kennis, waardoor leerlingen verbanden leggen en diepgaande
kennis opbouwen.
2.3.2 Leerplannen
4
1. INLEIDING
1.1 Opbouw van deze cursus
In het eerste semester, ‘Krachtige leeromgeving 1A’, komen de volgende 3
leerstofgehelen aan bod:
Deel 1: de didactische componenten
o Focust op de ingrediënten van een goede les: lesdoelen, beginsituatie,
leerinhouden, onderwijsleeractiviteiten, groeperingswijzen en
onderwijsleermiddelen.
o Wordt verkend tijdens de lintstagedagen.
Deel 2: Klasmanagement
o Bestudeert de vaardigheden van een leerkracht voor goed
klasmanagement, inclusief het realiseren van een optimaal leerklimaat,
het gebruik van regels, afspraken en routines, en het reageren op storend
gedrag.
o Deze vaardigheden oefen je in tijdens afgebakende stageopdrachten.
Deel 3: de lesopbouw
o Behandelt hoe de didactische componenten (Deel 1) in een optimaal
leerklimaat (Deel 2) kunnen leiden tot een logisch opgebouwde en
doelgerichte les.
o Het model van de Expliciete Directe Instructie (EDI) biedt hiervoor
een effectief kader.
o Tijdens de lintstage in het eerste semester geef je de startfase van lessen
volgens dit EDI-model.
1.2 Teaching-technieken
De cursus baseert zich op praktijkonderzoek over wat effectief werkt, zoals de
teaching-technieken van Doug Lemov.
Lemov onderzocht hoe goede leraren in scholen met een hoge armoedegraad
(vergelijkbaar met lage SES in Vlaanderen), ondanks de negatieve trend, toch
bovengemiddelde resultaten wisten te behalen op gestandaardiseerde toetsen.
Hij beschreef de ontdekte patronen en overeenkomsten als ‘teaching
techniques’ in zijn ‘Teach Like a Champion’-boeken, om leerkrachten specifieke,
concrete en uitvoerbare handvatten aan te reiken.
De technieken zijn populair vanwege hun eenvoud, toepasbaarheid en de
gemeenschappelijke taal die ze bieden.
1
, Kritiek is er op de vrees voor 'robotisering' van leerkrachten, maar Lemov
benadrukt dat "de kunst zit in het op de juiste manier en in de juiste situatie
toepassen van de technieken" binnen de unieke stijl en visie van de leraar.
Onderzoek bij Uncommon Schools, waarbij Lemov betrokken is, toonde aan dat
het negatieve effect van armoede op schoolprestaties daar wegviel.
De technieken bieden houvast en kunnen, eenmaal geroutineerd, het
werkgeheugen ontlasten, waardoor meer aandacht kan worden besteed aan
andere aspecten van lesgeven (feedback, ondersteuning, lesverloop).
In deze cursus wordt regelmatig verwezen naar deze technieken, en ze worden
expliciet ingeoefend tijdens leertrajectbegeleidingssessies.
1.3 EDI
Geleidelijk aan zal je in ‘Krachtige leeromgeving 1A’ de principes van EDI
(Expliciete Directe Instructie) leren kennen en eigen maken.
EDI is – net als de Teaching-technieken – een bewezen aanpak om de
leseffectiviteit te verhogen en te zorgen voor succeservaringen en betere
leerprestaties bij de leerlingen.
De leraar krijgt hierbij een centrale rol toegewezen.
Een les volgens EDI wordt geleidelijk opgebouwd volgens een aantal vaste
lesfasen.
Daarnaast worden er in elke les ook een aantal technieken ingezet.
Voor nadere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 15.2: EDI of Expliciete
Directe Instructiemodel.
Deel 1: Didactische componenten
HOOFDSTUK 2: COMPONENT ‘DOELEN’
2.1 Wat verstaan we onder ‘doelen’?
Een doel is een vooropgestelde en wenselijk geachte gedragsverandering van
de leerling, rekening houdend met de beginsituatie.
o Leerlingen evolueren van 'niet kunnen, weten, zijn' naar 'wel kunnen,
weten, zijn'.
Doelen specificeren duidelijk en concreet wat leerlingen zich eigen moeten
maken op het gebied van kennis, vaardigheden en attitudes.
De aanpak in een krachtige leeromgeving is doelbewust: wie onderwijst, heeft
vooraf een duidelijk beeld van wat hij wil bereiken.
Het scherpstellen van doelen biedt structuur voor zowel de leerkracht als de
leerlingen.
