§1 Spelling – persoonsvorm
De persoonsvorm geeft aan:
1. het getal aan (enkelvoud of meervoud),
2. de persoon (1e persoon = ik / wij ; 2e persoon = jij / jullie ; 3e
persoon = hij / zij,)
3. de tijd (tegenwoordige of verleden tijd).
Je vindt de persoonsvormen door de zin van tijd te veranderen; de
werkwoorden die mee veranderen, zijn persoonsvormen.
Als ‘je’ achter de persoonsvorm staat (word je) moet je het kunnen
vervangen door ‘jij’ (word jij). Als er staat ‘Wordt je moeder’ dan
kan je dit niet vervangen door ‘Wordt jij moeder’ en schrijf je dus 3e
persoons enkelvoud + t.
Spel de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd meervoud als
infinitief (hele werkwoord) - wij beloven, de spelers worden.
In de verleden tijd gebruik je bij zwakke werkwoorden ’t Kofschip x
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord wel in ’t
kofschip, dan schrijf je: ik-vorm tt + te(n)
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord niet in ’t
kofschip, dan schrijf je: ik-vorm tt +de(n)
Bijvoorbeeld: - ‘’De kunstenaar boetseerde een beeld, dat hij later in
een oven bakte.’’ - Het hele werkwoord is boetseren. - De stam van
dit werkwoord is boetser - De laatste letter is een ‘r’. Deze staat
niet in ’t Kofschip, dus: ik-vorm tt + de.
,§2 Spelling – Overige werkwoorden
Behalve de persoonsvorm zijn er nog andere werkwoordsvormen:
de infinitief (het hele werkwoord);
de gebiedende wijs;
het onvoltooid deelwoord;
tegenwoordig deelwoord;
het voltooid deelwoord.
Spel de infinitief zoals die in het woordenboek staat: hijgen,
zingen.
Spel de gebiedende wijs als ik-vorm: ( Kom op tijd! )
Spel het onvoltooid deelwoord als infinitief + d: ( hijgend )
Het voltooid deelwoord komt meestal voor naast een vorm van
hebben, zijn of worden: ( We hebben een huisje gehuurd (vd) in de
duinen )
Twijfel je over de spelling van een voltooid deelwoord?
Gebruik bij zwakke werkwoorden ’t Kofschip x
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord wel in ’t
kofschip, dan schrijf je: +t.
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord niet in ’t
kofschip, dan schrijf je: +d.
, §3 Spelling – Lastige gevallen in de werkwoordspelling
§4 Spelling – Hoofdletters
De persoonsvorm geeft aan:
1. het getal aan (enkelvoud of meervoud),
2. de persoon (1e persoon = ik / wij ; 2e persoon = jij / jullie ; 3e
persoon = hij / zij,)
3. de tijd (tegenwoordige of verleden tijd).
Je vindt de persoonsvormen door de zin van tijd te veranderen; de
werkwoorden die mee veranderen, zijn persoonsvormen.
Als ‘je’ achter de persoonsvorm staat (word je) moet je het kunnen
vervangen door ‘jij’ (word jij). Als er staat ‘Wordt je moeder’ dan
kan je dit niet vervangen door ‘Wordt jij moeder’ en schrijf je dus 3e
persoons enkelvoud + t.
Spel de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd meervoud als
infinitief (hele werkwoord) - wij beloven, de spelers worden.
In de verleden tijd gebruik je bij zwakke werkwoorden ’t Kofschip x
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord wel in ’t
kofschip, dan schrijf je: ik-vorm tt + te(n)
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord niet in ’t
kofschip, dan schrijf je: ik-vorm tt +de(n)
Bijvoorbeeld: - ‘’De kunstenaar boetseerde een beeld, dat hij later in
een oven bakte.’’ - Het hele werkwoord is boetseren. - De stam van
dit werkwoord is boetser - De laatste letter is een ‘r’. Deze staat
niet in ’t Kofschip, dus: ik-vorm tt + de.
,§2 Spelling – Overige werkwoorden
Behalve de persoonsvorm zijn er nog andere werkwoordsvormen:
de infinitief (het hele werkwoord);
de gebiedende wijs;
het onvoltooid deelwoord;
tegenwoordig deelwoord;
het voltooid deelwoord.
Spel de infinitief zoals die in het woordenboek staat: hijgen,
zingen.
Spel de gebiedende wijs als ik-vorm: ( Kom op tijd! )
Spel het onvoltooid deelwoord als infinitief + d: ( hijgend )
Het voltooid deelwoord komt meestal voor naast een vorm van
hebben, zijn of worden: ( We hebben een huisje gehuurd (vd) in de
duinen )
Twijfel je over de spelling van een voltooid deelwoord?
Gebruik bij zwakke werkwoorden ’t Kofschip x
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord wel in ’t
kofschip, dan schrijf je: +t.
Staat de laatste letter van de stam van een werkwoord niet in ’t
kofschip, dan schrijf je: +d.
, §3 Spelling – Lastige gevallen in de werkwoordspelling
§4 Spelling – Hoofdletters