ONTWIKKELINGS
PSYCHOLOGIE
1ste Bachelor Psychologie
MARTIJN VAN HEEL
,1
, Inhoudsopgave
DEEL 1: EEN INLEIDING TOT DE ONTWIKKELING VAN DE LEVENSDUUR ...................... 6
1. Een oriëntatie op de ontwikkeling van de levensduur ............................................ 6
1.1 Invloeden op de ontwikkeling ........................................................................ 8
theoretische perspectieven op de levensduurontwikkeling ................................... 8
onderzoeksmethoden ...................................................................................... 15
DEEL 2: DE PRENATALE PERIODE ............................................................................ 20
1.4 Genetica ................................................................................................... 20
DEEL 3: DE GEBOORTE ........................................................................................... 24
DEEL 4: DE PASGEBORENE – PEUTER ...................................................................... 30
1. Fysieke ontwikkeling ........................................................................................ 30
2. Motorische ontwikkeling .................................................................................. 31
DEEL 5: ONTWIKKELING IN DE KINDERTIJD .............................................................. 37
1. Piaget’s benadering van cognitieve ontwikkeling ................................................ 37
2. Taalontwikkeling .............................................................................................. 44
DEEL 6: SOCIALE EN PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING IN DE KINDERTIJD ............ 48
1. De wortels van sociabiliteit ontwikkelen ............................................................ 48
1.1 Emoties: ervaren baby’s emotionele hoogtepunten en dieptepunten?............ 48
1.2 Angst voor vreemden en verlatingsangst ...................................................... 49
1.3 Sociale referentie: voelen wat anderen voelen .............................................. 49
1.4 De ontwikkeling van het zelf: weten baby’s wie ze zijn? .................................. 50
1.5 Theory of mind: het perspectief van baby’s op het mentale leven ................... 51
2. Relaties vormen .............................................................................................. 52
2.1 Hechting: sociale banden vormen ............................................................... 52
3. Verschillen tussen zuigelingen.......................................................................... 54
3.1 Persoonlijkheidsontwikkeling: de kenmerken die baby’s uniek maken ............ 54
3.2 Temperament: stabiliteit in het gedrag van zuigelingen .................................. 55
3.3 Geslacht; jongens in blauw, meisjes in roze ................................................. 56
DEEL 7: LICHAMELIJKE EN COGNITIEVE ONTWIKKELING IN DE KLEUTERJAREN ......... 57
1. De fysieke groei ............................................................................................... 57
1.1 Het groeiende lichaam ............................................................................... 57
1.2 De groeiende hersenen ............................................................................... 58
2
, 1.3 Motorische ontwikkeling ............................................................................. 59
2. De cognitieve ontwikkeling ............................................................................... 60
2.1 Piaget’s fase van preoperationeel denken .................................................... 60
2.3 Vygotsky’s visie op cognitieve ontwikkeling: rekening houden met cultuur ...... 64
3. De groei van taal en leren ................................................................................. 65
3.1 Taalontwikkeling ........................................................................................ 65
3.2 Leren door media ....................................................................................... 67
3.3 Vroegschoolse educatie: de ‘pre’ uit de kleuterperiode halen ........................ 67
DEEL 8: SOCIALE & PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING ID VOORSCHOOLSE JAREN 68
1. Een gevoel van eigenwaarde............................................................................. 68
1.1 Psychosociale ontwikkeling: conflicten oplossen ......................................... 68
1.2 Zelfconcept in de kleuterjaren: nadenken over het zelf .................................. 68
1.3 Rassen -, etnische en genderbewustzijn ...................................................... 69
2. Vrienden en familie: het sociale leven van kleuters ............................................ 71
2.1 De ontwikkeling van vriendschappen ........................................................... 71
2.2 Spelen volgens de regels: het werk van het spel............................................ 72
2.3 Theory of mind bij kleuters: begrijpen wat anderen denken ............................ 73
2.4 Het gezinsleven van kleuters ....................................................................... 74
2.5 Kindermishandeling en psychische mishandeling ........................................ 76
2.6 Veerkracht ................................................................................................. 79
3. Morele ontwikkeling en agressie ....................................................................... 79
3.1 Moraliteit ontwikkelen: de rechten en onrechten van de maatschappij volgen 79
3.2 Agressie en geweld bij kleuters: bronnen en gevolgen ................................... 80
DEEL 9: FYSIEKE EN COGNITIEVE ONTWIKKELING IN DE MIDDELSTE KINDERTIJD ...... 82
1. Lichamelijke ontwikkeling ................................................................................ 82
1.1 Het groeiende lichaam ............................................................................... 82
1.2 De motorische ontwikkeling ........................................................................ 82
1.3 Lichamelijke en geestelijke gezondheid tijdens de middelste kindertijd .......... 83