Doelen zijn de ruggengraat van een les:
2
, o Ze vormen het onmiskenbare vertrekpunt bij het ontwerpen van
onderwijsleersituaties.
o Ze fungeren als kompas tijdens het lesgeven (bepalen waarop in te gaan,
waarop te focussen bij feedback, enz.).
Het is belangrijk leerlingen mede-eigenaar te maken van hun leerproces door de
doelen te expliciteren.
o Dit geeft leerlingen zicht op de verwachtingen, wat motivatie en
betrokkenheid bevordert.
o Leerstof wordt betekenisvoller als leerlingen weten waarom ze iets leren.
Het overdenken en bepalen van doelen geeft richting aan het leerproces.
Doelgericht staat tegenover activiteitgericht:
o Startfase: (Doelgericht) Wat wil ik kinderen leren? (Activiteitgericht) Wat
vinden kinderen leuk?
o Proces: (Doelgericht) Leiden de activiteiten tot de beoogde resultaten?
(Activiteitgericht) Zijn ze lekker bezig?
o Evaluatie: (Doelgericht) Zijn de beoogde doelen bereikt?
(Activiteitgericht) Hebben ze goed gewerkt?
2.2 Ontwikkeling van de hele persoon: hoofd, hart en handen
Goed onderwijs focust niet enkel op de ‘bovenste 10 centimeter’ (kennis), maar
op de ontwikkeling van de hele persoon.
Doelen hebben betrekking op het hoofd (cognitief), het hart (dynamisch-
affectief) en de handen (psychomotorisch).
2.2.1 (Meta)cognitieve doelen (‘hoofd’)
Cognitie (van Latijn 'cognoscere': leren kennen) heeft betrekking op kennis en
het vermogen om kennis te verwerven.
Metacognitie (meta: over/in relatie tot) is 'de kennis over de eigen kennis':
zich bewust zijn van wat men weet, hoe men kennis verwerft en toepast.
2.2.2 Dynamisch-affectieve doelen (‘hart’)
Affectief duidt op iemands gevoelswereld; dynamisch duidt op de
veranderlijkheid door wisselwerking met de omgeving.
Dit wordt soms ook 'socio-emotioneel' genoemd.
Dynamisch-affectieve doelen hebben betrekking op het zelfbeeld, motivatie,
sociale vaardigheden en zelfregulering.
Ze leren leerlingen omgaan met eigen gevoelens, die van anderen en hoe te
reageren in bepaalde situaties.
3
, 2.2.3 Psychomotorische doelen (‘handen’)
Motoriek hangt samen met de manieren waarop men kan bewegen.
Psychomotoriek verwijst naar doelgerichte bewegingen die gestuurd worden
door de hersenen.
Onderscheid tussen:
o 'Grove' of 'grote' motoriek (springen, arm- en beenbewegingen).
o 'Fijne' of 'kleine' motoriek (schrijven, veters knopen, mond- en
tongbewegingen bij het spreken).
o Voorbeeld: Een goede schrijfhouding aannemen; bewegingen uitvoeren
volgens een opgelegd ritme.
2.3 Niveaus van doelen
Er zijn 4 soorten doelen, geordend in volgorde van belangrijkheid en van
algemeen naar specifiek.
Er moet een duidelijke samenhang zijn tussen deze niveaus:
1. Kerndoelen
2. Leerplandoelen
3. Minimumdoelen
4. Concrete lesdoelen
2.3.1 Minimumdoelen
Minimumdoelen (voorheen eindtermen) zijn door de overheid decretaal
vastgelegde kwaliteitseisen die behoren tot de minimale basisvorming.
Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk leerlingen (populatieniveau) deze
doelen bereiken.
o Voor Nederlands en wiskunde moeten elke leerling (individueel niveau) de
minimumdoelen aan het einde van de lagere school behalen.
Minimumdoelen mogen het onderwijsleerproces niet volledig bepalen; ze
moeten ruimte laten voor eigen invulling op schoolniveau.
Vanaf 1 september 2025 komen er nieuwe minimumdoelen in het
(buitengewoon) basisonderwijs (einde kleuteronderwijs, 4e jaar LO en einde LO).
o De focus ligt op Nederlands en wiskunde in een kennisrijk curriculum met
aandacht voor STEM.
o Het kennisrijke curriculum zorgt voor een duidelijke en systematische
opbouw van kennis, waardoor leerlingen verbanden leggen en diepgaande
kennis opbouwen.
2.3.2 Leerplannen
4