H2: antigenen
Antigenen, immunogenen, haptenen
Antigenen
Moleculen, cellen of micro-organismen die binden aan antilichamen
Zijn immuno-reactief (kunnen interageren met antilichamen)
Niet noodzakelijk immunogeen
Immunogenen
Moleculen die een immuunrespons kunnen opwekken (humoraal of
celgemedieerd)
Typische immunogenen:
o Oplosbare macromoleculen: eiwitten, glycoproteïnen,
lipoproteïnen, complexe polysachariden, lipiden, nucleïnezuren
(vaak immunogeen in complexen)
o Onoplosbare deeltjes:
Microbieel: bacteriën, virussen, parasieten
Niet-microbieel: afkomstig van planten of dieren (pollen,
bloedcellen)
Hoe groter, complexer en lichaamsvreemder, hoe sterker de
immuunrespons
Alle immunogenen zijn antigenen, maar niet alle antigenen zijn
immunogeen
Haptenen
Kleine moleculen (bv. steroidhormonen, geneesmiddelen)
Niet immunogeen op zichzelf → moeten gekoppeld worden aan een
dragermolecule (meestal eiwit)
Na koppeling kan een antilichaam tegen het hapteen worden opgewekt.
Hapteen = immuno-reactief, maar niet immunogeen → ook wel
incompleet antigeen
Complete antigenen = immuno-reactief én immunogeen
Epitopen of antigene determinanten
Epitoop (antigene determinant)
Klein deel van een antigen dat bindt aan het
paratoop van een antilichaam → binding vormt
een immuuncomplex
Gemiddeld oppervlak: 400–500 Ų (≈ 6–7 aminozuren)
Antigenen, immunogenen, haptenen
Antigenen
Moleculen, cellen of micro-organismen die binden aan antilichamen
Zijn immuno-reactief (kunnen interageren met antilichamen)
Niet noodzakelijk immunogeen
Immunogenen
Moleculen die een immuunrespons kunnen opwekken (humoraal of
celgemedieerd)
Typische immunogenen:
o Oplosbare macromoleculen: eiwitten, glycoproteïnen,
lipoproteïnen, complexe polysachariden, lipiden, nucleïnezuren
(vaak immunogeen in complexen)
o Onoplosbare deeltjes:
Microbieel: bacteriën, virussen, parasieten
Niet-microbieel: afkomstig van planten of dieren (pollen,
bloedcellen)
Hoe groter, complexer en lichaamsvreemder, hoe sterker de
immuunrespons
Alle immunogenen zijn antigenen, maar niet alle antigenen zijn
immunogeen
Haptenen
Kleine moleculen (bv. steroidhormonen, geneesmiddelen)
Niet immunogeen op zichzelf → moeten gekoppeld worden aan een
dragermolecule (meestal eiwit)
Na koppeling kan een antilichaam tegen het hapteen worden opgewekt.
Hapteen = immuno-reactief, maar niet immunogeen → ook wel
incompleet antigeen
Complete antigenen = immuno-reactief én immunogeen
Epitopen of antigene determinanten
Epitoop (antigene determinant)
Klein deel van een antigen dat bindt aan het
paratoop van een antilichaam → binding vormt
een immuuncomplex
Gemiddeld oppervlak: 400–500 Ų (≈ 6–7 aminozuren)