2. Cognitieve ontwikkelingen tijdens de kindertijd ................................................. 85
2.1 Piagetiaanse benaderingen van cognitieve ontwikkeling................................ 85
2.2 Vygotsky’s benadering van cognitieve ontwikkeling en klassikaal onderwijs .... 86
2.3 Taalontwikkeling: wat woorden betekenen ................................................... 86
3
, 3. Schoolvaardigheden ........................................................................................ 88
3.1 Lezen: leren de betekenis achter woorden te ontcijferen ............................... 88
3.2 Onderwijstrends ........................................................................................ 89
3.3 Intelligentie: individuele sterktes bepalen .................................................... 89
3.4 Onder – en bovenintelligentienormen .......................................................... 93
DEEL 10: DE SOCIALE EN PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING IN DE
MIDDENKINDERTIJD ............................................................................................... 95
1. Het ontwikkelende zelf..................................................................................... 95
1.1 De psychosociale ontwikkeling in de middenkindertijd ................................. 95
1.2 Jezelf begrijpen: een nieuw antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ ...................... 95
1.3 Zelfvertrouwen: een positief of negatief zelfbeeld ontwikkelen ...................... 97
1.4 De morele ontwikkeling .............................................................................. 99
2. Relaties: vriendschap opbouwen in de middenkindertijd ...................................101
2.1 Fases van vriendschap: veranderende visie op vrienden ..............................101
2.2 Individuele verschillen in vriendschap: wat maakt een kind populair? ...........102
DEEL 11: FYSIEKE EN COGNITIEVE ONTWIKKELING IN DE ADOLESCENTIE ...............104
1. De fysieke ontwikkeling ...................................................................................104
1.1 De groei tijdens adolescentie: het snelle tempo v fysieke & seksuele rijping ..104
1.2 Voeding, voedsel en eetstoornissen ...........................................................106
1.3 Hersenontwikkeling en denken: de weg vrijmaken voor cognitieve groei ........108
2. De cognitieve ontwikkeling ..............................................................................108
2.1 Piagetiaanse benadering van cognitieve ontwikkeling ..................................108
2.3 Egocentrisme in het denken: zelfabsorptie bij adolescenten ........................109
3. Bedreigingen voor het welzijn van adolescenten ...............................................110
DEEL 12: SOCIALE EN PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING IN DE ADOLESCENTIE ...112
1. Identiteit: de vraag ‘Wie ben ik?’ ......................................................................112
1.1 Zelfbeeld en zelfvertrouwen .......................................................................112
1.2 Identiteitsvorming: verandering of crisis? ....................................................113
1.3 Marcia’s aanpak van identiteitsontwikkeling: Erikson updaten ......................113
1.4 Identiteit van Luyckx ..................................................................................115
1.5 Identiteit, ras en etniciteit ..........................................................................115
2. Relaties: familie en vrienden ...........................................................................117
4
, 2.1 Familiebanden: veranderende relaties met relaties......................................117
2.2 Relaties met leeftijdsgenoten: het belang van erbij horen .............................120
DEEL 13: EMERGING ADULTHOOD .........................................................................123
DEEL 14: VROEGE VOLWASSENHEID ......................................................................130
1. Fysieke ontwikkeling .......................................................................................130
1.1 Omgaan met stress ...................................................................................130
2. Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................132
3. Sociale ontwikkeling .......................................................................................133
4. Persoonlijkheidsontwikkeling ..........................................................................135
DEEL 15: MIDDEN VOLWASSENHEID ......................................................................136
1. Fysieke ontwikkeling .......................................................................................136
2. Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................137
3. Persoonlijkheidsontwikkeling ..........................................................................138
4. Sociale ontwikkeling .......................................................................................139
DEEL 16: LATE VOLWASSENHEID ...........................................................................141
1. Fysieke ontwikkeling .......................................................................................142
2. Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................142
3. Persoonlijkheidsontwikkeling ..........................................................................144
3.1 Succesvol ouder worden ...........................................................................144
4. Sociale ontwikkeling .......................................................................................146
DEEL 17: DE DOOD ...............................................................................................148
5
, DEEL 1: EEN INLEIDING TOT DE ONTWIKKELING VAN DE
LEVENSDUUR
1. Een oriëntatie op de ontwikkeling van de levensduur
ontwikkelingspsychologie
De wetenschappelijke studie van de veranderingsprocessen en stabiliteit bij een
individu vanaf de conceptie tot aan de dood op verschillende domeinen in
wisselwerking met de omgeving.
wetenschappelijke studie
▪ vragen stellen
▪ verklaring formuleren
▪ onderzoeken voeren dat ofwel de verklaring steunt ofwel verwerpt
NATURE VERSUS NURTURE
nature: jouw eigenschappen/karakter/genetisch bepaald
nurture: omgevingsfactoren/jouw opvoeding
Ontwikkelingspsychologie is niet strikt gedefinieerd.
Door bepaalde invloeden kunnen deze veranderen:
culturele invloeden
overgangsritueel naar volwassenheid of al moeten trouwen als kind
sociologische invloeden
meer instroom hoger onderwijs en economische situatie
We hebben verschillende levensfases in de ontwikkelingspsychologie:
prenatale periode conceptie tot geboorte
babytijd 0 tot 18 maanden
peutertijd 18 maanden tot 2,5/3 jaar
kleutertijd 2,5/3 jaar tot 6 jaar
kindertijd (lagere school) 6 tot 12 jaar
adolescentie 12 tot 18 jaar
‘emerging adulthood’ 18 tot 25 jaar
vroege volwassenheid 18 tot 30 jaar
volwassenheid 30 tot 60 jaar
laat volwassenheid 60+ jaar
De emerging adulthood is ontstaan omdat er op deze leeftijden voor ieder wat anders
gebeurt. De ene gaat verder studeren en de ander gaat al samenwonen. Het varieert
dus heel erg van persoon tot persoon.
6
,Er wordt gekeken naar verschillende domeinen; fysiek, cognitief en socio-emotioneel.
Het staat ook in wisselwerking met de omgeving.
(nature – nurture, bio – ecologisch model,…)
BASISTHEMA’S
CONTINU OF DISCONTINU
continu
Geleidelijke toename van al een bestaande vaardigheid.
bvb: er gebeurt elke dag een beetje meer in een vloeiende lijn, gewicht & lengte
Prestaties worden voortgebouwd op prestaties van eerdere niveaus.
kwantitatieve verandering
discontinu
Verschillende stadia met verschillende specifieke kenmerken.
bvb: elke leeftijdsfase heeft zijn eigen vaardigheden, het verandert plots heel snel
‘vandaag kan mijn zoontje niet lopen, volgende week wel’
kwalitatieve verandering
UNIVERSEEL OF INDIVIDUEEL
universeel
Kritieke/gevoelige perioden.
de periode wanneer de meeste mensen iets kunnen
1 bepaald moment is uitermate geschikt voor het leren van een bepaalde vaardigheid
bvb: taal leren in de periode tussen 0 en 6/7 jaar
individueel
Er gebeurt iets in verschillende contexten, ieder heeft zijn eigen traject.
de ene persoon ontwikkelt al sneller dan de ander
7
,1.1 Invloeden op de ontwikkeling
DS3. beschrijf enkele fundamentele invloeden op de menselijke ontwikkeling
cohort
Een groep mensen die op hetzelfde moment op eenzelfde plaats geboren zijn.
Bvb. mensen die allemaal in de oorlog geboren zijn zullen dezelfde ervaringen hebben
Cohorteffecten zijn geschiedenis – gegradeerde invloeden die biologische en
omgevingsinvloeden in verband houden met een bepaald historisch moment.
Bvb. slachtoffers van 9/11 ondervonden gedeelde biologische en
omgevingsgerelateerde gevolgen van de aanslag
Leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische en omgevingsgebonden invloeden die
vergelijkbaar zijn voor individuen in een bepaalde leeftijdsgroep, ongeacht wanneer of
waar ze zijn opgegroeid.
Bvb. puberteit of menopauze
NATURE – NURTURE DEBAT
nature
Aangeboren en gebaseerd op genetische overdracht.
nurture
Fysisch & sociaal en beïnvloedt biologische en psychologische ontwikkeling.
Zowel nature als nurture bepalen de levensloop.
theoretische perspectieven op de levensduurontwikkeling
PSYCHODYNAMISCH PERSPECTIEF
De benadering die stelt dat gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten,
herinneringen en conflicten die over het algemeen buiten het bewustzijn en de
controle van mensen liggen.
Bvb. Je hebt een kleuter die zo bang is voor honden dat hij schreeuwt als hij er 1 ziet.
Om deze angst te begrijpen zal je proberen te achterhalen wat er op onderbewust
niveau aan de hand is met hem.
8
, PSYCHOANALYTISCHE THEORIE // Sigmund Freud
Het onderbewustzijn heeft grote invloed op persoonlijkheid en gedrag.
es // id
Biologische driften zijn basis van psychisch leven (lustprincipe); eros en thanatos.
Onbewuste persoonlijkheid, aanwezig vanaf de geboorte.
ich // ego
Relationeel deel van de psyche dat vroeg in de babytijd ontstond.
De impulsen van het id worden in de echte wereld op een aanvaardbare manier tot
uitdrukking gebracht.
über – ich // super – ego
Het geweten en het onderscheid tussen goed en kwaad.
Ontwikkelt zich tussen 3 en 6 jaar door interacties met de ouders.
psychoseksuele ontwikkeling
fixatie: als er te weinig/ te veel bevrediging is tijdens een bepaalde fase
bvb: door te weinig/ te veel bevrediging tijdens orale fase --> roken op latere leeftijd
0 – 1 jaar orale fase
1 – 3 jaar anale fase
3 – 6 jaar fallische fase
6 – 11 jaar latentie fase
12 – … jaar genitale fase
Freud zegt dat het hierna stopt, maar dat is NIET zo.
fixatie
Het gedrag dat een eerdere ontwikkelingsfase weerspiegelt vanwege een onopgelost
conflict. Het kan optreden als kinderen zichzelf niet voldoende kunnen bevredigen
tijdens een bepaalde fase, of omgekeerd, als ze te veel bevrediging krijgen.
9
PSYCHOLOGIE
1ste Bachelor Psychologie
MARTIJN VAN HEEL
,1
, Inhoudsopgave
DEEL 1: EEN INLEIDING TOT DE ONTWIKKELING VAN DE LEVENSDUUR ...................... 6
1. Een oriëntatie op de ontwikkeling van de levensduur ............................................ 6
1.1 Invloeden op de ontwikkeling ........................................................................ 8
theoretische perspectieven op de levensduurontwikkeling ................................... 8
onderzoeksmethoden ...................................................................................... 15
DEEL 2: DE PRENATALE PERIODE ............................................................................ 20
1.4 Genetica ................................................................................................... 20
DEEL 3: DE GEBOORTE ........................................................................................... 24
DEEL 4: DE PASGEBORENE – PEUTER ...................................................................... 30
1. Fysieke ontwikkeling ........................................................................................ 30
2. Motorische ontwikkeling .................................................................................. 31
DEEL 5: ONTWIKKELING IN DE KINDERTIJD .............................................................. 37
1. Piaget’s benadering van cognitieve ontwikkeling ................................................ 37
2. Taalontwikkeling .............................................................................................. 44
DEEL 6: SOCIALE EN PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING IN DE KINDERTIJD ............ 48
1. De wortels van sociabiliteit ontwikkelen ............................................................ 48
1.1 Emoties: ervaren baby’s emotionele hoogtepunten en dieptepunten?............ 48
1.2 Angst voor vreemden en verlatingsangst ...................................................... 49
1.3 Sociale referentie: voelen wat anderen voelen .............................................. 49
1.4 De ontwikkeling van het zelf: weten baby’s wie ze zijn? .................................. 50
1.5 Theory of mind: het perspectief van baby’s op het mentale leven ................... 51
2. Relaties vormen .............................................................................................. 52
2.1 Hechting: sociale banden vormen ............................................................... 52
3. Verschillen tussen zuigelingen.......................................................................... 54
3.1 Persoonlijkheidsontwikkeling: de kenmerken die baby’s uniek maken ............ 54
3.2 Temperament: stabiliteit in het gedrag van zuigelingen .................................. 55
3.3 Geslacht; jongens in blauw, meisjes in roze ................................................. 56
DEEL 7: LICHAMELIJKE EN COGNITIEVE ONTWIKKELING IN DE KLEUTERJAREN ......... 57
1. De fysieke groei ............................................................................................... 57
1.1 Het groeiende lichaam ............................................................................... 57
1.2 De groeiende hersenen ............................................................................... 58
2
, 1.3 Motorische ontwikkeling ............................................................................. 59
2. De cognitieve ontwikkeling ............................................................................... 60
2.1 Piaget’s fase van preoperationeel denken .................................................... 60
2.3 Vygotsky’s visie op cognitieve ontwikkeling: rekening houden met cultuur ...... 64
3. De groei van taal en leren ................................................................................. 65
3.1 Taalontwikkeling ........................................................................................ 65
3.2 Leren door media ....................................................................................... 67
3.3 Vroegschoolse educatie: de ‘pre’ uit de kleuterperiode halen ........................ 67
DEEL 8: SOCIALE & PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING ID VOORSCHOOLSE JAREN 68
1. Een gevoel van eigenwaarde............................................................................. 68
1.1 Psychosociale ontwikkeling: conflicten oplossen ......................................... 68
1.2 Zelfconcept in de kleuterjaren: nadenken over het zelf .................................. 68
1.3 Rassen -, etnische en genderbewustzijn ...................................................... 69
2. Vrienden en familie: het sociale leven van kleuters ............................................ 71
2.1 De ontwikkeling van vriendschappen ........................................................... 71
2.2 Spelen volgens de regels: het werk van het spel............................................ 72
2.3 Theory of mind bij kleuters: begrijpen wat anderen denken ............................ 73
2.4 Het gezinsleven van kleuters ....................................................................... 74
2.5 Kindermishandeling en psychische mishandeling ........................................ 76
2.6 Veerkracht ................................................................................................. 79
3. Morele ontwikkeling en agressie ....................................................................... 79
3.1 Moraliteit ontwikkelen: de rechten en onrechten van de maatschappij volgen 79
3.2 Agressie en geweld bij kleuters: bronnen en gevolgen ................................... 80
DEEL 9: FYSIEKE EN COGNITIEVE ONTWIKKELING IN DE MIDDELSTE KINDERTIJD ...... 82
1. Lichamelijke ontwikkeling ................................................................................ 82
1.1 Het groeiende lichaam ............................................................................... 82
1.2 De motorische ontwikkeling ........................................................................ 82
1.3 Lichamelijke en geestelijke gezondheid tijdens de middelste kindertijd .......... 83
2. Cognitieve ontwikkelingen tijdens de kindertijd ................................................. 85
2.1 Piagetiaanse benaderingen van cognitieve ontwikkeling................................ 85
2.2 Vygotsky’s benadering van cognitieve ontwikkeling en klassikaal onderwijs .... 86
2.3 Taalontwikkeling: wat woorden betekenen ................................................... 86
3
, 3. Schoolvaardigheden ........................................................................................ 88
3.1 Lezen: leren de betekenis achter woorden te ontcijferen ............................... 88
3.2 Onderwijstrends ........................................................................................ 89
3.3 Intelligentie: individuele sterktes bepalen .................................................... 89
3.4 Onder – en bovenintelligentienormen .......................................................... 93
DEEL 10: DE SOCIALE EN PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING IN DE
MIDDENKINDERTIJD ............................................................................................... 95
1. Het ontwikkelende zelf..................................................................................... 95
1.1 De psychosociale ontwikkeling in de middenkindertijd ................................. 95
1.2 Jezelf begrijpen: een nieuw antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ ...................... 95
1.3 Zelfvertrouwen: een positief of negatief zelfbeeld ontwikkelen ...................... 97
1.4 De morele ontwikkeling .............................................................................. 99
2. Relaties: vriendschap opbouwen in de middenkindertijd ...................................101
2.1 Fases van vriendschap: veranderende visie op vrienden ..............................101
2.2 Individuele verschillen in vriendschap: wat maakt een kind populair? ...........102
DEEL 11: FYSIEKE EN COGNITIEVE ONTWIKKELING IN DE ADOLESCENTIE ...............104
1. De fysieke ontwikkeling ...................................................................................104
1.1 De groei tijdens adolescentie: het snelle tempo v fysieke & seksuele rijping ..104
1.2 Voeding, voedsel en eetstoornissen ...........................................................106
1.3 Hersenontwikkeling en denken: de weg vrijmaken voor cognitieve groei ........108
2. De cognitieve ontwikkeling ..............................................................................108
2.1 Piagetiaanse benadering van cognitieve ontwikkeling ..................................108
2.3 Egocentrisme in het denken: zelfabsorptie bij adolescenten ........................109
3. Bedreigingen voor het welzijn van adolescenten ...............................................110
DEEL 12: SOCIALE EN PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING IN DE ADOLESCENTIE ...112
1. Identiteit: de vraag ‘Wie ben ik?’ ......................................................................112
1.1 Zelfbeeld en zelfvertrouwen .......................................................................112
1.2 Identiteitsvorming: verandering of crisis? ....................................................113
1.3 Marcia’s aanpak van identiteitsontwikkeling: Erikson updaten ......................113
1.4 Identiteit van Luyckx ..................................................................................115
1.5 Identiteit, ras en etniciteit ..........................................................................115
2. Relaties: familie en vrienden ...........................................................................117
4
, 2.1 Familiebanden: veranderende relaties met relaties......................................117
2.2 Relaties met leeftijdsgenoten: het belang van erbij horen .............................120
DEEL 13: EMERGING ADULTHOOD .........................................................................123
DEEL 14: VROEGE VOLWASSENHEID ......................................................................130
1. Fysieke ontwikkeling .......................................................................................130
1.1 Omgaan met stress ...................................................................................130
2. Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................132
3. Sociale ontwikkeling .......................................................................................133
4. Persoonlijkheidsontwikkeling ..........................................................................135
DEEL 15: MIDDEN VOLWASSENHEID ......................................................................136
1. Fysieke ontwikkeling .......................................................................................136
2. Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................137
3. Persoonlijkheidsontwikkeling ..........................................................................138
4. Sociale ontwikkeling .......................................................................................139
DEEL 16: LATE VOLWASSENHEID ...........................................................................141
1. Fysieke ontwikkeling .......................................................................................142
2. Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................142
3. Persoonlijkheidsontwikkeling ..........................................................................144
3.1 Succesvol ouder worden ...........................................................................144
4. Sociale ontwikkeling .......................................................................................146
DEEL 17: DE DOOD ...............................................................................................148
5
, DEEL 1: EEN INLEIDING TOT DE ONTWIKKELING VAN DE
LEVENSDUUR
1. Een oriëntatie op de ontwikkeling van de levensduur
ontwikkelingspsychologie
De wetenschappelijke studie van de veranderingsprocessen en stabiliteit bij een
individu vanaf de conceptie tot aan de dood op verschillende domeinen in
wisselwerking met de omgeving.
wetenschappelijke studie
▪ vragen stellen
▪ verklaring formuleren
▪ onderzoeken voeren dat ofwel de verklaring steunt ofwel verwerpt
NATURE VERSUS NURTURE
nature: jouw eigenschappen/karakter/genetisch bepaald
nurture: omgevingsfactoren/jouw opvoeding
Ontwikkelingspsychologie is niet strikt gedefinieerd.
Door bepaalde invloeden kunnen deze veranderen:
culturele invloeden
overgangsritueel naar volwassenheid of al moeten trouwen als kind
sociologische invloeden
meer instroom hoger onderwijs en economische situatie
We hebben verschillende levensfases in de ontwikkelingspsychologie:
prenatale periode conceptie tot geboorte
babytijd 0 tot 18 maanden
peutertijd 18 maanden tot 2,5/3 jaar
kleutertijd 2,5/3 jaar tot 6 jaar
kindertijd (lagere school) 6 tot 12 jaar
adolescentie 12 tot 18 jaar
‘emerging adulthood’ 18 tot 25 jaar
vroege volwassenheid 18 tot 30 jaar
volwassenheid 30 tot 60 jaar
laat volwassenheid 60+ jaar
De emerging adulthood is ontstaan omdat er op deze leeftijden voor ieder wat anders
gebeurt. De ene gaat verder studeren en de ander gaat al samenwonen. Het varieert
dus heel erg van persoon tot persoon.
6
,Er wordt gekeken naar verschillende domeinen; fysiek, cognitief en socio-emotioneel.
Het staat ook in wisselwerking met de omgeving.
(nature – nurture, bio – ecologisch model,…)
BASISTHEMA’S
CONTINU OF DISCONTINU
continu
Geleidelijke toename van al een bestaande vaardigheid.
bvb: er gebeurt elke dag een beetje meer in een vloeiende lijn, gewicht & lengte
Prestaties worden voortgebouwd op prestaties van eerdere niveaus.
kwantitatieve verandering
discontinu
Verschillende stadia met verschillende specifieke kenmerken.
bvb: elke leeftijdsfase heeft zijn eigen vaardigheden, het verandert plots heel snel
‘vandaag kan mijn zoontje niet lopen, volgende week wel’
kwalitatieve verandering
UNIVERSEEL OF INDIVIDUEEL
universeel
Kritieke/gevoelige perioden.
de periode wanneer de meeste mensen iets kunnen
1 bepaald moment is uitermate geschikt voor het leren van een bepaalde vaardigheid
bvb: taal leren in de periode tussen 0 en 6/7 jaar
individueel
Er gebeurt iets in verschillende contexten, ieder heeft zijn eigen traject.
de ene persoon ontwikkelt al sneller dan de ander
7
,1.1 Invloeden op de ontwikkeling
DS3. beschrijf enkele fundamentele invloeden op de menselijke ontwikkeling
cohort
Een groep mensen die op hetzelfde moment op eenzelfde plaats geboren zijn.
Bvb. mensen die allemaal in de oorlog geboren zijn zullen dezelfde ervaringen hebben
Cohorteffecten zijn geschiedenis – gegradeerde invloeden die biologische en
omgevingsinvloeden in verband houden met een bepaald historisch moment.
Bvb. slachtoffers van 9/11 ondervonden gedeelde biologische en
omgevingsgerelateerde gevolgen van de aanslag
Leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische en omgevingsgebonden invloeden die
vergelijkbaar zijn voor individuen in een bepaalde leeftijdsgroep, ongeacht wanneer of
waar ze zijn opgegroeid.
Bvb. puberteit of menopauze
NATURE – NURTURE DEBAT
nature
Aangeboren en gebaseerd op genetische overdracht.
nurture
Fysisch & sociaal en beïnvloedt biologische en psychologische ontwikkeling.
Zowel nature als nurture bepalen de levensloop.
theoretische perspectieven op de levensduurontwikkeling
PSYCHODYNAMISCH PERSPECTIEF
De benadering die stelt dat gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten,
herinneringen en conflicten die over het algemeen buiten het bewustzijn en de
controle van mensen liggen.
Bvb. Je hebt een kleuter die zo bang is voor honden dat hij schreeuwt als hij er 1 ziet.
Om deze angst te begrijpen zal je proberen te achterhalen wat er op onderbewust
niveau aan de hand is met hem.
8
, PSYCHOANALYTISCHE THEORIE // Sigmund Freud
Het onderbewustzijn heeft grote invloed op persoonlijkheid en gedrag.
es // id
Biologische driften zijn basis van psychisch leven (lustprincipe); eros en thanatos.
Onbewuste persoonlijkheid, aanwezig vanaf de geboorte.
ich // ego
Relationeel deel van de psyche dat vroeg in de babytijd ontstond.
De impulsen van het id worden in de echte wereld op een aanvaardbare manier tot
uitdrukking gebracht.
über – ich // super – ego
Het geweten en het onderscheid tussen goed en kwaad.
Ontwikkelt zich tussen 3 en 6 jaar door interacties met de ouders.
psychoseksuele ontwikkeling
fixatie: als er te weinig/ te veel bevrediging is tijdens een bepaalde fase
bvb: door te weinig/ te veel bevrediging tijdens orale fase --> roken op latere leeftijd
0 – 1 jaar orale fase
1 – 3 jaar anale fase
3 – 6 jaar fallische fase
6 – 11 jaar latentie fase
12 – … jaar genitale fase
Freud zegt dat het hierna stopt, maar dat is NIET zo.
fixatie
Het gedrag dat een eerdere ontwikkelingsfase weerspiegelt vanwege een onopgelost
conflict. Het kan optreden als kinderen zichzelf niet voldoende kunnen bevredigen
tijdens een bepaalde fase, of omgekeerd, als ze te veel bevrediging krijgen.
9